1. Op 10 februari 2015 heb ik geconcludeerd dat het derde middel dat namens verzoeker is voorgesteld, te weten dat het Hof in het arrest noch in een aanvulling op het arrest de bewijsmiddelen heeft opgenomen waarop de bewezenverklaring is gestoeld, faalt omdat de raadsman geen verzoek bij de rolraadsheer heeft ingediend om aanvulling van de stukken, waardoor de raadsman niet de weg heeft bewandeld die staat beschreven in art. IV.3 van het Procesreglement van de strafkamer van de Hoge Raad 2013.
2. Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2011:BN7088 blijkt echter dat ook een faxbericht aan de strafgriffie van de Hoge Raad waarin om aanvulling van processtukken wordt verzocht, als een verzoek aan de rolraadsheer moet worden aangemerkt.
3. De rolraadsheer heeft alsnog de aanvulling bewijsmiddelen opgevraagd bij het Hof. Van de eerder opgemaakte aanvulling bewijsmiddelen is een nieuwe uitdraai gemaakt, welke is ondertekend door de voorzitter en is gezonden aan de Hoge Raad. Vervolgens is een nadere termijn verleend teneinde de raadsman in de gelegenheid te stellen om - na kennisneming van de aanvulling bewijsmiddelen - de eerder door hem ingediende schriftuur te wijzigen of aan te vullen dan wel één of meer middelen in te trekken. Deze termijn is verstreken zonder dat de raadsman van die gelegenheid gebruik heeft gemaakt.
4. Op grond van het voorgaande meen ik thans dat het middel feitelijke grondslag mist en om die reden niet tot cassatie kan leiden.
5. Voor het overige handhaaf ik mijn conclusie van 10 februari 2015.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG