2. Bespreking van de cassatiemiddelen
Het cassatieberoep omvat drie middelen die, verdeeld over 60 paragrafen, zijn gericht tegen de rechtsoverwegingen 4, 5 en 7 tot en met 15 en talloze klachten bevatten.
De cassatieklachten van de middelen 1 en 2 komen, zoals door [eiser] samengevat in zijn schriftelijke toelichting op het volgende neer. De in eerste aanleg door [eiser] gevorderde gewasschade betreft de gewasschade die [eiser] tot 10 oktober 1993 heeft geleden. Daarover is door het arrest van de Hoge Raad van 27 april 2007 definitief beslist. Het desbetreffende vonnis van de rechtbank van 7 september 1995 heeft in zoverre gezag van gewijsde tussen partijen.
Dit gezag van gewijsde strekt zich echter niet uit tot de schade wegens verminderde opbrengst die [eiser] heeft geleden in de periode dat hij de struiken nog niet had gerooid. Die schade is geen “rooischade”, maar betreft andere gewasschade dan waarover de rechtbank in haar vonnis van 7 september 1995 heeft beslist, derhalve gewasschade waarover nog niet is geoordeeld. Die schade valt daarom niet onder het hiervoor genoemde gezag van gewijsde van het vonnis van 7 september 1995. Het andersluidende oordeel van het hof is derhalve onjuist respectievelijk onbegrijpelijk, noch daargelaten dat Horticoop het gezag van gewijsde niet heeft ingeroepen.
In eerste aanleg heeft [eiser] bij akte na comparitie van 11 juni 2008 aangevoerd dat de gewasschade van na 10 oktober 1993 rooischade is. De rechtbank heeft daarover in haar vonnis van 8 juli 2009 in rechtsoverweging 2.2 het volgende overwogen:
“2.2 In geschil is, of, respectievelijk tot welk bedrag, [eiser] schade heeft geleden doordat hij gedwongen is geweest zijn planten eerder te rooien dan hij zou hebben gedaan zonder schadevoorval (dus als Horticoop hem niet onjuist had geadviseerd omtrent de toepassing van Rocket, met de gewasaantasting als gevolg). Deze schade is in de vorige stukken en wordt ook nu aangeduid als de rooischade. [eiser] vordert op dit punt een schadevergoeding van hfl. 532.805,71.
Ten aanzien van de gewasschade is inmiddels in hoogste instantie beslist. Ter comparitie hebben partijen meegedeeld, dat zij die schade zullen regelen en dat daarvoor in dit geding geen beslissingen genomen behoeven te worden.
Voor zover [eiser] heeft bedoeld met de opmerking in zijn akte na comparitie “In feite behoort een deel van die opbrengstderving thans wederom als rooischade te worden gezien daar die destijds niet als opbrengstderving is meegenomen (…) f. 1.189.475,-- het reële bedrag is (…) Ook dit schadebedrag dient derhalve te worden meegenomen.” de discussie op dat punt te heropenen, kan daarop geen acht worden geslagen. Het is in deze procedure in strijd met de goede procesorde om thans opnieuw de gewasschade aan de orde te stellen, ook als dat indirect gebeurt. Nu in 1994 een dagvaarding is uitgebracht waarin wegens gewasschade vergoeding van hfl. 487.138,21 is gevorderd en over de vordering tot aan de Hoge Raad gedurende 14 jaar is geprocedeerd, terwijl in 2008 nog op de comparitie is medegedeeld dat de gewasschade tussen partijen zal worden geregeld, is nu geen ruimte meer voor verder debat op dat punt, ook niet door nu een extra schadepost mee te nemen in de berekening van de rooischade. (…)”
Vervolgens is de rechtbank in rechtsoverweging 2.5 van haar eindvonnis van 30 maart 2011 bij dit oordeel gebleven.
In de thans in cassatie bestreden rechtsoverwegingen 4, 5, 11-14 heeft het hof op dit punt als volgt geoordeeld:
“4. In haar (deel)vonnis d.d. 7 september 1995 heeft de rechtbank – voor die instantie – een eind gemaakt aan de rechtsstrijd met betrekking tot de gewasschade door dienaangaande in het dictum aan [eiser] een bedrag groot ƒ 241.067,11 in hoofdsom toe te wijzen. Tegen die beslissing heeft Horticoop de rechtsmiddelen van hoger beroep en beroep in cassatie aangewend, resulterende in het tussen partijen met betrekking tot de gewasschade gewezen arrest van de Hoge Raad d.d. 27 april 2007. Met betrekking tot de rooischade heeft de rechtbank op 7 september 1995 een interlocutoire uitspraak gedaan, waarop de thans aan de orde zijnde rechtsstrijd voortbouwt.
5. Dientengevolge, mede gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen, vormt de gewasschade geen onderwerp (meer) van de thans nog aanhangige procedure met betrekking tot de rooischade. Waar Horticoop bij herhaling en uitdrukkelijk aansluiting heeft gezocht bij het oordeel van de rechtbank dat met betrekking tot de gewasschade inmiddels in hoogste instantie is beslist zodat het onderwerp van de gewasschade thans niet meer aan de orde kan worden gesteld (zie o.m. punt 7 blz. 10/11 van de memorie van antwoord), overweegt het hof voor zoveel nodig dat zulks heeft te gelden als een op art. 236 Rv gebaseerd beroep op het gezag van het gewijsde van 27 april 2007.
11. Met de grieven II en III tracht [eiser] ingang te doen vinden dat een – tot op heden niet vergoed – gedeelte van de gewasschade als ware het rooischade alsnog voor vergoeding in aanmerking dient te komen, en wel – zoals [eiser] het formuleert – “omdat die destijds niet als opbrengstderving is meegenomen”. Zoals het hof de opstelling van [eiser] begrijpt, staat zijns inziens het eerdere gewijsde met betrekking tot de gewasschade er niet aan in de weg dat hij aanspraak heeft op vergoeding van alle door hem gestelde schade.
12. Nu met betrekking tot de vordering tot betaling van de gewasschade in hoogste instantie is beslist, en tegen die beslissing geen gewone rechtsmiddelen meer open staan, volgt het hof [eiser] niet in diens streven om het onderwerp van de gewasschade thans opnieuw aan de orde te stellen, onder welke benaming dan ook, dan wel om aan het tot op heden door partijen ten processe gehanteerde onderscheid tussen gewasschade en rooischade een andere inhoud te geven, nu zulks zou meebrengen dat (deels) afbreuk zou worden gedaan aan het gezag van gewijsde van het arrest van de Hoge Raad d.d. 27 april 2007.
13. Aan bovengenoemd oordeel ligt mede ten grondslag dat, anders dan [eiser] met punt 30 van de memorie van grieven thans klaarblijkelijk tot uitgangspunt neemt, partijen reeds in een vroeg stadium van de procedure met elkaar overeen stemden dat de gewasschade moest worden begroot op een bedrag gelijk aan twee maal het reeds door Horticoop aan [eiser] vergoede bedrag (zie het deelvonnis d.d. 7 september 1995, r.o. 5.12), en het voorts met elkaar eens waren over de (verdere) afwikkeling van de gewasschade (zie het proces-verbaal van de comparitie d.d. 9 april 2008), welk een en ander op zichzelf al in de weg staat aan een hernieuwd debat over de (omvang van de) gewasschade. In dit verband volgt het hof overigens [eiser] ook niet waar hij ingang tracht te doen vinden dat (ook) de door de rechtbank benoemde deskundige de schade waarvoor [eiser] thans alsnog vergoeding wenst, aanmerkt als rooischade, nu het tegendeel daarvan ligt besloten in diens deskundigenrapportage (zie o.m. de beantwoording van vraag 6, en met name de conclusie van de deskundige op blz. 9 van diens rapportage waar hij herhaalt dat er géén sprake is van rooischade).
14. Voorts wijst het hof er nog op dat het ten processe met betrekking tot de rooischade steeds is gegaan om schade wegens een noodzakelijke vervroegde rooi van de rozengewassen (zie r.o. 3 hierboven), terwijl [eiser] thans spreekt over rooischade als “schade wegens verminderde opbrengsten wegens vertraagde rooi”, die het gevolg is van diens gebrek aan financiële middelen (zie o.m. de memorie van grieven, punt 14). Daargelaten de causaliteitsvragen die het laatstgenoemde oproept, gaat het met betrekking tot de thans bedoelde schade wegens vertraagde rooi, onmiskenbaar om schade wegens opbrengstderving, derhalve om gewasschade waaromtrent al in hoogste resort is beslist.”
Volgens de door de rechtbank benoemde deskundige kan achteraf worden vastgesteld dat [eiser] de gewassen tot het “normale” vervangingstijdstip is blijven exploiteren waarmee de grondslag voor het vaststellen van de rooischade is komen te vervallen. Met betrekking tot het tijdstip van rooien heeft [eiser] in de inleidende dagvaarding van 28 februari 1994 gesteld (onder 8) dat het rooien twee respectievelijk vier jaar eerder dan normaal dient plaats te vinden. In 2007 heeft [eiser] de rechtbank laten weten dat de cultivars Idole en Madelon vijf maanden eerder dan gepland zijn vervangen en de cultivars Vivaldi één jaar eerder dan gepland.
[eiser] heeft evenwel de gewassschade niet gevorderd onder de voorwaarde dat daarbij diende te worden uitgegaan van verminderde opbrengst tot 10 oktober 1993 en ook niet onder de voorwaarde dat deze gewasschade hoger zou zijn indien hij de gewassen tot het “normale” vervangingstijdstip zou blijven exploiteren. [eiser] heeft zelf een onderscheid gemaakt tussen de gewasbeschadiging (bladverdroging en zwartverkleuring) als gevolg van het onjuiste advies en rooischade, waarbij hij rooischade heeft gedefinieerd als schade die wordt veroorzaakt door het feit dat het meerjarig rozengewas eerder moet worden vervangen dan bij een normaal teeltverloop het geval zou zijn geweest.
[eiser] heeft zijn gewasschade vastgesteld op het in eerste aanleg gevorderde bedrag en is vervolgens met Horticoop reeds in een vroeg stadium van de procedure overeengekomen dat de gewasschade moest worden begroot op een bedrag gelijk aan twee maal het reeds door Horticoop aan [eiser] vergoede bedrag.
M.i. heeft het hof dan ook met juistheid geoordeeld dat het gezag van gewijsde van de beslissing over de gewasschade er aan in de weg staat dat alsnog schade, waaraan een andere benaming wordt gegeven maar die in wezen volgens de eigen definitie van [eiser] gewasschade is, kan worden gevorderd. Het oordeel van het hof is daarnaast voldoende duidelijk en begrijpelijk gemotiveerd.
De klacht dat het hof heeft miskend dat een beroep op het gezag van gewijsde door de rechter niet ambtshalve mag worden toegepast maar dient te worden ingeroepen, faalt omdat het hof de stellingen van Horticoop zo heeft opgevat dat zij een beroep heeft gedaan op gezag van gewijsde. De klacht dat het onbegrijpelijk is dan wel niet door het hof inzichtelijk is gemaakt waar Horticoop al dan niet impliciet een beroep zou hebben gedaan op gezag van gewijsde van de beslissing over aansprakelijkheid, faalt eveneens. Bij de beoordeling van deze klacht moet worden vooropgesteld dat de vaststelling van hetgeen een partij heeft gesteld evenals de vaststelling of het gestelde door de wederpartij al dan niet is betwist, berust op een aan de rechter die over de feiten oordeelt voorbehouden uitleg van de stukken van het geding, die in cassatie slechts in beperkte mate voor toetsing vatbaar is. In dit geval heeft het hof in de stukken van Horticoop in hoger beroep een (impliciet) beroep op het gezag van gewijsde gelezen. Dit is niet onbegrijpelijk, nu het hof daarbij in aanmerking heeft genomen dat Horticoop bij herhaling aansluiting heeft gezocht bij het oordeel van de rechtbank dat inmiddels met betrekking tot de gewasschade in hoogste instantie is beslist en daarbij verwijst naar onder meer punt 7 op pagina 10/11 van de memorie van antwoord.
Middel 3 is niet specifiek gericht tegen een rechtsoverweging maar klaagt dat het hof de subsiaire vordering van [eiser] tot verwijzing naar de schadestaat had moeten aanmerken als een wijziging van eis en ten onrechte, althans onvoldoende inzichtelijk gemotiveerd heeft nagelaten hierover een oordeel te geven. Nu deze subsidiaire vordering samenhangt met de stellingen van [eiser] met betrekking tot het extra bedrag aan gewasschade (onderdelen 1 en 2), heeft het hof een beslissing daarover achterwege kunnen laten en is zijn oordeel niet onvoldoende gemotiveerd. Ook middel 3 kan mitsdien niet tot cassatie leiden.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G