“C.1.
[betrokkene 1] heeft op 12 oktober 2009 aangifte gedaan ter zake diefstal van een Ford Escort met kenteken [AA-00-AA]. Hij heeft het navolgende verklaard.
Aangever is eigenaar van genoemde auto. Op donderdag 8 oktober 2009 omstreeks 20.30 uur parkeerde aangever zijn auto op de weg Prof. Cobbenhagenlaan te Tilburg, ter hoogte van huisnummer [...]. De personenauto stond geparkeerd op het parkeerterrein recht voor de deur. Aangever had zijn auto deugdelijk afgesloten en in goede orde achtergelaten. Op zaterdag 10 oktober 2009 omstreeks 16.00 uur kwam aangever thuis. Hij zag de auto niet meer staan. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.
Bij de diefstal werd weggenomen:
Object : Personenauto
Merk/type : Ford Escort Laser 1
Kleur : Groen
Land : Nederland
Kenteken: [AA-00-AA]
Chassisnummer: [0001]
Bouwjaar: 1994
C.2.
[betrokkene 2] heeft op 15 oktober 2010 het navolgende verklaard.
Over die Ford Escort kan [betrokkene 2] het volgende vertellen. [verdachte] is een jongen die [betrokkene 2] kent. [betrokkene 2] sprak met [verdachte] over die overval (het hof begrijpt: de overval op 24 oktober 2009 een op slijterij/drankengroothandel, gevestigd aan de [a-straat 1] te [plaats]). [betrokkene 2] zei dat [medeverdachte 1] die overval had gepleegd. [verdachte] zei toen meteen dat het wel met die Ford Escort gedaan zou zijn. [betrokkene 2] hoorde [verdachte] zeggen dat hij een Ford Escort "gejoept" had. [verdachte] bedoelde dat hij die Ford Escort had gestolen. [betrokkene 2] hoorde [verdachte] vervolgens zeggen dat [verdachte] geld voor die diefstal van die Ford had gehad. [verdachte] vertelde dat hij voor [medeverdachte 1] een auto had gepikt. [medeverdachte 1] moest namelijk een gepikte auto hebben.”
Voorts heeft het Hof te dien aanzien – voor zover van belang – het volgende overwogen:
“Uit de gebezigde bewijsmiddelen leidt het hof af dat verdachte in de periode van 8 oktober 2009 tot en met 10 oktober 2009 een (buiten medeweten van verdachte bij de onder 2 primair ten laste gelegde overval gebruikte) Ford met kenteken [AA-00-AA] heeft gestolen.”
Volgens vaste jurisprudentie heeft de in art. 342, tweede lid, Sv vervatte bewijsminimumregel slechts betrekking op de gehele tenlastelegging, niet op onderdelen daarvan. In het bijzonder is van belang dat de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden niet op zichzelf staan, terwijl zich niet het geval voordoet dat deze onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.
Het Hof heeft naast de verklaring van [betrokkene 2] ook de aangifte van [betrokkene 1] voor het bewijs gebezigd. Bovendien heeft het Hof in zijn hiervoor onder 4.4. aangehaalde overweging het oordeel vervat dat de verklaring van [betrokkene 2] voldoende steun vindt in het overige gebezigde bewijsmateriaal, terwijl geen sprake is van een te ver verwijderd verband tussen die getuigenverklaring en het overige gebezigde bewijsmateriaal. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.
Het middel faalt.
Het derde middel klaagt dat het Hof de bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 02-811322-11 onder 2 tenlastegelegde ontoereikend heeft gemotiveerd, nu uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte het bewezen verklaarde feit heeft gepleegd.
Ten laste van verdachte is in zoverre bewezen verklaard dat:
“hij in de periode van 28 september 2009 t/m 29 september 2009 te Riethoven, gemeente Bergeijk, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een sportkantine (gelegen aan [b-straat 1]) heeft weggenomen levensmiddelen en televisietoestellen en een videocamera en een geldbedrag van circa 500 Euro en een TFT-beeldscherm, toebehorende aan [voetbalvereniging 1], waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak.”
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsvoering:
“F.1.
[betrokkene 3] heeft op 29 september 2009 namens [voetbalvereniging 1] aangifte gedaan ter zake een inbraak. Hij heeft het navolgende verklaard.
De inbraak werd gepleegd tussen maandag 28 september 2009 te 23.59 uur en dinsdag 29 september 2009 te 03.30 op [b-straat 1], [plaats], binnen de gemeente Bergeijk. Gisteren, maandag 28 september 2009 rond 24.00 uur, hadden ze de kantine van hun voetbalvereniging verlaten. Alles was toen nog heel en intact. Vandaag 29 september 2009 rond 03.45 uur werd aangever gebeld door de politie met de mededeling dat er ingebroken was in hun kantine. Aangever is toen direct gaan kijken en zag dat de toegangsdeur van de kantine opengebroken was. In het magazijn is een leeg gedronken flesje Jupiler achtergelaten. Dit is niet door aangever zo daar achtergelaten. Het dopje van deze fles ligt op de bar, terwijl dit bij het verlaten van de kantine niet het geval was.
Niemand heeft toestemming gekregen deze goederen weg te nemen en zich deze toe te eigenen. Niemand heeft toestemming gekregen schade aan het pand of andere eigendommen toe te brengen.
Bij de inbraak werden de volgende goederen weggenomen:
Object : Drank
Aantal/eenheid : 1 Fles
Merk/type : Bacardi
Object : Frisdrank
Merk/type : Extran
Object : Snoep
Aantal/eenheid : 1 Doos
Merk/type : Bounty
Object : Snoep
Aantal/eenheid : 1 Doos
Merk/type : Dove Melkchocolade
Object : Televisie
Aantal/eenheid : 1 Stuk
Merk/type : Lg 32lg2100
Object : Televisie
Aantal/eenheid: 1 Stuk
Merk/type : Lg 42lf65
Object : Videocamera
Aantal/eenheid : 1 Stuk
Geld : EUR 400.00
Geld : EUR 100.00
Object : Beeldscherm
Aantal/eenheid : 1 Stuk
Merk/type : Hp Widescreen Tft
Eigenaar gestolen goederen : voetbalvereniging [voetbalvereniging 1]
F.2.
Uit een proces-verbaal sporenonderzoek blijkt het volgende.
Op dinsdag 29 september 2009 te 09.00 uur, werd door verbalisant [betrokkene 1] als forensisch onderzoeker een forensisch onderzoek naar sporen verricht in verband met een inbraak sportcomplex. Het onderzoek is verricht in een sportcomplex aan [b-straat 1], [...] te [plaats], binnen de gemeente Bergeijk.
Tijdens het ingestelde onderzoek werd door verbalisant het navolgende gezien.
De dubbele deur rechts in de voorgevel vertoonde braakschade. Er was met breekvoorwerpen in de sluitnaad gestoken.
Op de bar stond onder meer een leeg flesje van het merk Fristi staan. In de voorraadruimte stond een leeg flesje bier van het merk Jupiler. Verbalisant heeft deze flesjes bemonsterd met een wattenstaafje en gedemineraliseerd water. De bemonsteringen heeft verbalisant veiliggesteld en gewaarmerkt met de Spoor Identificatie Nummers (SIN) AAAH3414NL (flesje Fristi) en AAAH3412NL (flesje Jupiler).
J.1.
Uit een rapport DNA-onderzoek aan een referentiemonster van verdachte, opgemaakt door het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 18 april 201 I, blijkt het navolgende. Aan het referentiemonster wangslijmvlies RAAM8215NL van de verdachte [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats], is DNA-onderzoek verricht. Van het DNA in het referentiemonster wangslijmvlies RAAM8215NL is een DNA-profiel verkregen dat op 15 april 2011 is opgenomen in de Nederlandse DN A-databank voor strafzaken en sindsdien wordt vergeleken met daarin aanwezige DNA-profielen. Bij deze vergelijking zijn matches gevonden. Deze matchende DNA-profielen zijn bij het Nederlands Forensisch Instituut geregistreerd onder DNA-profielcluster 13184.
Het DNA in het sporenmateriaal met de identiteitszegels:
- AAAT9645NL#0I (hof: zie bewijsmiddel E.2.),
- AAAH3414NL#01 (hof: zie bewijsmiddel F.2.),
- AAAH3476NL#01 (hof: zie bewijsmiddel G.2.),
- AAAH7163NL#01 (hof: zie bewijsmiddel H.2.),
- AABA4569NL#01 (hof: zie bewijsmiddel I.2.),
uit DNA-profielcluster 13 184 kan afkomstig zijn van [verdachte].
De berekende frequentie van het DNA-profiel van het DNA in het sporenmateriaal, ofwel de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel, is telkens kleiner dan één op één miljard.
K.1.
Uit een rapport DNA-onderzoek aan een referentiemonster van medeverdachte [medeverdachte 1], opgemaakt door het Nederlands Forensisch Instituut op 1 februari 2011, blijkt het navolgende.
Aan het referentiemonster wangslijmvlies RAAP9605NL van de verdachte [medeverdachte 1], geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats], is DNA-onderzoek verricht. Van het DNA in het referentiemonster wangslijmvlies RAAP9605NL is een DNA-profiel verkregen dat op 19 januari 2011 is opgenomen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken en sindsdien wordt vergeleken met daarin aanwezige DNA-profielen. Bij deze vergelijking zijn matches gevonden. Deze matchende DNA-profielen zijn bij het Nederlands Forensisch Instituut geregistreerd onder DNA-profielcluster 13877. Het DNA in het sporenmateriaal met de identiteitszegels:
- AAAH3412NLJ0I (hof: zie bewijsmiddel F.2.) en
- AAAT9128NL#01 (hof: zie bewijsmiddel I.2.),
uit DNA-profielcluster 13877, kan afkomstig zijn van [medeverdachte 1]. De berekende frequentie van het DNA-profiel van het DNA In het sporenmateriaal, ofwel de kans dat liet DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel, is telkens kleiner dan één op één miljard.”
Voorts heeft het Hof te dien aanzien het volgende overwogen:
“L.1.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen leidt het hof af dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1, 2, 4, 7 en 8 ten laste gelegde inbraken.
L.2.
Verdachte heeft bekend dat hij de inbraak onder I heeft begaan. Voor de stelling van de raadsman dat verdachte ondanks het feit dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan die inbraak, een bekennende verklaring heeft afgelegd om medeverdachte [medeverdachte 2] een hak te zetten, heeft hof het geen enkele aanwijzing aangetroffen, terwijl verdachte ter terechtzitting in hoger beroep wederom zonder voorbehoud heeft bekend dit feit tezamen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] te hebben begaan. Deze bekennende verklaring wordt bovendien bevestigd door een match met de hoogst mogelijke bewijswaarde van het DNA-profiel van verdachte met een DNA-profiel van een bemonstering (AAAT9645NL#01 ) afkomstig van een aangebroken flesje frisdrank dat na de inbraak werd aangetroffen op de vriezer in de bijkeuken en dat werd veiliggesteld bij het sporenonderzoek in de sportkantine van [voetbalvereniging 5] te [plaats] naar aanleiding van de ten laste gelegde inbraak (zie het onder E.1. genoemde proces-verbaal sporen onderzoek en het onder J. 1. vermelde rapport DNA-onderzoek aan een referentiemonster van een verdachte).
Het verweer van de raadsman wordt in zoverre dan ook verworpen.
L.3.
Evenals bij de inbraak bij voetbalvereniging [voetbalvereniging 5] te [plaats] zijn bij het sporenonderzoek naar aanleiding van de onder 2, 4, 7 en 8 ten laste gelegde inbraken bij sportkantines van voetbalverenigingen op flesjes (fris)drank sporen gevonden waarvan het DNA-profiel een match met de hoogst mogelijke bewijswaarde heeft opgeleverd met het DNA-profiel van verdachte. Uit de bewijsmiddelen blijkt voorts dat verschillende van de flesjes met daarop sporen met een DNA-profiel matchend met dat van verdachte, afkomstig waren uit dezelfde sportkantines als waar de flesjes zijn gevonden en dat deze zijn genuttigd tussen het moment dat respectievelijke sportkantines voor de inbraken voor het laatst werden afgesloten en het moment dat de inbraken werden ontdekt.
Het voorgaande leidt het hof tot een - door verdachte weerlegbaar - vermoeden dat verdachte de inhoud van deze flesjes heeft genuttigd gedurende de ten laste gelegde inbraken en dat hij zich aan die inbraken ook schuldig heeft gemaakt. De verdachte heeft echter geen enkele aannemelijke verklaring gegeven voor het aantreffen van de flesjes. Voor de niet onderbouwde stelling van de raadsman dat de flesjes daar mogelijk zijn neergelegd door een ander lid van de vriendengroep uit Tilburg waartoe verdachte behoorde noch voor de mogelijkheid dat deze aldaar op een andere wijze buiten verdachte om terecht zijn gekomen, heeft het hof aanwijzingen in het dossier aangetroffen. Het hof acht die stelling dan ook niet aannemelijk.
Daarentegen zijn in het sporenonderzoek in de inbraken onder 2 en 8 op dergelijke flesjes ook sporen aangetroffen met een DNA-profiel die een match met de hoogst mogelijke bewijswaarde hebben opgeleverd met het DNA-profiel van medeverdachte [medeverdachte 1], met wie verdachte, zoals hiervoor overwogen, ook de in de zaak met parketnummer 02-81 1728-10 onder 1 primair ten laste gelegde overval heeft gepleegd, hetgeen meebrengt dat het hof verdachte ten aanzien van die feiten als medepleger aanmerkt.”
Meer specifiek behelst het middel, naar ik uit de toelichting daarop begrijp, in de eerste plaats de klacht dat het Hof de bewezenverklaring uitsluitend heeft doen steunen op één bewijsmiddel, namelijk de uitkomsten van het DNA-onderzoek.
Zoals hiervoor onder 4.5 reeds is uiteengezet, heeft de in art. 342, tweede lid, Sv vervatte bewijsminimumregel volgens vaste jurisprudentie slechts betrekking op de gehele tenlastelegging, niet op onderdelen daarvan. Bovendien heeft die wettelijke regel slechts betrekking op verklaringen van een getuige en niet op andersoortige bewijsmiddelen, zoals de (schriftelijke) verklaring van een deskundige. Maar ook als – op onjuiste grond - de stelregel zou worden gehuldigd dat een enkel bewijsmiddel in het algemeen onvoldoende grond oplevert voor een bewezenverklaring – de steller van het middel hanteert kennelijk dat uitgangspunt – gaat de klacht niet op. Het Hof heeft de bewezenverklaring immers doen steunen op verschillende bewijsmiddelen, waaronder het proces-verbaal van aangifte. Nu het Hof meer bewijsmiddelen aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd dan de bewijsmiddelen die betrekking hebben op het DNA-onderzoek, waarbij in het bijzonder kan worden gedacht aan het proces-verbaal van aangifte, valt niet in te zien dat het Hof in strijd heeft gehandeld met enig bewijsminimumvoorschrift. Voor zover aan het middel de gedachte ten grondslag ligt dat de tweede bewijsgrond de betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde feit moet bevestigen, gaat het uit van een eis die het recht niet kent.
In de tweede plaats behelst het middel, naar ik uit de toelichting daarop begrijp, de klacht dat de door het Hof gebezigde nadere bewijsmotivering ontoereikend althans onbegrijpelijk is, waar het Hof heeft overwogen dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat verschillende van de flesjes met daarop sporen met een DNA-profiel matchend met dat van verdachte, afkomstig waren uit dezelfde sportkantines als waar de flesjes zijn gevonden en dat de inhoud ervan is genuttigd tussen het moment dat respectievelijke sportkantines voor de inbraken voor het laatst werden afgesloten en het moment dat de inbraken werden ontdekt. Uit de bewijsmiddelen blijkt immers niet dat het bewuste flesje, waarop DNA van verdachte is aangetroffen, afkomstig was uit dezelfde sportkantine waar het is gevonden of dat de inhoud is genuttigd tussen het afsluiten van deze kantine en de ontdekking van de inbraak, aldus de steller van het middel.
De steller van het middel miskent dat de bewuste bewijsoverweging van het Hof niet slechts ziet op het in de zaak met parketnummer 02-811322-11 onder 2 ten laste gelegde, maar tevens op hetgeen in die zaak onder 1, 4, 7 en 8 is ten laste gelegd. De klacht, die zich toespitst op een specifiek onderdeel van de bewijsoverweging buiten de context van deze ruimer geformuleerde overweging – die op vijf feiten betrekking heeft – berust op een verkeerde lezing van het arrest. Dat betekent dat het middel ook in zoverre faalt.
Blijkens de toelichting behelst het middel in de derde plaats de klacht dat het oordeel van het Hof ten aanzien van de bewijswaarde van het aangetroffen DNA-spoor in relatie tot de inbraak onbegrijpelijk is.
In de overwegingen van het Hof is als zijn oordeel vervat dat het aangetroffen DNA-spoor moet worden aangemerkt als een daderspoor. Mede in aanmerking genomen dat de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de aanwezigheid van zijn DNA – een omstandigheid die het Hof in de bewijsvoering mocht betrekken – acht het Hof aannemelijk dat het spoor bij gelegenheid van de inbraak is ontstaan. Het Hof heeft de ogen niet gesloten voor een mogelijk alternatief scenario, maar heeft geen aanknopingspunten gevonden voor de lezing van de verdediging en heeft dat scenario onaannemelijk bevonden. Het oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk en het is toereikend gemotiveerd. Derhalve faalt het middel ook in zoverre.
Het middel behelst in de vierde en laatste plaats, zoals uit de toelichting blijkt, dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd ten aanzien van het onderdeel ‘tezamen en in vereniging met een ander’.’
Het Hof heeft geoordeeld dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] de ten laste gelegde inbraak samen hebben uitgevoerd en het heeft de verdacht dienovereenkomstig als medepleger van deze inbraak aangemerkt. Dit oordeel van het Hof is, gelet op hetgeen het Hof daaraan ten grondslag heeft gelegd, niet onbegrijpelijk. Voorts is het oordeel, in aanmerking genomen hetgeen te dien aanzien naar voren is gebracht, toereikend gemotiveerd. Ook in dat opzicht faalt het middel.
Het middel faalt.
Het vierde, vijfde en zesde middel klagen erover dat het Hof de bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 02-811322-11 onder 4, 7 respectievelijk 8 tenlastegelegde ontoereikend heeft gemotiveerd, nu uit de gebezigde bewijsmiddelen telkens niet kan worden afgeleid dat verdachte het bewezen verklaarde feit heeft gepleegd.
Ten laste van verdachte is in zoverre bewezen verklaard dat:
“4.
hij in de periode van 03 oktober 2009 t/m 04 oktober 2009 te Netersel, gemeente Bladel, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een sportkantine (gelegen aan de [d-straat]) heeft weggenomen een televisietoestel, toebehorende aan [voetbalvereniging 2], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak;
7.
hij op 7 oktober 2009 te Haaren met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een sportkantine (gelegen aan [c-straat 1]) heeft weggenomen geldbedragen en een draadloze microfoon en levensmiddelen, toebehorende aan voetbalvereniging [voetbalvereniging 3], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak;
8.
hij omstreeks 7 december 2009 t/m 08 december 2009 te Eersel tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een sportkantine (gelegen aan de [e-straat 1]) heeft weggenomen een geldbedrag, toebehorende aan [voetbalvereniging 4], waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak.”
Hetgeen de steller van de middelen te dien aanzien naar voren brengt is grotendeels identiek, zodat deze middelen zich lenen voor gezamenlijke bespreking, die bovendien in omvang beperkt kan blijven. De inhoud van de middelen is namelijk geheel vergelijkbaar met de eerste, derde en vierde (t.a.v. het zesde middel, derde deelklacht) deelklachten van het derde middel. Om herhalingen te voorkomen volsta ik met verwijzing naar de bespreking van die klachten onder 5.6, 5.10 en 5.12.
Deze middelen falen.
Het zevende middel klaagt dat de strafoplegging onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd is. Het Hof heeft in strafverzwarende zin omstandigheden meegewogen die de verdachte niet als aparte strafbare feiten ten laste zijn gelegd en die hij niet heeft bekend, aldus de steller van het middel.
Uit de toelichting blijkt dat het middel doelt op de volgende passages in de door het Hof gebezigde strafmotivering:
“Voorts heeft verdachte zich in de vijf daaraan voorafgaande maanden schuldig gemaakt aan de diefstal van een auto en aan vijf inbraken in sportkantines, waarbij in een aantal gevallen een enorme ravage is aangericht en eigendommen van de getroffen voetbalverenigingen klaarblijkelijk met opzet zijn vernield dan wel beschadigd onder meer door deze van kwetsende teksten te voorzien. Kennelijk ziet verdachte niet hoezeer dergelijke diefstallen, naast de financiële schade en ergernis, een gevoel van onveiligheid bij de slachtoffers teweeg kunnen brengen.
(…)
In het onderhavige geval is naar het oordeel van het hof evenwel sprake van strafverzwarende omstandigheden:
(…)
de omvang van de (ook nodeloos aangebrachte) schade bij de inbraken (…).”
Vooropgesteld zij dat de feitenrechter bij de oplegging van een straf vrij is in de waardering van de factoren die hij daartoe van belang acht. Deze afweging is aan hem voorbehouden. In cassatie kan dus niet worden onderzocht of de juiste straf is opgelegd en evenmin of de straf beantwoordt aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren, zoals de ernst van het feit of de persoon van de verdachte.In cassatie kan ten aanzien van de strafoplegging worden ingegrepen als de strafmotivering onbegrijpelijk is.
Het hof heeft genoegzaam aangegeven waarom het de door hem opgelegde gevangenisstraf aangewezen acht. Het Hof heeft hierbij onder meer gewezen op de ernst en de aard van de door verdachte gepleegde delicten, alsmede de omstandigheden waaronder deze zijn begaan. Als onderdeel daarvan heeft het Hof de mate waarin de bewezen verklaard inbraken schade hebben teweeggebracht meegewogen. Dat stond het hof vrij. Een en ander is niet onbegrijpelijk en tevens is de strafoplegging voldoende gemotiveerd.
Ook dit middel faalt.
Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
9. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden