4. In het middel wordt gewezen op het volgende onderdeel van de strafmotivering van de rechtbank:
“De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf, die naar Nederlands recht moet worden opgelegd, rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van veroordeelde. Bij dit alles is de rechtbank, ingevolge artikel 28, derde lid, WOTS gebonden aan de vaststelling van de feiten die de buitenlandse rechter kennelijk aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd.”
5. Inderdaad is de rechtbank op grond van het bepaalde in artikel 28 lid 3 WOTS “gebonden aan de vaststelling van de feiten die de buitenlandse rechter kennelijk aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd. Zij treedt niet in een nieuw onderzoek naar deze feiten.” Eenzelfde gebondenheid is voorgeschreven in artikel 11 lid 1 onder a van het in deze zaak door de rechtbank toegepaste Europees Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (hierna: VOGP 1983). Ook artikel 42 van het Europees Verdrag inzake de internationale geldigheid van strafvonnissen (hierna: EVIGS 1970) – het verdrag dat de rechtbank eigenlijk had moeten toepassen, waarover hierna meer – schrijft de binding voor aan de vaststelling van de feiten en omstandigheden zoals die in de buitenlandse beslissing uiteen zijn gezet. De gebondenheid van de Nederlandse rechter “aan de vaststelling van de feiten die de buitenlandse rechter kennelijk aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd”, is vastgelegd in artikel 28 lid 3 WOTS waarop de rechtbank heeft gewezen.
6. De gebondenheid van de Nederlandse rechter aan de vaststelling van de feiten door de buitenlandse rechter is echter iets anders dan de beoordeling van de Nederlandse rechter van de ernst van het gepleegde naar de normen welke gelden in het land waar dat feit is begaan. Dat laatstgenoemde uitgangspunt heeft de Hoge Raad afgewezen, onder meer in het arrest waarop in het middel een beroep wordt gedaan, als zijnde in strijd met art. 31 lid 1 WOTS waarin is bepaald dat het opleggen van de straf of maatregel moet gebeuren aan de hand van de maatstaven die voor het overeenkomstige feit naar Nederlands recht gelden.
7. Uit niets blijkt dat de rechtbank “tot uitgangspunt heeft genomen dat de ernst van het gepleegde feit beoordeeld dient te worden naar de normen welke gelden in het land waar dat feit is begaan”, Integendeel: de rechtbank heeft overwogen dat zij de straf heeft bepaald “die naar Nederlands recht moet worden opgelegd”. Het middel berust dus op een verkeerde lezing van het vonnis.
8. Het middel faalt.
9. Het tweede middel vat ik zo op dat het klaagt dat het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen niet onherroepelijk is zodat het niet ten uitvoer kan worden gelegd. Als ik het middel goed begrijp dan berust het op de veronderstelling dat het arrest niet onherroepelijk is omdat [de veroordeelde] bij verstek is veroordeeld. Daartoe wordt een beroep gedaan op een vonnis van het Oberlandesgericht Oldenburg van 25 juni 2012 waarvan in cassatie een afschrift is overgelegd.
10. Bij de beoordeling van het middel moet voorop worden gesteld dat de vraag of een arrest onherroepelijk is een feitelijk oordeel betreft, zodat deze niet voor het eerst met succes in cassatie kan worden opgeworpen. Nu dit het geval is, het verweer is bij de rechtbank niet gevoerd, zou ik het hierbij kunnen laten. Maar ik wil de Hoge Raad de veroordeelde en diens raadsman het navolgende niet onthouden, ook al is dat ten overvloede.
11. De brief van 25 april 2014, waarmee de zaak namens de Minister van Veiligheid & Justitie is doorgestuurd aan de hoofdofficier van justitie te Heerlen, houdt in dat het vonnis (lees: arrest) onherroepelijk is. Uit klaarblijkelijk door de Belgische autoriteiten op het overgelegde arrest van het Hof van Beroep gemaakte aantekeningen blijkt dat op 8 november 2010 cassatieberoep is ingesteld en dat het Hof van Cassatie dit beroep op 22 maart 2011 heeft verworpen. Voorts blijkt uit de stukken dat op 20 juni 2011 aan de veroordeelde in persoon een zogenoemd hechtenisbevel is uitgereikt dat inhoudt dat hij zich “binnen de VIJF DAGEN na ontvangst van het gevangenisbriefje, voor 15 uur, zich moet gevangen geven” en dat hij “zal worden gevat, zo hij […] zich niet gevangen geeft”. Een en ander ondersteunt de mededeling in de brief van 25 april 2014 dat het arrest onherroepelijk is. Ook de Rechtbank heeft in haar vonnis vastgesteld dat het arrest onherroepelijk is.
12. Het in cassatie overgelegde vonnis van het Oberlandesgericht Oldenburg van 25 juni 2012 roept echter wel de vraag op of om de tenuitvoerlegging van een verstekvonnis wordt gevraagd. Het vonnis van het Oberlandesgericht heeft namelijk betrekking op de overlevering van [de veroordeelde], die was verzocht door de Belgische autoriteiten ter zake van het arrest van het Hof van Beroep van Antwerpen waarvan nu de tenuitvoerlegging in Nederland wordt verzocht. Het Oberlandesgericht heeft de overlevering geweigerd omdat het arrest van het Hof van Beroep van Antwerpen een verstekvonnis (“Versäumnisurteil”) betreft. Voor mij was dit aanleiding ambtshalve te kijken naar het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen op het hoger beroep dat is ingesteld tegen een vonnis van de Correctionele Rechtbank Tongeren van 24 december 2008. Het laatstgenoemde vonnis houdt op bladzijde 12 het volgende in:
“Zitting 1.10.2008[…]Gehoord 2de beklaagde in zijn verdedigingsmiddelen bijgestaan door Mr. J. Millen, advocaat te Hoeselt.”
13. Op de eerste bladzijde van dit vonnis is als tweede beklaagde aangewezen “[de veroordeelde]”. Op bladzijde 29 houdt het vonnis nog in: “De Correctionele Rechtbank, die zitting houdt in eerste aanleg en uitspraak doet bij verstek ten overstaande [betrokkene 1] en op tegenspraak ten overstaande van de overige beklaagden.” Met andere woorden: de veroordeelde is in ieder geval aanwezig geweest tijdens de behandeling van diens zaak ter terechtzitting van de Correctionele Rechtbank Tongeren op 1 oktober 2008 en de Correctionele Rechtbank heeft hem op tegenspraak veroordeeld.
14. Ook in hoger beroep is de veroordeelde aanwezig geweest bij de behandeling van zijn zaak. Aanvankelijk is echter op 12 maart 2010 een arrest bij verstek gewezen tegen [de veroordeelde]. Daartegen heeft [de veroordeelde] verzet aangetekend, dat bij arrest van 25 juni 2010 ontvankelijk is verklaard waarna [de veroordeelde] vervolgens ter terechtzitting is verschenen. Het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 5 november 2010 houdt op bladzijde 1 het volgende in:
“2. [de veroordeelde][…]beklaagdeaanwezig, bijgestaan door Meester Jurgen Millen”.
15. Nu de veroordeelde aanwezig is geweest op de terechtzitting van zowel de Correctionele Rechtbank als van het Hof van Beroep, is volgens artikel 21 lid 2 EVIGS 1970 geen sprake van een verstekvonnis.
16. Het tweede middel faalt.
17. Ambtshalve merk ik op dat de rechtbank ten onrechte het VOGP 1983 heeft toegepast in plaats van het EVIGS 1970, dat België aan het verzoek ten grondslag heeft gelegd. Nu België en Nederland partij zijn bij beide verdragen, is het aan de verzoekende staat om de verdragsgrondslag aan te wijzen. Die aanwijzing is bindend. Voor de overdracht van de tenuitvoerlegging van het Belgische strafvonnis biedt ook alleen het EVIGS 1970 de in artikel 2 WOTS vereiste verdragsbasis omdat het VOGP 1983 betrekking heeft op de situatie dat de veroordeelde moet worden overgebracht, terwijl in de onderhavige zaak de veroordeelde zich ten tijde van het verzoek van de Belgische autoriteiten tot overname al in Nederland bevond. Het Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen kan alleen worden toegepast indien de veroordeelde is ontvlucht en daarvan blijkt uit de stukken niets. Het EVIGS 1970 voorziet evenwel in de tenuitvoerlegging van de daarin genoemde sancties, waaronder sancties die vrijheidsbeneming meebrengen, los van de fysieke overdracht van de veroordeelde, waarvoor het overigens ook een basis biedt. Met andere woorden: de rechtbank had het EVIGS 1970 moeten toepassen omdat België dat verdrag aan het verzoek ten grondslag heeft gelegd en het VOGP 1983 niet in de vereiste verdragsbasis voorziet omdat de veroordeelde zich reeds in Nederland bevond. Tot ambtshalve cassatie geeft dit echter geen aanleiding. Ik merk het toch op als handreiking voor de praktijk.
18. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
19. De middelen kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
20. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG