“Ontvankelijkheid van het hoger beroep
De verdachte heeft niet een schriftuur met grieven tegen het vonnis ingediend. Evenmin heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Het hof ziet ambtshalve geen redenen voor een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep. Daarom zal de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.
Beslissing
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.”
5. Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich – gehecht aan de akte instellen hoger beroep – een ‘Grievenformulier Hoger beroep’ van 21 december 2012. Dit formulier houdt – voor zover hier van belang – het volgende in:
“Dit betreft een standaardformulier waarop u grieven tegen het vonnis en/of redenen voor het instellen van hoger beroep kunt weergeven (art. 410 lid 1 en lid 4 Wetboek van Strafvordering).
Naam verdachte [verdachte].
(…)
Parketnummer 09-056693-12
(…)
Om één of meer van de volgende redenen kom ik in hoger beroep
(…)
[x] Ik ben niet bij de zitting aanwezig geweest
(…)
[x] Ik ben onschuldig
(…)”
6. Het oordeel van het hof dat geen schriftuur met grieven tegen het vonnis is ingediend, is dan ook niet begrijpelijk, zodat het middel terecht is voorgesteld.
7. Daarbij ga ik ervan uit, nu het hof daarover met geen woord rept, dat het hof niet heeft geoordeeld dat er geen schriftuur houdende middelen is ingediend, nu deze – gelet op de daarop geplaatste handtekening – kennelijk is ingediend door mr. C.P. Zwaanswijk, zonder dat blijkt dat hij daartoe bepaaldelijk was gevolmachtigd (hetgeen op grond van art. 452, eerste lid, in verbinding met art. 450, eerste lid aanhef en onder a, Sv wel is vereist). Maar ook indien het hof wel van deze redenering is uitgegaan slaagt het middel, nu het formulier wordt gebezigd en ter ondertekening wordt aangeboden door een justitiële autoriteit, zodat de ondertekenaar – ook wanneer deze een advocaat is – erop mag vertrouwen dat het geen later fataal blijkende fouten of leemten bevat en dat door ondertekening en inlevering ook het in art. 410, vierde lid, Sv beoogde doel wordt bereikt.
8. Ook ga ik er vanuit dat het hof niet heeft geoordeeld dat er geen schriftuur houdende grieven is ingediend, omdat er, los van de enkele mededeling dat de reden voor het instellen van het hoger beroep is gelegen in het feit dat de verdachte niet bij de behandeling van zijn zaak aanwezig was en verklaart onschuldig te zijn, dit niet nader is toegelicht. Ook hier geldt weer dat als het hof daar wel van is uitgegaan, het middel nog steeds terecht is voorgesteld, nu aan de formulering van de grieven geen hoge eisen worden gesteld.
9. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het hof teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG