2. Procesverloop
[eisers] c.s. hebben het KFPS op 16 juni 2011 gedagvaard voor de Rechtbank Leeuwarden. Na eiswijziging vorderden [eisers] c.s. in eerste aanleg, samengevat:
- voor recht te verklaren dat het KFPS bij de hengstenkeuring op het Centraal Onderzoek Najaar 2010 jegens [eisers] c.s. toerekenbaar tekort is geschoten dan wel onrechtmatig gehandeld heeft;
- het KFPS te veroordelen tot betaling van schadevergoeding, op te maken bij staat;
- voor recht te verklaren dat de besluiten die tijdens het najaars Centraal Onderzoek genomen zijn met betrekking tot de goedkeuring dan wel afkeuring van dekhengsten dienen te worden vernietigd, dan wel die besluiten nietig te verklaren, en het KFPS op te dragen om haar register dienovereenkomstig te wijzigen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom; en
- het KFPS te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten en in de kosten van het geding. (zie rov. 3.1)
Het KFPS heeft verweer gevoerd tegen deze vorderingen (zie rov. 3.2).
De rechtbank heeft de vorderingen van [eisers] c.s. bij vonnis van 25 januari 2012 afgewezen. [eisers] c.s. zijn door de rechtbank veroordeeld in de kosten van het geding (zie rov. 3.3).
[eisers] c.s. hebben hoger beroep ingesteld bij het Hof Leeuwarden. In hoger beroep hebben [eisers] c.s. hun eis gewijzigd. Deze eiswijziging houdt onder meer in dat [eisers] c.s. naast een veroordeling tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat (wegens waardevermindering van het paard), ook vorderen dat het KFPS veroordeeld wordt tot betaling van een schadevergoeding van € 11.182,19 (zie rov. 1.2).
Het hof (inmiddels het Hof Arnhem-Leeuwarden) heeft bij arrest van 3 december 2013 het hoger beroep verworpen en het eindvonnis van de rechtbank bekrachtigd. [eisers] c.s. zijn veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep. Het hof oordeelde onder meer dat het KFPS wegens schending van het Huishoudelijk Reglement weliswaar tekortgeschoten was in de nakoming van haar contractuele verplichtingen, maar dat er geen causaal verband bestaat tussen die schending en de door [eisers] c.s. gestelde schade (zie rov. 4.12). De gestelde onrechtmatige daad is niet komen vast te staan (zie rov. 4.15, 4.16). Verder oordeelde het hof onder meer dat [eisers] c.s. niet het vereiste belang hebben bij vernietiging van de tijdens het Centraal Onderzoek genomen besluiten met betrekking tot de goedkeuring dan wel afkeuring van hengsten (zie rov. 4.20).
[eisers] c.s. hebben bij dagvaarding van 3 maart 2014 cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof van 3 december 2013. Tegen het KFPS is in cassatie verstek verleend. [eisers] c.s. hebben hun cassatieberoep nog schriftelijk toegelicht.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel I
Onderdelen Ia t/m Ic richten zich tegen het oordeel van het hof (in rov. 4.5) dat “in artikel 11 van de Voorwaarden [Centraal Onderzoek] niet een onvoorwaardelijke verplichting van KFPS valt te lezen om ervoor zorg te dragen dat [betrokkene 1] tijdens de hele duur van het Centraal Onderzoek, dat 70 dagen in beslag neemt, steeds persoonlijk aanwezig is, laat staan een verplichting die haar vervanging gedurende korte tijd uitsluit.” Onderdelen Ia t/m Ic klagen dat dit oordeel onbegrijpelijk is of onvoldoende gemotiveerd.
De klachten van onderdelen Ia t/m Ic zijn ongegrond. Het genoemde oordeel is, gezien onder meer de in rov. 2.2 t/m 2.14 vastgestelde feiten en de in rov. 4.3 t/m 4.5 gegeven motivering, allerminst onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Dat geldt ook indien het bestreden oordeel beschouwd wordt in het licht van de stellingen en betogen van onderdelen Ia t/m Ic.
Onderdeel Id luidt: “Rov. 4.5 is voorts onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd voor zover het hof overweegt "dat de enkele omstandigheid dat [betrokkene 2]’ specialisme op het terrein van de aangespannen sport ligt, niet betekent dat hij niet gekwalificeerd is om in de beginfase van het onderzoek de dressuurtrainingen tijdelijk van [betrokkene 1] over te nemen", nu [eisers] c.s. de gestelde ongeschiktheid van [betrokkene 2] voor dit onderdeel van het onderzoek ook niet hebben onderbouwd met zijn specialisme op een ander vlak, maar hebben gestoeld op zijn onbekwaamheid en gebrek aan ervaring op het terrein van het eerste onderdeel (de beoordeling onder het zadel) als gevolg waarvan hij ongeoorloofde behandelingen heeft toegestaan, zij hebben benadrukt hoe zeer de disciplines van elkaar verschillen en andere vaardigheden vergen, KFPS zelf ook wijst op een onderzoek in twee verschillende delen, en die verschillende vaardigheden weliswaar in één persoon verenigd kunnen zijn (zoals het geval is bij mevrouw [betrokkene 1]), maar, zo hebben [eisers] c.s. betoogd, niet het geval is bij [betrokkene 2].”
De klachten van onderdeel Id missen deugdelijke grond. De betogen van het onderdeel worden namelijk niet onderbouwd met adequate verwijzingen naar passages uit de gedingstukken. Voor zover de aangeduide passages betrekking hebben op het hier aan de orde zijnde geschilpunt, bevatten zij slechts de stelling van [eisers] c.s. dat [betrokkene 2] een ander specialisme heeft dan [betrokkene 1], namelijk de aangespannen sport en niet de dressuursport, en dat [betrokkene 2] “zodoende” geen ervaring heeft in de dressuursport (wat volgens [eisers] c.s. een volledig andere discipline is dan de aangespannen sport). Het hof heeft in de bestreden overweging nu juist gemotiveerd om welke reden die stelling niet tot een ander oordeel leidt (zie rov. 4.5, laatste zinsnede).
Onderdeel II
Onderdeel II richt zich tegen rov. 4.7 van het bestreden arrest. Het onderdeel klaagt: “Rov. 4.7 is niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd voor zover, naar het oordeel van het hof, de bedoelde toerekenbare tekortkoming aldus [eisers] c.s. slechts zou hebben bestaan uit toepassing van de Rollkür-methode, nu [eisers] c.s. ter onderbouwing van hun vordering aanvoeren dat Wykle onder het zadel stelselmatig op onjuiste en ongeoorloofde wijze is bereden, als gevolg waarvan hij fysieke en mentale schade lijdt, en zij in dit kader de Rollkür-methode als voorbeeld hebben gebruikt, en niet hun gehele vordering hierop hebben gebaseerd.”
De klacht van onderdeel II is ongegrond. Het hof heeft, anders dan de klacht veronderstelt, in rov. 4.7 niet vastgesteld of aangenomen dat de door [eisers] c.s. gestelde toerekenbare tekortkoming slechts bestaan zou hebben uit toepassing van de Rollkür-methode. Er bestaat overigens ook geen grond om aan te nemen dat de door het onderdeel aangeduide passages uit de gedingstukken en de aldaar te vinden (algemene) stellingen, voor het hof aanleiding hadden moeten zijn om zijn oordeel omtrent de door [eisers] c.s. gestelde toerekenbare tekortkoming nader te motiveren. In dat verband merk ik op dat het hof in rov. 4.8 heeft vastgesteld dat het KFPS met haar stellingen benadrukt heeft “dat de hengsten op een paardvriendelijke manier, met aandacht voor tact en ontspanning, volgens de ‘Skala der Ausbilding’-methode worden getraind.” Verder heeft het hof, in het kader van de beoordeling van de door [eisers] c.s. gestelde onrechtmatige daad, vastgesteld dat [eisers] c.s. niet aannemelijk hebben gemaakt dat het KFPS zich schuldig heeft gemaakt aan een ontoelaatbare trainingsmethode, en dat [eisers] c.s. op dat punt ook geen toereikend bewijsaanbod hebben gedaan (zie rov. 4.15).
Onderdeel III
Onderdeel IIIa richt zich tegen het oordeel van het hof in rov. 4.9. Onderdeel IIIa klaagt: “Het oordeel dat de door FEI [Federation Equestre Internationale, toevoeging A-G] uitgevaardigde regels – meer in het bijzonder het verbod op toepassing van de ‘Rollkür-methode’ – geen onderdeel uitmaakt van de tussen partijen gesloten overeenkomst getuigt van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het hof heeft miskend dat ook zonder dat partijen met zoveel woorden hebben afgesproken dat KFPS is gebonden aan regels die zijn uitgevaardigd door FEI, van KFPS uit hoofde van de (mede als bewaarneming te kwalificeren) overeenkomst, althans op grond van de met deze overeenkomst op zich genomen verplichting zich jegens haar wederpartij te gedragen naar de eisen van redelijkheid en billijkheid, mocht worden verwacht als ‘goed huisvader’ voor het jonge paard te zorgen, althans naar behoren voor de aan haar toevertrouwde jonge hengst te zorgen, hetgeen in dit geval betekende het paard te vrijwaren van de Rollkür-methode, althans een daarop sterk gelijkende stelselmatig uitgevoerde behandeling, waarover de hogere, overkoepelende, wereldwijde paardensportfederatie FEI, gelet op de daaraan voor het paard verbonden onaanvaardbaar grote kans op (geestelijk en lichamelijk) letsel, een verbod heeft uitgesproken.”
Onderdeel IIIb voegt aan de voorgaande klacht toe: “Rov. 4.9 is bovendien niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd voor zover het hof overweegt dat [eisers] c.s. niet hebben "aangegeven uit welken hoofde het KFPS aan de door de FEI uitgevaardigde regels is gebonden en niet hebben gesteld is dat deze regels deel uitmaken van de tussen partijen gemaakte afspraken", terwijl [eisers] c.s. hebben gewezen op de verplichting om als goed huisvader voor het jonge paard te zorgen en op de algemene zorgvuldigheidsnorm die inhoudt dat KFPS zich onthoudt van een, gelet op de daaraan voor paarden inherente grote kans op letsel – door internationale sportfederatie – verboden gedraging.”
Onderdelen IIIa en IIIb worden tevergeefs voorgesteld. Reden daarvoor is reeds dat het hof heeft vastgesteld dat [eisers] c.s. er niet in geslaagd zijn om aannemelijk te maken dat het KFPS zich schuldig heeft gemaakt aan een ontoelaatbare trainingsmethode (zie rov. 4.15). Vast staat ook dat [eisers] c.s. op dat punt geen toereikend bewijsaanbod hebben gedaan en dat er om die reden geen plaats was voor een bewijsopdracht (zie rov. 4.15). Uit een en ander volgt reeds dat de vordering van [eisers] c.s. voor zover die gebaseerd is op toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst, op dit punt niet toewijsbaar is.
Onderdeel IV
Onderdeel IV (IVa t/m IVi) richt zich tegen het oordeel in rov. 4.12 en tegen het dictum van het bestreden arrest. Onderdeel IVa klaagt – kort samengevat – dat het hof de gevorderde verklaring voor recht dat het KFPS toerekenbaar tekort is geschoten, ten onrechte heeft afgewezen. De klachten van onderdeel IVa zijn ongegrond. Het onderdeel ziet eraan voorbij dat het hof in rov. 4.17 heeft vastgesteld dat de relevante schadevordering van [eisers] c.s. niet voor toewijzing vatbaar is en dat [eisers] c.s. om die reden ook geen belang hebben bij hun vordering tot verklaring voor recht dat het KFPS toerekenbaar tekort is geschoten dan wel onrechtmatig gehandeld heeft. In dat oordeel ligt overigens ook besloten dat niet gebleken is dat [eisers] c.s. nog een ander belang zouden hebben bij verkrijging van de genoemde verklaring voor recht.
Onderdelen IVb en IVc klagen, kort samengevat, dat het in rov. 4.12 gegeven oordeel onjuist althans onbegrijpelijk is, indien het hof aldaar geoordeeld heeft dat de vastgestelde tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst niet toerekenbaar is aan het KFPS. De klachten van onderdelen IVb en IVc falen reeds wegens gebrek aan belang. Het hof heeft namelijk geoordeeld dat niet gebleken is dat de betreffende tekortkoming van het KFPS in causaal verband staat tot de door [eisers] c.s. gestelde schade. Omdat het vereiste causaal verband niet is komen vast te staan, zijn naar oordeel van het hof de vordering tot betaling van schadevordering en de vordering tot verklaring voor recht, niet toewijsbaar (zie onder meer rov. 4.12 en 4.17). Deze oordelen worden in cassatie ook niet met succes bestreden.
Onderdelen IVd, IVf, IVg en IVh richten zich eveneens tegen het oordeel van het hof in rov. 4.12. De klachten van deze onderdelen zijn ongegrond. Zij miskennen dat het hof geoordeeld heeft dat de door [eisers] c.s. gestelde tekortkomingen in de nakoming van de overeenkomst, slechts zijn komen vast te staan voor zover het gaat om de verplichtingen van het KFPS betreffende de jury. Het standpunt van [eisers] c.s. dat het KFPS ook op andere punten tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomst, is door het hof verworpen (zie rov. 4.3 t/m 4.12 en 4.15 t/m 4.18). Er bestond voor het hof dan ook geen aanleiding om nader in te gaan op de stellingen van [eisers] c.s. omtrent de schade die zij geleden zouden hebben als gevolg van die overige gestelde (maar niet aannemelijk gemaakte) tekortkomingen.
Onderdeel IVe richt zich tegen het oordeel van het hof (in rov. 4.12) dat er geen causaal verband bestaat tussen de kosten die [eisers] c.s. gemaakt zouden hebben in het kader van de voorbereiding op en deelname aan het Centraal Onderzoek, en het vastgestelde tekortschieten van het KFPS in de naleving van de verplichtingen betreffende de jury zoals die te kennen zijn uit het Huishoudelijk Reglement. De klachten van onderdeel IVe zijn ongegrond. Het genoemde oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Daarbij is onder meer van belang dat het hof bij het genoemde oordeel in aanmerking heeft genomen dat [eisers] c.s. geen gebruik hebben gemaakt van het aanbod van het KFPS om Wykle te laten deelnemen aan het volgende Centraal Onderzoek (zie rov. 4.12, slotzin). Een en ander behoeft hier geen nadere bespreking.
Ook onderdeel IVi wordt tevergeefs voorgesteld. Het hof heeft in rov. 4.12 geoordeeld dat de kans op ‘waardevermeerdering van Wykle’ niet verloren is gegaan als gevolg van de vastgestelde afwijking van de regeling van Huishoudelijk Reglement, maar door de eigen beslissing van [eisers] c.s. om Wykle uit het onderzoek terug te trekken. Bij dat oordeel heeft het hof mede in aanmerking genomen dat [eisers] c.s. geen gebruik hebben gemaakt van het aanbod van het KFPS om Wykle te laten deelnemen aan het volgende Centraal Onderzoek (zie rov. 4.12). Dit oordeel van het hof geeft als zodanig geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. De tegen dat oordeel gerichte klacht van onderdeel IVi faalt derhalve. Daarbij merk ik op dat de betreffende betogen van het onderdeel niet gestaafd worden met verwijzingen naar passages uit de gedingstukken. De overige klachten van onderdeel IVi stranden op de gronden die vermeld zijn bij de bovenstaande bespreking van onderdelen IVd, IVf, IVg en IVh.
Onderdeel V
Onderdeel V klaagt: “Rov. 4.13 is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd voor zover het hof hier tot uitdrukking brengt dat [eisers] c.s. aan hun vordering tot schadevergoeding uit hoofde van onrechtmatige daad enkel toepassing van de Rollkür-methode ten grondslag hebben gelegd, nu [eisers] c.s. zich hiertoe mede, doch niet uitsluitend, hebben beroepen op deze door FEI verboden behandelwijze en zij hun vordering breder hebben onderbouwd met de stelling dat KFPS hun hengst op onjuiste en ongeoorloofde wijze heeft behandeld en dit heeft geleid tot schade.”
De klacht van onderdeel V is ongegrond. Het hof heeft, anders dan het onderdeel veronderstelt, in rov. 4.13 niet aangenomen dat [eisers] c.s. hun verwijt van onrechtmatig handelen uitsluitend gebaseerd hebben op de stelling dat sprake was van toepassing van de Rollkür-methode. Het hof heeft geoordeeld dat [eisers] c.s. niet voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat het KFPS zich schuldig heeft gemaakt aan een ontoelaatbare trainingsmethode en daarmee aan onrechtmatig handelen (zie rov. 4.13 t/m 4.15). Voor zover [eisers] c.s. betoogd hebben dat het KFPS ook overigens onrechtmatig jegens hen gehandeld heeft, hebben [eisers] c.s. hun stellingen naar oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd (zie rov. 4.16).
Onderdeel VI
Onderdeel VI richt zich tegen het oordeel in rov. 4.20 en tegen het dictum van het bestreden arrest. Het onderdeel betoogt onder meer: “Het oordeel van het hof in rov. 4.20 dat [eisers] c.s. niet worden getroffen in een eigen belang als bedoeld in art. 2:15 lid 3 BW, nu zij Wykle uit het centraal onderzoek hebben teruggetrokken en dus de besluiten tot "goed- of afkeuren van hengsten hen niet zelf" raken, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans is, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd, nu [eisers] c.s., gelijk zij hebben gesteld, met de beslissing om – ondanks de bij het bestuur van KFPS bekende schending van reglementen tijdens de keuring waarop de inschrijving is gebaseerd toch – de drie paarden in te schrijven in het stamboek, als lid van de vereniging, als fokker en als eigenaar van Friese paarden onmiddellijk, rechtstreeks en concreet worden getroffen en dus worden geraakt in een eigen belang (als fokker, eigenaar en lid van de vereniging), nu met deze beslissing het aanzien van, de status en de waarde van Friese paarden, waaronder die van hen, onmiddellijk wordt aangetast.”
De klachten van onderdeel VI dienen verworpen te worden. Het hof heeft in rov. 4.20 vooropgesteld dat besluiten die in strijd zijn met een reglement, vatbaar kunnen zijn voor vernietiging (zie ook art. 2:15 lid 1 aanhef en sub c BW). Vernietiging geschiedt onder meer door een uitspraak van de rechtbank op een vordering tegen de rechtspersoon van iemand die een redelijk belang heeft bij de naleving van de verplichting die niet is nagekomen (zie art. 2:15 lid 3 aanhef en sub a BW). Daarbij is nodig dat degene die vernietiging vordert, in een eigen belang geschaad is of geschaad dreigt te worden, hetgeen diegene bij betwisting van een redelijk belang zal hebben te stellen (zie HR 31 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2089, NJ 1996/694, rov. 3.4). Het hof heeft in de bestreden rechtsoverweging geoordeeld dat [eisers] c.s. niet het vereiste redelijk belang hebben bij vernietiging van de besluiten die tijdens het najaars Centraal Onderzoek 2010 zijn genomen met betrekking tot de goed- en afkeuring van dekhengsten. Naar oordeel van het hof raken de besluiten met betrekking tot de goed- en afkeuring van hengsten namelijk niet [eisers] c.s. zelf (zie rov. 4.20). Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, en het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. In dat verband is onder meer van belang dat het hof heeft vastgesteld dat de relevante niet-naleving van het Huishoudelijk Reglement slechts betrekking had op twee van de vele beoordelingsmomenten tijdens het Centraal Onderzoek, welke twee beoordelingsmomenten bovendien gelegen waren in de aanvangsfase van het onderzoek (zie rov. 4.12). De klachten van onderdeel VI worden naar ik meen dan ook tevergeefs voorgesteld.
Slotsom
Slotsom is dat de klachten van onderdelen I t/m VI geen van alle doel treffen. Ik concludeer dan ook tot verwerping van het cassatieberoep.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G