7. De onderhavige bewezenverklaring houdt niet in uit welk specifiek misdrijf de geheelde goederen zijn verkregen. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat wat betreft de graafmachine/loafer aangifte is gedaan van diefstal. Uit de toelichting op het middel maak ik op dat het middel niet is gericht tegen de bewezenverklaring wat deze graafmachine aangaat. Het gaat vooral om de herkomst van de overige, in de bewezenverklaring genoemde goederen, CV ketels en verwarmingsmateriaal, ten aanzien waarvan aangifte is gedaan van oplichting. Volgens de bewijsmiddelen was hierbij de feitelijke gang van zaken dat telkens een vrouw een telefonische bestelling plaatste voor bedoelde goederen, dat die goederen dan werden opgehaald door een man met een witte bestelbus, dat die goederen niet (tijdig) werden betaald, dat een aantal keren een factuuradres is opgegeven dat niet het adres van de koper bleek te zijn, en dat een aantal verkopers geen contact meer heeft weten te krijgen met de koper.
8. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat hoewel uit de bewijsmiddelen telkens blijkt dat aangifte is gedaan van oplichting ten aanzien van bedoelde goederen, daaruit niet kan blijken dat daadwerkelijk sprake is geweest van oplichting of van enig ander misdrijf. Aan de hand van de gebezigde bewijsmiddelen zou niet kunnen worden vastgesteld van enig, in art. 326 Sr genoemd oplichtingsmiddel zoals het aannemen van een valse hoedanigheid of naam, listige kunstgrepen of een samenweefsel van verdichtsels.
9. Dat zie ik anders. Uit de gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof kunnen afleiden dat de kopers, die zich voordeden als [betrokkene 4], [betrokkene 6] of [betrokkene 13] en [betrokkene 3], zich telkens in strijd met de waarheid hebben voorgedaan als bonafide kopers die in staat en voornemens waren de door hen gekochte en aan hen geleverde goederen te kopen. Daarnaast zijn kennelijk opzettelijk onjuiste factuuradressen opgegeven en zijn de goederen opgeslagen in een loods die niet tot de kopers te herleiden was. Na de levering van de goederen hebben de kopers zich onbereikbaar gehouden voor de verkopers teneinde verhaal op hen te bemoeilijken, zo niet volledig te verhinderen. Gelet op het uit de bewijsmiddelen af te leiden patroon dat werd gebruikt bij de bestelling en het afhalen van CV materiaal, heeft het hof, anders dan de steller van het middel betoogt, zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting kunnen oordelen dat de kopers de verkopers tot afgifte van de goederen hebben bewogen door het aannemen van een valse hoedanigheid en dat de bedoelde goederen door oplichting, zijnde een misdrijf, zijn verkregen. De bewezenverklaring voor zover die inhoudt dat de goederen uit enig misdrijf zijn verkregen is daarom voldoende met redenen omkleed.
10. Het middel faalt.
10. In het derde middel wordt geklaagd over de strafmotivering.
10. Die strafmotivering houdt in, voor zover hier van belang:
“Het hof heeft ten bezware van verdachte acht geslagen op een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 10 april 2013, waaruit blijkt dat hij eerder werd veroordeeld ter zake van onder meer vermogensdelicten, waaronder een veroordeling gerechtshof 1 juni 2006 ter zake van opzetheling en een veroordeling rechtbank 8 oktober 2003 ter zake van onder meer opzetheling en bedrieglijke bankbreuk.
Anderzijds heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheid dat voornoemde recidive niet van recente datum is. Maar dat neemt niet weg dat het hof, gelet op de recidive en voorts in aanmerking genomen dat het hof komt tot een bewezenverklaring van opzetheling, een werkstraf zoals (ter zake van schuldheling) door de politierechter is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd, een onvoldoende bestraffing acht.
Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.
Daarbij heeft het hof tevens rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd alsmede de omstandigheid dat feiten als de bewezen verklaarde, diefstallen van waardevolle apparatuur als de onderhavige bevorderen, feiten waardoor aanzienlijke schade wordt veroorzaakt aan de eigenaars van de betreffende goederen dan wel betrokken verzekeraars.”
13. Terecht wordt gesteld dat het uittreksel justitiële documentatie van 10 april 2013 niet inhoudt dat de verdachte bij uitspraak van 8 oktober 2003 is veroordeeld wegens heling, zoals het hof heeft overwogen. Volgens het zich in het dossier bevindende uittreksel is verdachte voor dat feit vrijgesproken. Anders dan de steller van het middel, meen ik echter dat dat onvoldoende is om tot cassatie te leiden. Uit de strafmotivering volgt immers dat het hof naast genoemde veroordeling wegens heling, nog een andere recentere veroordeling wegens heling heeft betrokken bij zijn oordeel. Het hof heeft bovendien van belang geacht dat het opzetheling in plaats van schuldheling bewezen heeft verklaard, en heeft rekening gehouden met de ernst van dat feit in verhouding tot andere feiten, alsmede de omstandigheid dat door dergelijke feiten aanzienlijke schade wordt veroorzaakt. De gestelde veroordeling wegens heling van 8 oktober 2003 maakt dus slechts een klein onderdeel uit van de strafmotivering en is daarvoor van ondergeschikt belang in het geheel van de strafmotivering.
14. Het middel kan niet tot cassatie leiden.
15. In het vierde middel wordt geklaagd over de schending van de redelijke termijn.
15. Hetgeen in het middel gesteld wordt is juist. De verdachte heeft op 1 juli 2013 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 13 mei 2014 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dit betekent dat de inzendtermijn van acht maanden, en daarmee de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM, is overschreden. Nu het eerste middel slaagt, behoeft de overschrijding geen verdere bespreking. Het tijdsverloop kan immers bij de nieuwe behandeling van de zaak door het hof aan de orde worden gesteld.
15. Ik heb al eerder geconcludeerd dat het eerste middel slaagt. Het tweede en derde middel falen en lenen zich voor afdoening met toepassing van art. 81 lid 1 RO. Het vierde middel is terecht voorgesteld.
15. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG