GBA:
Door mij, verbalisant, werd een onderzoek ingesteld in het geautomatiseerde bestand van de GBA van de gemeente Amersfoort.
Hierbij zag ik, verbalisant, dat:
Woon/leefsituatie:
Huidige bewoning: [betrokkene 1] woont sinds 8 juni 1999 aan de [a-straat] [001] te Amersfoort.
Suwi-net:
Bij raadpleging van het Suwi-net zag ik, verbalisant, dat [verdachte] in de periode van 1 februari 2010 tot en met 6 februari 2011 een uitkering in het kader van de Werkloosheidswet (WW) heeft ontvangen. Met ingang van 7 februari 2011 tot en met 7 augustus 2011 is hij werkzaam bij [A] in Barneveld.
Onderzoek in de woning:
Op 28 september 2011 heb ik, verbalisant, in de woning van verdachte (het hof begrijpt: [betrokkene 1]) aan de [a-straat] [001] te Amersfoort een onderzoek ingesteld naar het waterverbruik en de meterstand genoteerd. Deze was op 28 september 201 1 :
Water: 103m3 sinds 5 juli 2007
Het jaarverbruik van een eenpersoon huishouden bedraagt ongeveer 50m3.
6. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verdachte verhoor, opgemaakt op 14 september 2011 en getekend door [verbalisant 1], sociaal rechercheur van de Sociale Recherche Amersfoort (als bijlage op pagina 17-18 van de omslag), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven – als verklaring van [betrokkene 1]:
Dat ik een bijstandsuitkering van de sociale dienst Amersfoort ontvang vanaf 31 mei 2010 tot heden kan kloppen. [verdachte] werkt sinds 7 februari 2011 bij [B] in Barneveld. Zijn contract is per 7 augustus 2011 beëindigd. Hij heeft daarna vier weken thuisgelopen. Ik heb een sleutel van de woning van [verdachte]. [verdachte] heeft geen sleutel van mijn woning. Boodschappen doen we samen met zijn auto. We gaan dan met zijn auto naar de Boni in Leusden. We doen dan in een keer op zaterdag alle boodschappen. Ik doe de boodschappen voor doordeweeks. Die betaal ik zelf.
7. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verdachte verhoor, opgemaakt op 27 oktober 2011 en getekend door [verbalisant 1], sociaal rechercheur van de Sociale Recherche Amersfoort (als bijlage op pagina 106-109 van de omslag), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven – als verklaring van [betrokkene 1]:
Ik ben regelmatig op de [b-straat] [002] te Amersfoort om dingen voor [verdachte] te regelen.
8. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verdachte verhoor, opgemaakt op 27 oktober 2011 en getekend door [verbalisant 1], sociaal rechercheur van de Sociale Recherche Amersfoort (als bijlage op pagina 111-115 van de omslag), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven – als verklaring van verdachte:
Ik ben werkloos geworden op 1 februari 2010. In de maand februari 2011 vond ik weer een baan. Ik huur de woning aan de [b-straat] [002] in Amersfoort. Ik woon daar inmiddels tussen de vijf en tien jaar. Ik weet dat [betrokkene 1] een uitkering ontvangt van de sociale dienst van Amersfoort. We hebben ongeveer een jaar of 10-12 een soort knipperlichtrelatie gehad. Vanaf halverwege 2010 begint het weer op een relatie te lijken. [betrokkene 1] heeft vanaf zo'n beetje juli 2010 sleutels van mijn woning.”
13. Het hof heeft daar nog de volgende bewijsoverweging aan gewijd:
“Uit de bewijsmiddelen volgt naar het oordeel van het hof dat verdachte, die een WW-uitkering
genoot van begin februari 2010 tot en met begin februari 2011 en daarna inkomsten uit werk ontving, een gezamenlijke huishouding met [betrokkene 1] heeft gevoerd in de tenlastegelegde periode. [betrokkene 1] deed samen met verdachte de boodschappen en zij betaalde de boodschappen voor doordeweeks. Verdachte wist dat [betrokkene 1] een uitkering genoot en moet hebben geweten dat er gevolgen voor de hoogte van die uitkering zouden zijn indien de uitkeringsinstantie op de hoogte zou zijn geweest van de gezamenlijk gevoerde huishouding.”
14. Het hof heeft uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat verdachte samenwoonde met [betrokkene 1] en dat zij voorzieningen deelden in hun huishouding, dat [betrokkene 1] een uitkering ontving en dat verdachte daarvan op de hoogte was. Verder heeft het hof uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat [betrokkene 1] heeft nagelaten aan de uitkeringsinstantie te melden dat zij samenwoonde met verdachte. De bewijsmiddelen houden echter niets in waaruit blijkt dat verdachte wist dat [betrokkene 1] niet had voldaan aan de inlichtingenverplichtingen uit hoofde van de Wet werk en bijstand, dat zij in dat verband onjuiste gegevens had verstrekt en op grond van die gegevens een uitkering had genoten die kan worden aangemerkt als door misdrijf verkregen. De omstandigheid dat verdachte wist dat [betrokkene 1] een uitkering genoot en op grond daarvan ‘moet hebben geweten’ dat het voeren van een gezamenlijke huishouding hiervoor gevolgen zou hebben is niet voldoende voor het aannemen van de aanmerkelijke kans dat er sprake was van bijstandsfraude.
15. Het middel is terecht voorgesteld.
15. Het derde middel, waarin wordt geklaagd dat het hof niet, althans onvoldoende, heeft gerespondeerd op de door de verdediging uitdrukkelijk onderbouwde standpunten dat de verdachte niet wist dat [betrokkene 1] onjuiste gegevens had verstrekt aan de uitkeringsinstantie en dat de verdachte de facto geen financieel voordeel heeft gehad bij het samenleven met [betrokkene 1], behoeft - gelet op het slagen van het (hiermee samenhangende) tweede middel - geen bespreking.
15. Het eerste middel faalt. Het tweede middel slaagt en het derde middel behoeft geen bespreking. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het hof, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden