ECLI:NL:PHR:2015:922

ECLI:NL:PHR:2015:922, Parket bij de Hoge Raad, 14-04-2015, 14/00314

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 14-04-2015
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 14/00314
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2015:1654
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854

Samenvatting

Jeugdzaak. 1. Valse aangifte. Art. 188 Sr. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2011:BR2981: Art. 188 Sr heeft betrekking op het geval dat aangifte of klacht is gedaan van een strafbaar feit met de wetenschap dat dit feit in het geheel niet is gepleegd met dien verstande dat voor toepassing van die bepaling voldoende is dat in de aangifte opzettelijk in strijd met de waarheid, feiten worden meegedeeld in zodanige bewoordingen dat degene aan wie de aangifte wordt gedaan, daaruit moet begrijpen dat op zekere tijd en plaats een bepaald strafbaar feit is gepleegd. In zijn overweging dat hetgeen verdachte tijdens het gesprek op 27 oktober 2011 met 2 rechercheurs van de zedenafdeling van de politie heeft verklaard als een uitbreiding, versterking en verzwaring van een eerdere aangifte door de moeder van verdachte werd beschouwd, heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat bedoelde rechercheurs uit de door verdachte op 27oktober 2011 afgelegde nadere verklaring hebben begrepen dat op zekere tijd en op een aangegeven plaats het door verdachte in die verklaring vermelde strafbare feit was gepleegd. Gelet op het voorgaande geeft ’s Hofs oordeel dat sprake is van een aangifte i.d.z.v. art. 188 Sr niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. 2. Bewijsklacht: mist feitelijke grondslag.

Uitspraak

1. Het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 6 november 2013 de verdachte ter zake van “aangifte doen dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is” veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 80 uren (subsidiair 40 dagen jeugddetentie).

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. De middelen keren zich tegen de motivering van de bewezenverklaring. Volgens het eerste middel heeft het hof ten onrechte aangenomen dat er sprake was van een ‘aangifte’ als bedoeld in art. 188 Sr. Het tweede middel klaagt dat de bewezenverklaring niet uit de bewijsmiddelen kan volgen.

4. Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

“zij (op één of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 27 mei 2011 tot en met 27 november 2011 te Doetinchem, in ieder geval in Nederland, aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, immers heeft verdachte in genoemde periode op meerdere tijdstippen, ten overstaan van rechercheurs van de zedenafdeling van de politie Doetinchem, opzettelijk en in strijd met de waarheid verklaringen afgelegd inhoudende dat zij, verdachte, op 16 mei 2011 en/of op 13 september 2011 seksueel zou zijn misbruikt door haar zwemtrainer, [betrokkene 1].”

5. Daarvan is bewezenverklaard dat:

“zij (op één of meer tijdstippen) in de periode van 27 mei 2011 tot en met 27 november 2011 te Doetinchem aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, immers heeft verdachte in genoemde periode op meerdere tijdstippen, ten overstaan van rechercheurs van de zedenafdeling van de politie Doetinchem, opzettelijk en in strijd met de waarheid verklaringen afgelegd inhoudende dat zij, verdachte, op 16 mei 2011 en op 13 september 2011 seksueel zou zijn misbruikt door haar zwemtrainer, [betrokkene 1].”

6. Die bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Het als bijlage bij het stamproces-verbaal van 24 augustus 2011 gevoegde, in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], respectievelijk brigadier (bevoegd zedenrechercheur) en hoofdagent dienstdoende bij Team recherche Achterhoek, regio Noord- en Oost Gelderland, opgemaakte verslag informatief gesprek zeden (dossierpagina 40 e.v.), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Datum gesprek: Op 27 mei 2011.

Gegevens persoon: [voornamen verdachte] (hof: bedoeld zal zijn: [voornamen verdachte]) [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats].

Wat is er globaal gebeurd:

[verdachte] werd meerdere jaren betast door haar zwemcoach op haar badkleding. Op maandag 16 mei heeft hij haar meegenomen naar een kleedhokje in het zwembad en zette haar op een bankje van het kleedhokje. Het kleedhokje werd door hem afgesloten en vroeg hij haar om hem af te trekken. Hij begeleidde haar bij het aftrekken. De zwemcoach is klaargekomen in haar gezicht.

Waar is het gebeurd: Zwembad [A].

Wanneer is het gebeurd: Tussen 1 juni 2008 en 17 mei 2011.

Wie is verdachte: [verdachte].

2. Het als bijlage bij het stamproces-verbaal van 24 augustus 2011 gevoegde, in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], respectievelijk brigadier (bevoegd zedenrechercheur) en hoofdagent dienstdoende bij Team recherche Achterhoek, regio Noord- en Oost Gelderland, opgemaakte proces-verbaal van 7 juni 2011 (dossierpagina 44 e.v.), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

V: maar mijn vraag is, wat moest je volgens hem gaan doen?

A: hem aftrekken

V: hoe vroeg hij dat aan jou?

A: hij zei volgens mij niet veel maar wel van dat hij zelf zijn broek uitdeed en mijn hand op zijn geslachtsdeel ging leggen. Dat deed hij gewoon.

V: wat deed hij nadat hij jouw hand op zijn geslachtsdeel had gelegd?

A: hij maakte de beweging met mijn hand om over zijn geslachtsdeel heen te gaan.

V: en hoe noem je die beweging dan?

A: aftrekken.

A: hij duwde mij op mijn schouder zo van "ga daar maar zitten".

V: als jij zit en hij komt klaar, hoe gaat dat dan?

A: hij kwam klaar in mijn gezicht en toen ben ik eigenlijk naar de wc gegaan en heb ik wc papier gepakt.

3. Het als bijlage bij het stamproces-verbaal van 24 augustus 201 1 gevoegde, in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], respectievelijk brigadier (bevoegd zedenrechercheur) en hoofdagent dienstdoende bij Team recherche Achterhoek, regio Noord- en Oost Gelderland, opgemaakte proces-verbaal van aangifte van 9 juni 2011 (dossierpagina 30 e.v.), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 2], zakelijk weergegeven:

[betrokkene 2] deed aangifte ter zake ontucht met een minderjarige en aanranding betreffende haar minderjarige dochter [verdachte].

V: hoe is het bekend geworden dat er tussen [verdachte] en [betrokkene 1] (het hof begrijpt: [betrokkene 1]) een seksueel incident is voorgevallen?

A: Door de school. Zij hebben ons ingelicht dat er iets gebeurd zou zijn.

A: Ik heb [verdachte] gevraagd wat er is gebeurd, hoe lang? Daar hebben wij tot op heden geen antwoord op.

Ik heb haar ook donderdagavond nog gevraagd wat er gebeurd is en of het klopt en of het echt zo is. En toen begon ze echt te huilen. Toen wist ik genoeg.

4. Het als bijlage bij het stamproces-verbaal van 24 oktober 2012 gevoegde, in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], respectievelijk brigadier (bevoegd zedenrechercheur) en hoofdagent dienstdoende bij Team recherche Achterhoek, regio Noord- en Oost Gelderland, opgemaakte verslag informatief gesprek zeden van 27 oktober 2011 (dossierpagina 11 e.v.), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten, zakelijk weergegeven:

[verdachte] zei letterlijk dat er veel meer is gebeurd dan die ene handeling op 16 mei 2011. Ze vertelde dat er in het zwemhokje eerst onschuldige aanrakingen waren, bij haar schouders en daarna gingen zijn handen naar beneden. Hij liet zijn broek zakken tot op zijn enkels en ging hij dwingen haar dingen te doen. [verdachte] bedoelde aftrekken. Hij ging haar hand pakken die hij om zijn penis deed. Hij doet vervolgens haar broek uit. [verdachte] had haar broek op haar enkel, waarbij een been uit de broekspijp was van haar broek en onderbroek. [betrokkene 1] stopte zijn penis in haar vagina, dat lukte.

Op 13 september 2011 lag [verdachte] thuis op de bank. De keukendeur ging open. [verdachte] stond op en ziet dat [betrokkene 1] naar de deur tussen de keuken en de kamer loopt.

Hij zegt: "Als je het ooit nog tegen iemand vertelt, doe ik je familie wat aan". Toen is het nog een keer gebeurd en hebben ze opnieuw seks gehad.

5. Het als bijlage bij het stamproces-verbaal van 24 oktober 2012 gevoegde, in de wettelijke vorm door [verbalisant 2], hoofdagent dienstdoende bij Team recherche Achterhoek, regio Noord- en Oost Gelderland, opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 24 oktober 2012 (dossierpagina 100 e.v.), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op maandag 14 mei 2012 werd in het politiebureau te Apeldoorn als verdachte gehoord:

[verdachte], geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats].

Verdachte werd op 7 juni 2011 reeds gehoord als getuige ter zake aanranding, waarbij zij onder meer verklaarde dat zij op 16 mei 2011 haar zwemtrainer [betrokkene 1] heeft moeten aftrekken in een kleedhokje van zwembad [A]. Haar moeder, [betrokkene 2], deed terzake aangifte van aanranding namens haar dochter.

A: Nou ja nu kan ik wel vertellen van dat in het badhokje, van dat aftrekken dat is echt gebeurd.

V: Zeg nou eens eerlijk, heb ik gelijk als ik zeg dat het niet gebeurd is in de woning?

A: Nee hij is alleen bij ons thuis geweest.

V: Kun jij mij uitleggen waarom jij dat toen wel gezegd hebt ? Dat er dat was gebeurd, waarom heb jij dat toen gezegd? Probeer dat eens uit te leggen.

A: omdat ik wilde gewoon dat jullie mij zouden geloven.

V: Kijk je had al gezegd van dat aftrekken he, dat werd neuken. Oke, dat heb je nu gezegd dat heb ik verzonnen. Maar daarna vertelde je nog een keer van dat, dat hij nog een keer bij jou in de woning kwam. Dus mijn vraag was, waarom heb je dat toen verzonnen?

A: Ja, misschien wel om hem de straf te geven die hij verdient.

6. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 16 april 2013, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik blijf er bij dat ik [betrokkene 1] op 16 mei 2011 in het badhokje heb moeten aftrekken. Dat heb ik niet vals verklaard. Ik heb later gezegd dat ik daar ook andere seksuele handelingen met hem heb moeten plegen, maar dat is niet waar. Ik heb dat gezegd omdat de politie tegen mij zei dat zij zijn zaak zouden seponeren. Ik wilde dat niet.

7. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het hof van 23 oktober 2013, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik heb in mei 2011 een verklaring bij de politie afgelegd en in juni 2011 nog een verklaring over wat er is voorgevallen op 16 mei 2011.

Op 27 oktober 2011 ben ik weer bij de politie geweest. Toen heb ik nog meer verklaard, niet alleen over 16 mei 2011, maar ook over wat op 13 september 2011 is gebeurd.

Op 14 mei 2012 ben ik als verdachte gehoord. Het seksueel binnendringen op 16 mei en op 13 september 2011 en dergelijke is niet gebeurd. U houdt mij mijn verklaring en de vragen voor. Ik had [betrokkene 1] achteraf liever niet afgetrokken. Het was niet vrijwillig. Hij heeft mij gedwongen. Zo kwam het op mij over. Daarom deed ik aangifte. Omdat ik had gehoord dat de politie de zaak zou seponeren, heb ik de dingen later aangedikt.”

7. Het bestreden arrest houdt onder het hoofd “overweging met betrekking tot het bewijs” het volgende in:

“Verdachte is door de rechtbank Gelderland te Zutphen vrijgesproken van het doen van valse aangifte. Deze vrijspraak was enerzijds gebaseerd op het feit dat volgens de rechtbank niet kon worden vastgesteld dat een deel van de feiten wel had plaatsgevonden en de aangifte in zoverre dus niet 'vals' zou zijn. Anderzijds oordeelde de rechtbank dat de nadere informatie die verdachte in strijd met de waarheid heeft gegeven (namelijk dat sprake was van penetratie op 16 mei 2011 en op 13 september 2011) niet als een aangifte in de zin van artikel 188 van het Wetboek van Strafrecht kon worden aangemerkt.

De officier van justitie heeft in de appelschriftuur aangegeven dat wel degelijk sprake was van een valse aangifte.

Het hof overweegt als volgt.

Verdachte heeft op 27 mei 2011 een zogenaamd 'informatief gesprek zeden' gevoerd bij de politie. Zij heeft toen aangegeven dat zij [betrokkene 1], al enkele jaren haar zwemcoach, in een kleedhokje van het zwembad heeft moeten aftrekken. Op 7 juni 2011 heeft verdachte, destijds 17 jaar, een getuigenverklaring afgelegd. Op 9 juni 2011 heeft de moeder van verdachte aangifte van aanranding van en ontucht met haar dochter gedaan tegen [betrokkene 1].

Op 27 oktober 2011 heeft er wederom een gesprek plaatsgevonden met verdachte bij de politie. Verdachte heeft toen verteld dat zij op 16 mei 2011 én op 13 september 2011 seks heeft gehad met [betrokkene 1], waarbij hij met zijn penis in haar vagina is gedrongen. Naar aanleiding van dit verhaal heeft de politie onderzoek gedaan in de woning van verdachte, met het doel om DNA-materiaal veilig te stellen. Dat is niet gelukt.

Verdachte heeft op 24 mei 2012 verklaard dat zij op 27 oktober 2011 bij de politie onwaarheden heeft verteld, omdat zij had gehoord dat de zaak tegen [betrokkene 1] zou worden geseponeerd. Daarom had zij haar eerdere verhaal aangedikt en had zij feiten genoemd die helemaal niet zijn voorgevallen. Verdachte heeft dit ook ter zitting van het hof erkend.

Het hof is van oordeel dat hetgeen verdachte op 27 oktober 2011 bij de politie heeft verteld een uitbreiding, versterking en verzwaring betrof van de eerdere door haar moeder op 9 juni 2011 gedane aangifte. Het hof ziet deze nadere verklaring van verdachte dan ook in samenhang met de aangifte die al in juni 2011 was gedaan. Naar het oordeel van het hof is er daarom wel sprake van een valse aangifte in de zin van artikel 188 van het Wetboek van Strafrecht.”

8. Het middel stelt de vraag aan de orde of de mededelingen die de verdachte in het kader van een ‘informatief gesprek zeden’ heeft gedaan kunnen worden aangemerkt als een valse ‘aangifte’ in de zin van art. 188 Sr.

9. Volgens vaste jurisprudentie is voor toepassing van art. 188 Sr voldoende dat in de aangifte opzettelijk in strijd met de waarheid, feiten worden meegedeeld in zodanige bewoordingen dat degene aan wie de aangifte wordt gedaan, daaruit moet begrijpen dat op zekere tijd en plaats een bepaald strafbaar feit is gepleegd. Aan de aangifte dienen geen hoge formele eisen te worden gesteld. Niet nodig is dat de aangifte alle bestanddelen van een strafbaar feit inhoudt. Evenmin is vereist dat de aangifte op schrift is gesteld, voorgelezen en door de aangever of diens gemachtigde is ondertekend. Zo werd de per telefoon aan een politieambtenaar gedane onware melding dat de verdachte door een groepje Marokkanen met de dood was bedreigd als aangifte in de zin van art. 188 Sr aangemerkt, ondanks dat de verdachte – naar eigen zeggen – de politie slechts om advies wilde vragen. Door bij de toepassing van art. 188 Sr minder nadruk te leggen op naleving van de voorschriften waarmee het doen van aangifte is omkleed (art. 163 Sv), geeft de Hoge Raad in zijn rechtspraak over het onderhavige delict een materiële invulling aan het begrip ‘aangifte’. Beslissend is of de valse mededeling aanleiding kan geven tot nader opsporingsonderzoek of strafvervolging. Het doen van een valse aangifte als bedoeld in art. 188 Sr wordt in de memorie van toelichting gekwalificeerd als een vorm van belemmering van de justitie en is als zodanig ondergebracht in titel VII “misdrijven tegen het openbaar gezag” van het Wetboek van Strafrecht.

10. In de onderhavige zaak heeft het hof geoordeeld dat de mededelingen die de verdachte op 27 oktober 2011 bij de politie in het kader van een ‘informatief gesprek zeden’ heeft gedaan met betrekking tot het seksueel binnendringen op 16 mei 2011 en 13 september 2011 een valse aangifte in de zin van art. 188 Sr oplevert, op de grond dat deze verklaring in samenhang moet worden gezien met de eerder door haar moeder gedane aangifte. Het gaat mij echter te ver om hetgeen de moeder van de verdachte in haar aangifte heeft laten optekenen via de door het hof gekozen constructie (min of meer) aan de verdachte zelf toe te schrijven.

11. Tot cassatie behoeft het voorgaande evenwel niet te leiden, nu de bij de politie afgelegde verklaring van de verdachte zelfstandig als aangifte in de zin van art. 188 Sr kan worden aangemerkt. Uit de door de verdachte gedane mededelingen hebben de betrokken politieambtenaren immers moeten begrijpen dat op zekere tijden en op aangegeven plaatsen bepaalde strafbare feiten zijn gepleegd. Voor zover de steller van het middel in dit verband een beroep heeft gedaan op de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik – waarin nadrukkelijk onderscheid wordt gemaakt tussen het informatieve gesprek (fase 1) en de aangifte (fase 2) – wordt miskend dat die Aanwijzing tevens inhoudt dat in het informatieve gesprek aan de betrokkene of diens wettelijke vertegenwoordiger duidelijk wordt gemaakt dat het informatieve gesprek het startsein kan zijn voor opsporing en vervolging, ook wanneer de betrokkene aangeeft geen aangifte te willen doen. Dat i.c. de zaak is blijven steken in fase 1 moge zo zijn. Aan verdachtes wens tot vervolging behoefde, gelet op de inhoud van het informatieve gesprek en verdachtes verklaring ter terechtzitting in hoger beroep (bewijsmiddel 7), geenszins te worden getwijfeld.

12. Het middel faalt.

13. Voor zover het tweede middel beoogt te klagen dat de tenlastelegging (en als gevolg daarvan ook de bewezenverklaring) te ruim en niet specifiek is geformuleerd, stuit het erop af dat hierover niet voor het eerst met vrucht in cassatie kan worden geklaagd.

14. Voor zover het middel de klacht bevat dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte valse aangifte heeft gedaan van het seksueel misbruik m.b.t. het aftrekken op 16 mei 2011, berust het op een onjuiste lezing van ’s hofs arrest. In zijn nadere bewijsmotivering, zoals hiervoor onder 7 is weergegeven, heeft het hof genoegzaam tot uitdrukking gebracht dat de in de bewezenverklaring bedoelde valse aangifte betrekking had op de verklaring van de verdachte over het seksueel binnendringen van de verdachte op 16 mei 2011 en 13 september 2011. Anders dan de steller van het middel wil, is van een onjuiste (misleidende) voorstelling van zaken geen sprake.

15. Het middel faalt.

16. De middel falen. Het tweede middel kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

17. Ambtshalve merk ik het volgende op. De verdachte, op wie het strafrecht voor jeugdigen is toegepast, heeft op 15 november 2013 cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat sedertdien meer dan zestien maanden zijn verstreken. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is overschreden. Gelet op de opgelegde straf, kan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden worden volstaan. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoren te leiden.

18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

Vgl. HR 13 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2981, NJ 2012/10 en de in dat arrest genoemde rechtspraak. Vgl. HR 13 februari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC2913, NJ 1990/483. Vgl. HR 13 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2981, NJ 2012/10. Vgl. H.J. Smidt en J.W. Smidt, De geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, deel 2, p. 188. Zie voorts Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht (losbl.), aant. 4 bij art. 188, bijgewerkt tot 1 oktober 2012. Dit in tegenstelling tot art. 268 Sr waarin het doen van een valse klacht of aangifte tegen een bepaald persoon strafbaar is gesteld en de eer en goede naam van die persoon het (primair) beschermd belang is. Deze bepaling is ondergebracht in Titel XVI (Belediging) van het Wetboek van Strafrecht. Opmerking verdient dat het verslag informatief gesprek zeden zelf ook spreekt van “aangeefster” en “aangifte”. 2 december 2010, Stcrt. 2010, nr. 19123 (2010A026). Uit HR 13 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2981, NJ 2012/10 kan worden afgeleid dat de wens tot vervolging geen eis is voor strafbaarheid onder art. 188 Sr. Zie anders: Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht (losbl.), aant. 6 bij art. 188, bijgewerkt tot 1 oktober 2012.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?