2. Bespreking van het cassatiemiddel
Het middel bevat twee onderdelen.
Uit met name de schriftelijke toelichting blijkt dat onderdeel I is gericht tegen rechtsoverweging 3.3, waarin het hof het volgende heeft geoordeeld (voor de leesbaarheid citeer ik ook – de in cassatie niet bestreden – rechtsoverweging 3.2):
“3.2 [eiser] voert hiertegen [het oordeel van de rechtbank dat [eiser] de verjaring niet tijdig heeft gestuit, toev. W-vG] allereerst aan dat de raadsman van KPN, mr. Den Hertog, in een brief van 29 september 1989 heeft geschreven dat KPN begrijpt dat "P. [eiser] h.o.d.n. Belmij" een cliënt van mr. Van Hemert is. Hierdoor is volgens [eiser] komen vast te staan dat [eiser]/Belmij vanaf 1989 door mr. Van Hemert werd vertegenwoordigd, zeker nu een andere advocaat voor [eiser] zich niet bij KPN heeft gemeld. Bovendien spreekt mr. Van Hemert in zijn brief van 20 september 1994 van "de gezamenlijke contractanten" en van "[betrokkene 3] ... die namens de contractanten de exploitatie heeft gedaan...". Tot die contractanten behoorde ook [eiser]/Belmij, aldus [eiser].
Deze argumenten falen. Bij de beantwoording van de vraag of de brieven van mr. Van Hemert van 20 en 27 september 1994 mede namens [eiser] zijn geschreven, komt in dit verband onvoldoende betekenis toe aan het feit dat mr. Van Hemert in 1989, vijf jaar voordien, voor [eiser] is opgetreden. Uit niets blijkt immers dat mr. Van Hemert in de periode vanaf 1989 ook nog op voor KPN kenbare wijze voor [eiser] is opgetreden. Zoals [eiser] zelf stelt was hij in de kort geding-procedure, die tot het vonnis van 20 september 1989 heeft geleid geen partij. Daarbij komt dat uit de brief van KPN van 14 december 1989 (productie 5 bij dagvaarding in eerste aanleg), volgt dat [eiser] zich (ook) persoonlijk tot KPN met een brief (van 15 september 1989) had gericht. Tegen deze achtergrond hoefde voor KPN niet duidelijk te zijn dat in de brief van mr. Van Hemert van 20 september 1994, met "contractanten" ook op [eiser] werd gedoeld, nu beide brieven daarover niets expliciet vermelden en KPN de aanduiding "c.s." redelijkerwijs ook aldus heeft kunnen begrijpen dat daarmee op [betrokkene 1] en C.J. Communicatieservice werd gedoeld.”
Het onderdeel klaagt dat het hof het recht heeft geschonden door onvoldoende te motiveren waarom de vordering van [eiser] op KPN verjaard zou zijn nu de omstandigheden voor C.J. Communicatieservice en [betrokkene 1] geheel identiek zijn aan die van [eiser]. Volgens het onderdeel had KPN uit de brieven van mr. Van Hemert van 20 en 27 september 1994, anders dan het hof heeft geoordeeld, wel moeten begrijpen dat deze mede namens [eiser] waren geschreven met het gevolg dat deze zouden moeten dienen ter stuiting van de verjaring van de vordering van [eiser].
Alvorens op het onderdeel in te gaan, citeer ik voor de volledigheid genoemde aan mr. Den Hertog gerichte brieven van mr. Van Hemert van 20 en 27 september 1994 – voor zover thans van belang –:
“Maasland, 20 september 1994
Geachte confrère,
Betreft: [betrokkene] c.s./PTT
(…)
Inmiddels hebben de gezamenlijke contractanten besloten uitvoering te geven aan de aansprakelijkheidsstelling welke - ten tijde van de contractbeëindiging – aan Uw cliënte is gedaan en zullen deze contractanten vergoeding van hun schade verzoeken.
Daarbij speelt tevens [betrokkene 3] een rol die namens de contractanten de exploitatie heeft gedaan en van wie, noch civiel- noch strafrechtelijk, betrokkenheid bij de manipulaties is vastgesteld.
Gelaedeerden hebben de eerste coördinatie aan mij in handen gegeven met het verzoek de kwestie eens met U te bespreken teneinde een principiëel standpunt van Uw cliënte te vernemen.
Die vraag is dan: acht Uw cliënte zich aansprakelijk voor de ontijdige, onzorgvuldige afsluiting van de lijnen waardoor de contractanten ontegenzeggelijk schade hebben geleden en is zij genegen in der minne te bezien of en in hoeverre tegemoetkoming kan worden gevonden.
(…)”
en
“Maasland, 27 september 1994
Geachte confrère,
Betreft: [betrokkene] c.s./PTT
Onder referte aan mijn schrijven van 20 dezer herhaal ik de algemene aansprakelijkheidsstelling van 20 dezer en stuit ik de - eventuele – verjaring.”
Ik stel vervolgens voorop dat het aan de feitenrechter is voorbehouden over de feiten te oordelen en dat die oordelen in cassatie slechts op begrijpelijkheid kunnen worden getoetst. Voorts is de feitenrechter niet gehouden alle stellingen gemotiveerd in zijn oordeel te betrekken en kan hij niet van belang zijnde stellingen onbesproken laten.
Een tweede vooropstelling is dat de cassatieprocedure geen derde feitelijke instantie is en dat de Hoge Raad derhalve niet gehouden is tot een volledig feitelijke herbeoordeling van de aan hem voorgelegde zaak.
Tot slot roep ik in herinnering dat volgens vaste rechtspraak een cassatiemiddel dient te vermelden tegen welke oordelen het is gericht en waarom door de bestreden oordelen het recht is geschonden en/of deze niet genoegzaam zijn gemotiveerd. Een rechtsklacht dient met bepaaldheid en precisie in te houden welke beslissing of overweging in de bestreden uitspraak onjuist is en waarom door die beslissing of overweging het recht is geschonden. Een motiveringsklacht dient met bepaaldheid en precisie te vermelden welke beslissing of overweging onvoldoende gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk is en waarom. Indien een cassatieklacht (mede) is gebaseerd op in de feitelijke instanties aangevoerde stellingen, moet het middel de vindplaats(en) vermelden van die stellingen in de stukken van het geding. Dit alles lijdt slechts dan uitzondering, indien het een rechtsklacht betreft en – zo nodig mede uit de gedingstukken – zonder meer duidelijk is waarin volgens de steller van het middel de onjuistheid van de bestreden rechtsopvatting is gelegen, dan wel indien de wederpartij op basis van de in het middel (en eventueel de daarop in de schriftelijke toelichting gegeven verduidelijking) vervatte rechts- en/of motiveringsklachten de rechtsstrijd in cassatie heeft aanvaard.
De twee in rechtsoverweging 3.2 weergegeven stellingen van [eiser] zijn ook opgenomen in de toelichting op zijn eerste grief tegen het oordeel van de rechtbank dat zijn vordering is verjaard. Dat oordeel is onder meer in de rechtsoverwegingen 6, 7, 11, 12 en 15 van het tussenvonnis van 19 augustus 2009 als volgt gemotiveerd:
“6. De brief van 20 september 1994 houdt in dat "deze contractanten vergoeding van hun schade verzoeken". Die van 27 september 1994 refereert daaraan en behelst verder een expliciete stuiting van de verjaring. Bezien in onderling verband en samenhang moet dan ook worden geoordeeld dat een lopende verjaring op dit punt is gestuit, tenzij KPN wist noch hoefde te begrijpen dat die brieven met het kenmerk "[betrokkene] c.s./PTT" niet mede namens de thans eisende partijen geschreven werden c.q. de thans eisende partijen met de betiteling "c.s." werden bedoeld, nu KPN dit ter adstructie van haar beroep op verjaring heeft opgeworpen.
7. Wat betreft [betrokkene 1] (in persoon) en C.J. volgt de rechtbank KPN niet in dit betoog. [betrokkene 1] en C.J. hadden KPN (destijds nog PTT) op 12 september 1989 in kort geding gedagvaard tot nakoming van het 06-nummersarrangement. Zij trokken dus, naar KPN bekend mocht zijn, samen op. (…)
11. Dat mr. Van Hemert in de periode 1989 - 1994 tevens optrad voor [eiser] kan uit zijn brief d.d. 26 september 1989, waarin hij informeert of het in het voornemen van KPN ligt om ook aan [eiser] zijn aansluitingen op te zeg[g]en en deze af te snijden, volgen. Maar uit niets blijkt dat mr. Van Hemert ten behoeve van [eiser] nadien stappen heeft ondernomen. Dat de bewuste brieven van 20 en 27 september 1994 ook betrekking hadden op [eiser] blijft derhalve onduidelijk en de door KPN voorgestelde proceskostenverrekening kan in deze evenmin een rol spelen. De conclusie moet dan ook zijn dat de brieven van 20 en 27 september 1994 onvoldoende duidelijk en ondubbelzinnig zijn op het punt dat zij mede ten behoeve van [eiser] geschreven zijn. Daarbij speelt tevens een rol dat, naar uit productie 5 dagvaarding volgt, [eiser] zelf KPN heeft benaderd over het beschikbaar stellen van lijnen en KPN daarover rechtstreeks met [eiser] correspondeerde.
12. Het vorenstaande betekent dat waar KPN de opzegging van de 06-nummerlijnen aan [eiser] eveneens per 1 oktober 1989 heeft geëffectueerd, deze de toen gaan lopende verjaring niet tijdig heeft gestuit. Bij het nog aanhangige kort geding, dat [eiser] in dit verband tevens ziet als een stuitingshandeling, was hij geen partij. (…).
15. Slotsom van het vorenstaande is dat de vorderingen van [betrokkene 1] en C.J. niet zijn verjaard, die van [eiser] wel. (…)”
Uit het voorgaande blijkt dat de eerste stelling met toelichting al in eerste aanleg is aangevoerd en dat daarover via de eerste grief een herbeoordeling door het hof is gevraagd.
Overigens is in appel geen grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 4 van haar tussenvonnis van 19 augustus 2009 dat voor de vraag of de verjaring is gestuit, alleen de brieven van mr. van Hemert, die destijds in ieder geval namens [betrokkene 3] optrad, van 20 en 27 september 1994 relevant zijn en dat alle andere documenten van na 1 oktober 1994 dateren en daarom de verjaring van de vordering betrekking hebbend op schade wegens het niet langer ter beschikking stellen van eerder wel ter beschikking gestelde lijnen niet kunnen stuiten.
Het hof heeft in rechtsoverweging 3.3 tot uitgangspunt voor de beoordeling genomen of het voor KPN duidelijk kon zijn dat de stuitingsbrieven van mr. Van Hemert van 20 en 27 september 1994 mede namens [eiser] zijn geschreven. Dit uitgangspunt is terecht nu [eiser] niet met zoveel woorden in de hiervoor onder 2.4 geciteerde brieven wordt genoemd. Een dergelijke beoordeling is vervolgens van feitelijke aard.
De eerste stelling van [eiser] is volgens het hof van onvoldoende betekenis nu uit niets blijkt dat mr. Van Hemert in de vijf jaar na 1989 ook nog op een voor KPN kenbare wijze voor [eiser] is opgetreden en omdat [eiser] zich in september 1989 bovendien persoonlijk met een brief tot KPN had gericht. In dit oordeel ligt, gelet op het hiervoor genoemde uitgangspunt van het hof, besloten dat het er niet toe doet of, zoals [eiser] bij pleidooi heeft aangevoerd, mr. Van Hemert [eiser] bij een kort geding op 23 februari 1990 heeft vertegenwoordigd, omdat ook dat nog niet meebrengt dat de stuitingsbrieven uit 1994 kenbaar voor KPN namens [eiser] zijn geschreven. Op grond hiervan komt het hof met betrekking tot de tweede stelling tot het oordeel dat voor KPN niet duidelijk hoefde te zijn dat mr. Van Hemert in een brief van 20 september 1994 aan KPN met “contractanten” ook [eiser] zou hebben bedoeld. Dit oordeel, waarin tevens een afwijzing van nader aangevoerde argumenten van [eiser] besloten ligt, is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
Het onderdeel faalt mitsdien.
Onderdeel II is gericht tegen de rechtsoverwegingen 4.2 en 4.4, waarin het hof als volgt heeft geoordeeld (voor de leesbaarheid wordt ook rechtsoverweging 4.1 geciteerd):
“4.1 In grief 2 komt [eiser] op tegen het oordeel van de rechtbank, dat [betrokkene 1] en C.J. Communicatieservice (en haar vennoten [betrokkene 2] en [betrokkene 1]) in 2004 hun vorderingen op KPN niet rechtsgeldig hebben overgedragen aan Fine Star, omdat [betrokkene 6] daartoe niet gemachtigd was.
Als het hof [eiser] goed begrijpt houdt zijn betoog allereerst in dat [betrokkene 5] op 1 augustus 1994 de bewuste vorderingen (onder voorwaarden) heeft overgedragen aan [betrokkene 2] en [betrokkene 1], dat daarbij is bepaald dat [betrokkene 2] en [betrokkene 1] dienden mee te werken aan de overdracht van deze vorderingen aan een door [betrokkene 5] aan te wijzen partij en dat [betrokkene 6], tegen de achtergrond van deze verplichting van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] jegens [betrokkene 5], op basis van de aan hem verleende volmacht bevoegd was de vorderingen aan Fine Star over te dragen. Dit betoog faalt reeds omdat [eiser] zelf stelt dat de (terug)levering door [betrokkene 5] geen eigendomsovergang beoogde of ten gevolg had. Indien dat juist is hebben [betrokkene 2] en [betrokkene 1] de vorderingen ook niet aan Fine Star kunnen overdragen. Art. 3:88 BW kan deze onbevoegdheid ook niet repareren, zoals [eiser] aanvoert. De onbevoegdheid van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] is immers niet het gevolg van de ongeldigheid van een vroegere overdracht, maar het gevolg van de omstandigheid (volgens [eiser]) dat [betrokkene 5] de eigendom niet aan hen heeft overgedragen.
[eiser] betoogt voorts dat, voor zover [betrokkene 6] toch onbevoegd moet worden geacht, [betrokkene 5] de overeenkomst van 1 augustus 1994 heeft ontbonden en de vorderingsrechten op 26 juni 2012 alsnog aan Fine Star heeft overgedragen. KPN voert hiertegen terecht aan dat een dergelijke ontbinding geen terugwerkende kracht heeft, zoals ook [eiser] zich lijkt te realiseren (memorie van grieven onder 80), zodat [betrokkene 5] geen eigenaar van de vorderingen is geworden en deze ook niet aan Fine Star heeft kunnen overdragen.”
In de rechtsoverwegingen 4.2 en 4.4 heeft het hof de vraag beoordeeld of de vorderingsrechten van [betrokkene 1] en C.J. Communicatieservice (en haar – inmiddels gewezen – vennoten [betrokkene 2] en [betrokkene 1]) rechtsgeldig aan Fine Star zijn overgedragen, zodat Fine Star de rechthebbende op die vorderingen is. Het betreft de onder 1.7 genoemde “Agreement of abondonment” van 5 juni 2004. Volgens de tekst daarvan zou [betrokkene 6], handelend als – in dit geval – gemachtigde van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (en aangewezen door [betrokkene 5]), hun vorderingen hebben overgedragen aan Fine Star.
Zie ik het goed, dan bevat het onderdeel allereerst de klacht (onder 19) dat de rechtsoverwegingen 4.2 en 4.4 ten aanzien van de vorderingsrechten van Fine Star onverenigbaar en tegenstrijdig zijn.
Deze klacht stuit reeds af op de omstandigheid dat het hof in de beide rechtsoverwegingen verschillende standpunten van [eiser] heeft beoordeeld, namelijk in rechtsoverweging 4.2 het betoog dat [betrokkene 6] op basis van de hem verleende volmacht bevoegd was de vorderingen aan Fine Star over te dragen en in rechtsoverweging 4.4 het subsidiaire standpunt van [eiser] dat, voor zover [betrokkene 6] toch onbevoegd moet worden geacht, [betrokkene 5] zelf de vorderingsrechten op 26 juni 2012 alsnog aan Fine Star heeft overgedragen.
Het onderdeel klaagt daarnaast (onder 24) dat het hof – ik neem aan in rechtsoverweging 4.4 – het recht heeft geschonden door niet te onderzoeken of te motiveren waarom [betrokkene 5] na Hiestands verbetering en uitbreiding van de gronden van het hoger beroep haar vorderingsrechten niet rechtstreeks aan Fine Star kon leveren.
Deze klacht mist feitelijke grondslag.
[eiser] heeft in zijn memorie van grieven onder 66 het volgende aangevoerd:
“66. Anticiperend op de mogelijkheid dat uw Hof het oordeel van de rechtbank t.a.v. de onbevoegdheid van [betrokkene 6] blijft steunen en Fine Star in 2004 daarom geen rechthebbende is geworden, heeft [betrokkene 5], op basis van de bewezen wanprestatie van [betrokkene 2] en [betrokkene 1], de overeenkomst van 1 augustus 1994 per 21 juni 2012 ontbonden (productie 24) en heeft [betrokkene 5] vervolgens op 26 juni 2012 de vorderingsrechten rechtstreeks aan Fine Star overgedragen (productie 25). Dit, om alsnog de door haar in 2004 gewenste overdracht te bewerkstelligen. Aldus handelende is de medewerking van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] niet meer vereist en is via deze weg Fine Star alsnog in volle omvang eigenaar van de vorderingsrechten geworden.”
Het hof heeft dit betoog van [eiser] in rechtsoverweging 4.4 samengevat en afgezet tegen het verweer van KPN dat een ontbinding, zoals door [eiser] gesteld, geen terugwerkende kracht heeft. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat het verweer terecht is onder toevoeging van het oordeel dat [eiser], met hetgeen hij onder 80 van zijn memorie van grieven heeft aangevoerd, zich ook lijkt te realiseren dat een ontbinding zoals hier is bedoeld geen terugwerkende kracht heeft.
Het hof heeft mitsdien de uitbreiding van de gronden in de memorie van grieven onder 66 onderzocht en daarover gemotiveerd geoordeeld.
Voor zover het onderdeel andere klachten bevat, voldoen deze niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv.
Nu beide onderdelen falen, dient het cassatieberoep te worden verworpen. Dit kan m.i. met gebruikmaking van art. 81 RO geschieden.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G