2. Bespreking van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel, dat uit drie onderdelen bestaat, is gericht tegen de rechtsoverwegingen 3.4 en 3.5, waarin het hof als volgt heeft geoordeeld:
“3.4 Anders dan appellant heeft bepleit, kunnen deze omstandigheden geen uitzondering op strikte handhaving van de beroepstermijn rechtvaardigen. Door de Hoge Raad is slechts eenmaal een dergelijke uitzondering wegens een apparaatsfout aanvaard (zie het hiervoor genoemde arrest van 28 november 2003) maar die uitspraak had betrekking op een verzoekschriftprocedure waarin de appellant door een fout van (de griffie van) het gerecht niet tijdig wist en redelijkerwijs ook niet kon weten dat de rechter een beschikking had gegeven en de beschikking hem als gevolg van een niet aan hem toe te rekenen fout of verzuim pas na afloop van de rechtsmiddelentermijn was toegezonden of verstrekt. Daarbij heeft de Hoge Raad in aanmerking genomen dat in een verzoekschriftprocedure, door het ontbreken van een rol, voor een procespartij dan wel haar advocaat niet eenvoudig is na te gaan wanneer een uitspraak volgt, indien de rechter niet heeft medegedeeld op welke datum die uitspraak wordt gedaan, en dat het daarnaast door het ontbreken van een uitspraak ter rolle ook niet mogelijk is eenvoudig te achterhalen dát uitspraak is gedaan.
In dit geval is evenwel sprake van een dagvaardingsprocedure, waarbij het vonnis ter rolle is uitgesproken. Anders dan in een verzoekschriftprocedure had appellant, die werd bijgestaan door een professionele rechtsbijstandverlener, ter rolle kunnen zien dat uitspraak werd gedaan. Dat aan DAS op 5 november 2013 was bericht dat op 8 januari 2014 vonnis zou worden gewezen, maakt dat niet anders. Het had DAS, als professionele rechtsbijstandverlener, bekend moeten zijn dat het regelmatig voorkomt dat op een andere dan de aangezegde datum vonnis wordt gewezen en DAS had daarmee dan ook rekening moeten houden en dit, juist ook gelet op de relatief korte appeltermijn in pachtzaken, behoren te bewaken. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om voornoemde in een verzoekschriftprocedure aanvaarde uitzonderingsmogelijkheid zich ook te laten uitstrekken tot een geval als het onderhavige.”
Onderdeel 1 klaagt dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting indien het heeft bedoeld te oordelen dat alleen in verzoekschriftprocedures – en dus niet in een dagvaardingsprocedure – een apparaatsfout een uitzondering kan rechtvaardigen op de regel dat aan beroepstermijnen strikt de hand moet worden gehouden. Indien het hof heeft bedoeld te overwegen en te beslissen dat ook in een dagvaardingsprocedure een apparaatsfout onder bepaalde omstandigheden een uitzondering op de overschrijding van de beroepstermijn kan rechtvaardigen, klaagt onderdeel 2 dat het hof in dat geval ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, deze uitzonderingsmogelijkheid alleen heeft getoetst aan de voorwaarden door de Hoge Raad geformuleerd voor de verzoekschriftprocedure. Volgens onderdeel 3 is het hof bij zijn oordeel dat de omstandigheden van dit concrete geval geen uitzondering rechtvaardigen op de regel dat aan beroepstermijnen strikt de hand moet worden gehouden, (deels) van onjuiste feiten uitgegaan waardoor dit oordeel onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd.
In de toelichting op de eerste twee onderdelen wordt onder meer een beroep gedaan op de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) inzake de verenigbaarheid van beperkingen aan de toegang tot de appelprocedure met het recht op toegang tot de rechter in art. 6 EVRM, op de rechtsstelsels in de ons omringende landen, waarin net als in Nederland het uitgangspunt is dat appeltermijnen van openbare orde zijn en ambtshalve door de rechter moeten worden bewaakt, maar die een verdergaande soepelheid op het aanvaarden van een uitzondering daarop kennen dan in de beschikking van de Hoge Raad van 28 november 2003 besloten ligt, en voorts op de bestuursrechtspraak en de strafrechtspraak.
Ik behandel de onderdelen gezamenlijk.
Na het bestreden arrest en het uitbrengen van de cassatiedagvaarding heeft de Hoge Raad een aantal arresten gewezen over verschoonbare termijnoverschrijding in dagvaardingszaken. Gelet op deze en eerdere rechtspraak gelden de volgende uitgangspunten en regels in zowel dagvaardings- als in verzoekschriftprocedures:
(i) Rechtsmiddeltermijnen zijn van openbare orde en moeten door de rechter ambtshalve worden toegepast. In het belang van een goede rechtspleging moet duidelijkheid bestaan omtrent het tijdstip waarop een termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel aanvangt. Aan rechtsmiddeltermijnen dient dan ook strikt de hand te worden gehouden.
(ii) Op laatstgenoemd uitgangspunt kan slechts onder bijzondere omstandigheden een uitzondering worden gemaakt, zoals in het geval van zogenoemde apparaatsfouten.
(iii) Een termijnoverschrijding is verschoonbaar indien degene die beroep instelt, ten gevolge van een door (de griffie van) de rechtbank of het hof begane fout of verzuim niet tijdig wist en redelijkerwijs ook niet kon weten dat de rechter uitspraak heeft gedaan en de uitspraak hem als gevolg van een niet aan hem toe te rekenen fout of verzuim pas na afloop van de termijn voor het instellen van hoger beroep of cassatie is toegezonden of verstrekt.
(iv) Niet verschoonbaar is een termijnoverschrijding indien tijdens de mondelinge behandeling waarbij partijen, voorzien van rechtsbijstand, aanwezig waren, door de voorzitter is medegedeeld dat op een bepaalde datum uitspraak zal worden gedaan, en dit ook daadwerkelijk gebeurt.
(v) De (proces)advocaat moet op grond van zijn deskundigheid en kennis zonder meer geacht worden op de hoogte te zijn van de in de desbetreffende procedure geldende termijnen en van de verstrekkende gevolgen die verbonden zijn aan overschrijding daarvan.
(vi) Er kan evenwel sprake zijn van een bijzondere situatie, waarin een uitzondering gerechtvaardigd is op de gevolgen die zijn verbonden aan overschrijding van een processuele termijn.
In de onderhavige zaak heeft [eiser] in zijn onder 1.8 genoemde akte het volgende gesteld:
- Omdat het wijzen van het vonnis uitbleef en de rechtbank gewoonte had om geen rolberichten meer te sturen, heeft de gemachtigde van [eiser] contact opgenomen met de griffie van de rechtbank Roermond en geïnformeerd naar de stand van zaken. De griffier heeft haar vervolgens medegedeeld dat het vonnis op 30 oktober 2013 gewezen zou worden.
- Op 10 oktober 2013 ontving de gemachtigde van [eiser] een brief van de rechtbank gedateerd 8 oktober 2013. Hierin werd haar medegedeeld dat de zaak ter rolle was doorgehaald.
- De gemachtigde van [eiser] heeft de rechtbank, onder verwijzing naar het telefoongesprek met de griffier een week eerder, bij brief van 11 oktober 2013 verzocht om de zaak weer op de rol te plaatsten en vonnis te wijzen.
- Bij brief van 5 november 2013 heeft de griffier van de rechtbank de gemachtigde van [eiser] bericht dat de zaak ter zitting van 8 januari 2014 voor vonnis stond.
- Op 9 januari 2014 heeft de gemachtigde van [eiser] bij de griffie van de rechtbank geïnformeerd of er vonnis was gewezen op 8 januari 2014. Hierop werd haar door de griffier medegedeeld dat het vonnis al op 4 december 2013 (bij vervroeging) was gewezen. De griffier heeft vervolgens een kopie van het vonnis per fax verzonden aan de gemachtigde.
- De gemachtigde van [eiser] heeft op 10 januari 2014 de griffie van de rechtbank telefonisch bericht dat zij het vonnis van 4 december 2013 nimmer heeft ontvangen en verzocht om een bewijs waaruit blijkt dat het vonnis naar haar is verstuurd. De griffier heeft vervolgens per ommegaande haar de (ongedateerde) begeleidende brief bij het vonnis van 4 december 2013 per fax doen toekomen.
- Op 14 januari 2014 heeft de gemachtigde van [eiser] een grosse van het vonnis van 4 december 2013 ontvangen.
[eiser] heeft dus onder meer gemotiveerd gesteld dat hij niet eerder dan op 9 januari 2014 kennis heeft genomen van het 4 december 2013 gewezen vonnis.
In hun antwoordakte hebben [verweerders] aangevoerd dat hun gemachtigde het vonnis op 5 december 2013 per post heeft ontvangen, dat hen uit navraag bij de griffie van de rechtbank Roermond is gebleken dat er op 2 december 2013 begeleidende brieven zijn aangemaakt naar beide partijen en dat het gebruikelijk is dat deze brief tezamen met het vonnis op de dag van de uitspraak aan beide partijen wordt toegezonden. Zij hebben voorts gesteld dat hun gemachtigde op de rol van 6 december 2013 heeft geconstateerd dat er vonnis is gewezen op 4 december 2013.
In appel hebben partijen derhalve gedebatteerd over de vraag of de rechtbank het vonnis van 4 december 2013 daadwerkelijk op of omstreeks 4 december 2013 aan de gemachtigde van [eiser] heeft verstuurd.
Het hof heeft een en ander niet nader onderzocht, maar in rechtsoverweging 3.5 geoordeeld dat de onderhavige procedure een dagvaardingsprocedure is en dat de professionele rechtshulpverlener van [eiser] (een juriste in dienst bij DAS Rechtsbijstand) daarom ter rolle had kunnen zien dat op 4 december 2013 vonnis was gewezen. Dat aan deze professionele rechtshulpverlener op 5 november 2013 was bericht dat op 8 januari 2014 vonnis zou worden gewezen, doet daaraan volgens het hof niet af.
Eerstgenoemd oordeel wordt bestreden in onderdeel 3, waarin tot uitgangspunt wordt genomen dat het elektronische roljournaal uitsluitend toegankelijk is voor advocaten die zijn ingeschreven bij de Nederlandse Orde van Advocaten en dat nu de gemachtigde van [eiser] geen advocaat is, zij daarom geen toegang heeft gehad tot het elektronische roljournaal en aangewezen is geweest op schriftelijke correspondentie met de griffie van de pachtkamer.
Uit ambtshalve onderzoek bij de griffie van de rechtbank Roermond is gebleken dat (ook) in pachtzaken niet-advocaten geen toegang hebben tot het elektronische berichtenverkeer via het roljournaal en dat zij zijn aangewezen op schriftelijk correspondentie met de griffie van de rechtbank. Op deze regel wordt ook geen uitzondering gemaakt voor grote rechtsbijstandsverzekeraars zoals DAS Rechtsbijstand.
Naar aanleiding van de stelling van [eiser] dat hij het vonnis pas op 9 januari 2014 heeft ontvangen en het standpunt van [verweerders] dat op of omstreeks 4 december 2013 een afschrift van het vonnis per post is verstuurd naar beide partijen, is op mijn verzoek bij de griffie van de rechtbank Roermond geïnformeerd of uit de administratie kan worden achterhaald of en wanneer het vonnis per post is verstuurd naar partijen. Daarnaast is een afschrift van de rolkaart opgevraagd. Ik heb het antwoord op deze vragen nog niet ontvangen.
Wat daar verder van zij, uit de bestreden rechtsoverwegingen van het hof valt geenszins op te maken of het hof zich rekenschap heeft gegeven van het feit dat de gemachtigde van [eiser] geen recht heeft op toegang tot het elektronische berichtenverkeer via het roljournaal met de griffie van de rechtbank Roermond.
Het hof heeft voorts niet onderzocht of vastgesteld of in dit concrete geval de gemachtigde van [eiser] bij wijze van uitzondering recht had op toegang tot het roljournaal of anderszins rolberichten ontving.
Daarnaast heeft het hof niet vastgesteld of, in het geval de gemachtigde van [eiser] geen toegang had tot het roljournaal, van haar gevergd mocht worden dat zij na elke roldatum sinds de brief van 5 november 2013 bij de griffie had dienen te informeren of de uitspraak bij vervroeging was uitgesproken.
Het hof heeft ook niet vastgesteld of een afschrift van het vonnis op of omstreeks 4 december 2014 per post is verstuurd naar [eiser] en in het verlengde daarvan tot slot niet onderzocht of de uitspraak van de rechtbank als gevolg van een niet aan [eiser] toe te rekenen fout of verzuim pas na afloop van de termijn voor het instellen van hoger beroep aan hem is toegezonden of verstrekt.
Het voorgaande brengt mee dat het middel in zoverre slaagt.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 april 2014 en tot verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G