“Naar aanleiding van het door de raadsman van verdachte, mr F.M. Dijkers, bij brief van 15 januari 2013 gedaan verzoek schorst het hof, gehoord de advocaat-generaal, het onderzoek voor onbepaalde tijd in het belang van de verdediging, met bevel tot oproeping van verdachte tegen het nog nader te bepalen tijdstip en met tijdige kennisgeving hiervan aan de raadsman van verdachte, alsmede met kennisgeving van dat tijdstip aan de benadeelde partij.”
7. Nu het hof mr. Dijkers heeft aangemerkt als de raadsman van de verdachte, had aan hem een afschrift van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep moeten worden gestuurd, zoals het hof overigens ook ter terechtzitting van 15 januari 2003 had beslist.
8. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 26 september 2013 blijkt dat daar noch de verdachte noch diens raadsman zijn verschenen.
9. Uit de hierboven uiteengezette feiten vloeit het ernstige vermoeden voort dat ten aanzien van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep van 17 april 2002 het voorschrift dat is gegeven in artikel 51 lid 2 Sv niet is nageleefd. Dit in het belang van de verdachte gegeven voorschrift is van een zo grote betekenis dat, al is dit niet uitdrukkelijk in de wet bepaald, de niet-nakoming ervan moet worden geacht aan een geldige behandeling van de zaak ter terechtzitting buiten tegenwoordigheid van de verdachte en diens raadsman in de weg te staan.
10. Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.
11. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, ten einde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG