ECLI:NL:PHR:2015:994

ECLI:NL:PHR:2015:994, Parket bij de Hoge Raad, 26-06-2015, 14/03954

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 26-06-2015
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 14/03954
Rechtsgebied Civiel recht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2015:2908
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 3 zaken
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0005289

Samenvatting

Art. 81 lid 1 RO. Contractsoverneming merklicentie, akte-vereiste van art. 6:159 BW. Uitleg overeenkomst. Haviltex-maatstaf.

Uitspraak

2. Bespreking van het cassatieberoep

Het middel bestaat uit vier onderdelen die gericht zijn tegen rov. 3.10 en 3.11 van het arrest van het hof.

Onderdeel 1 klaagt “zekerheidshalve” over de zesde volzin van rov. 3.10: “Naar het oordeel van het hof heeft [eiser] uit de akte van 22 december 2000 niet kunnen en ook niet hoeven te begrijpen dat [B] daarbij haar rechtsverhouding met [eiser] aan hem overdroeg.” [cursivering A-G]. Het onderdeel houdt er rekening mee dat de eerste verwijzing naar [eiser] een kennelijke verschrijving is en als [verweerder 1] gelezen moet worden. Mocht dat geen verschrijving zijn, dan is het hof van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan, zo luidt de klacht.

Die is onnodig voorgesteld. Volgens mij blijkt overduidelijk dat sprake is van een kennelijke verschrijving. Het zinsdeel “aan hem” slaat niet op [eiser] (overigens schrijft het hof abusievelijk “ [eiser] ”), omdat hij reeds partij is bij de rechtsbetrekking waar het om gaat. Dat blijkt ook uit de voorlaatste zin van rov. 3.10, waarin het hof spreekt van een “rechtsgeldige overdracht van de licentieovereenkomst door [B] aan [verweerder 1]” [cursivering A-G]. De klacht kan dus niet tot cassatie leiden.

Onderdeel 2 klaagt in twee subonderdelen dat het hof bij de uitleg van de koopovereenkomst ten onrechte de Haviltex-maatstaf niet heeft toegepast, althans onjuist heeft toegepast, danwel zijn oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd. Volgens de klacht mochten [B] en [verweerder 1] in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen in de koopovereenkomst deze zin toekennen, dat [B] de licentieovereenkomst met [eiser] aan [verweerder 1] overdroeg, en mochten partijen dat ook redelijkerwijs van elkaar verwachten. Volgens het onderdeel tast dit ook het oordeel van het hof aan dat de koopovereenkomst van 22 december 2000 niet kan worden aangemerkt als overdrachtsakte van de licentieovereenkomst in de zin van art. 6:159 BW.

Het verwijt dat het hof de Haviltex-maatstaf niet, of maar half, heeft toegepast bij de uitleg van de koopovereenkomst, omdat de “over en weer”-maatstaf zou ontbreken, is niet terecht. In rov. 3.10 heeft het hof onderzocht wat [verweerder 1] uit de koopovereenkomst heeft kunnen en mogen begrijpen, verwijzend naar de omstandigheden van het geval. Anders gezegd: welke zin [verweerder 1] in de gegeven omstandigheden aan de overeenkomst mocht toekennen. Daarin weerklinkt rov. 4 uit het Haviltex-arrest dat het bij de beantwoording van de vraag hoe de verhouding van partijen in een schriftelijk contract is geregeld aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. De kern van het middel is dat de gemeenschappelijke subjectieve partijbedoeling van [B] en [verweerder 1] zou prevaleren, maar het middel geeft niet aan dat de verwachting van [B] afweek van de in het middel niet bestreden verwachting die [verweerder 1] had over de koopovereenkomst van december 2000. Toepassing van de “over-en-weer”-maatstaf ligt in het oordeel van het hof besloten.

Dat kan ook zo nog worden verduidelijkt. Het hof heeft zijn oordeel hierop gegrond, dat de licentieovereenkomst niet in de akte wordt genoemd, deze ook niet als bijlage bij die akte zat gevoegd en er geen lijst van activa is opgemaakt volgens art. 2 lid 2 van de koopovereenkomst, zodat [verweerder 1] niet behoefde te begrijpen dat de licentieovereenkomst aan hem werd overgedragen. Dat lijkt mij zeer begrijpelijk. Volgens het onderdeel is dit onbegrijpelijk omdat [B] en [verweerder 1] juist de bedoeling hadden dat de licentieovereenkomst werd overgedragen, welke gemeenschappelijke partijbedoeling zou moeten prevaleren boven de door het hof genoemde omstandigheden. Op zich is juist dat indien de bedoelingen van partijen met elkaar in overeenstemming zijn, een overeenkomst als door hen bedoeld niet wordt verhinderd doordat partijen bij het aan elkaar kenbaar maken van hun wil dezelfde onjuiste formulering gebruiken. Maar het onderdeel ziet over het hoofd dat het hof niet heeft vastgesteld dat van een dergelijke gemeenschappelijke partijbedoeling sprake is (de betreffende stellingname van [eiser] is daarmee door het hof verworpen). Dat gegeven kan in cassatie dus niet als uitgangspunt gelden. De motiveringsklacht van het onderdeel stuit daarop af. Hetzelfde lot treft de voortbouwende klacht over het oordeel van het hof ten aanzien van art. 6:159 BW. Onderdeel 2 is tevergeefs voorgesteld.

Onderdeel 3 omvat drie subonderdelen.

Onderdeel 3.1 klaagt over rov. 3.11 dat het hof niet in het midden had mogen laten of de licentieovereenkomst tot de overnamestukken behoorde: als dat wel zo was, was dat een relevante omstandigheid voor de Haviltex-toets, waarbij alle omstandigheden in aanmerking moeten worden genomen.

Onderdeel 3.2 vervolgt daarop voortbordurend dat ook onjuist (gemotiveerd) is in rov. 3.11 dat niet van belang zou zijn dat [verweerders] in 2007 na het naar hun zeggen ontdekken van de licentieovereenkomst met boetebeding niet aan de bel hebben getrokken. Ook dat is volgens de klacht een relevante Haviltex-omstandigheid. Bovendien is daar volgens de klacht de essentiële stelling van [eiser] op gebaseerd dat dit niet-protesteren gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt bij [eiser] dat [verweerder 1] (c.s.) gewoon partij waren geworden bij de licentieovereenkomst doordat [verweerder 1] (c.s.) op de oude voet zijn doorgegaan met de licentie zoals voorheen [B] dat deed. De klacht vervolgt dat ook van belang is dat [verweerders] bij hun opzeggingsbrief van 11 juni 2009 de opzegtermijn uit de schriftelijke licentieovereenkomst van zes maanden in acht hebben genomen.

Onderdeel 3.3 keert zich tegen het oordeel van het hof in rov. 3.10 en 3.11 dat het feit dat [verweerders] het gebruik van het merk hebben voortgezet, verklaard kan worden door de stelling van [verweerders] dat [verweerder 1] rond de jaarwisseling van 2000/2001 telefonisch met [eiser] heeft gesproken - hetgeen [eiser] heeft bevestigd - en dat hij uit dat gesprek had begrepen dat hij tegen betaling van een jaarlijkse vergoeding het merk mocht gebruiken. Volgens het subonderdeel is dit oordeel onbegrijpelijk in het licht van zes als essentieel aan te merken door [eiser] naar voren gebrachte (en op p. 11 en 12 van de cassatiedagvaarding opgesomde) stellingen. De stellingen a-f zien er allemaal in wezen op dat [eiser] betwist dat rond de jaarwisseling 2000-2001 tussen hem en [verweerder 1] een mondelinge licentieovereenkomst zou zijn gesloten. Dat kan [verweerder 1] volgens [eiser] niet uit het telefoongesprek eind 2000 hebben begrepen.

Dit onderdeel richt zich tegen een overweging ten overvloede, althans een hooguit voortbouwende overweging. Het hof legt in rov. 3.11 immers uit dat en waarom voor de uitkomst van de zaak niet van belang is wat [verweerders] al of niet hebben gedaan nadat zij (volgens hen in 2007) met de licentieovereenkomst tussen [eiser] en [B] bekend zijn geworden. De afwijzing van [eiser] ’s vorderingen door het hof berust op het – zoals wij hiervoor zagen naar mijn mening tevergeefs door onderdeel 2 bestreden – oordeel dat niet is voldaan aan het akte-vereiste voor een geldige overdracht van de overeenkomst die [eiser] aan zijn vorderingen ten grondslag heeft gelegd. Het onderdeel kan dus bij gebrek aan belang al niet tot cassatie leiden.

Ook inhoudelijk treft het onderdeel geen doel.

Onderdeel 3.1. niet, omdat dit eraan voorbij ziet dat de licentieovereenkomst niet in de koopovereenkomst [B] - [verweerder 1] wordt genoemd, niet was aangehecht en niet voorkomt in de (nooit opgestelde) activalijst. Als deze overeenkomst wel tussen “stukken” zou hebben gezeten, zonder dat daar in het overnamecontract een verband mee wordt gelegd, kan dat niet het door [eiser] bedoelde rechtsgevolg hebben. Overigens geven [verweerders] bij s.t. in voetnoot 2 aan dat de overeenkomst niet bij de overnamestukken zat, maar door [getuige] (van [B] ) in een doos met oude stukken naar [verweerders] is gebracht in 2007, lang na de overname dus. Dat is bij voorlopig getuigenverhoor (prod. 5 inleidende dagvaarding, p-v van 12 december 2011 pp. 7 en 9) door de ene partij verklaard en door de andere niet weersproken, aldus [verweerders] Het niet-protesteren tegen het in 2007 opgedoken stuk acht ik niet concludent, omdat [verweerder 1] kan hebben gedacht dat dit hem niet regardeerde, maar alleen [B] en [eiser] .

Dat wordt niet anders door het inachtnemen van een opzegtermijn van zes maanden, zoals onderdeel 3.2. nog aanvoert en in de s.t. van [verweerders] overtuigend wordt weerlegd in 4.13: Het schriftelijke licentiecontract is aangegaan op 1 juli 1999 (vgl. prod. 1 inleidende dagvaarding, niet op 1 juni 1999, zoals de cassatiedagvaarding op p. 4 onjuist vermeldt), gesloten voor één jaar met stilzwijgende jaarlijkse verlenging, tenzij opgezegd minstens zes maanden voor beëindiging. Zo’n beëindiging volgens het schriftelijke contract moet dus uiterlijk 31 december van een voorafgaand jaar geschieden. De opzegging door [verweerders] op 11 juni 2009 zou, als die volgens het schriftelijke contract zou zijn, of ruim een half jaar te vroeg zijn, of bijna een half jaar te laat. [verweerder 1] heeft in het voorlopig getuigenverhoor verklaard dat hij opzegging van de in zijn visie telefonisch gesloten licentieovereenkomst op termijn van grofweg een half jaar een nette termijn vond, zoals hij vaker hanteerde bij beëindiging van duurcontracten (evengenoemd p-v p. 7).

Onderdeel 3.3. faalt inhoudelijk, omdat het hof al deze stellingen als niet relevant kon passeren. Immers, zelfs als alle stellingen a-f zouden opgaan, kan daarmee alleen komen vast te staan dat bij de jaarwisseling 2000-2001 geen mondelinge licentieovereenkomst is gesloten. Dat kan dus niet bewerkstelligen dat op 22 december 2000 (meer dan een week voor het jaarwisselingstelefoongesprek tussen [verweerder 1] en [eiser] ) een licentieovereenkomst tot stand was gekomen door de overname [B] – [verweerder 1] , zoals de stelling van [eiser] is in deze procedure.

Ter verduidelijking nog dit over de laatste twee alinea’s van onderdeel 3.3 dat onbegrijpelijk zou zijn dat uit het feit dat rond meerbedoelde jaarwisseling een telefoongesprek [verweerder 1] - [eiser] heeft plaatsgehad, zou volgen dat een mondelinge licentieovereenkomst is gesloten. Het hof heeft niet overwogen dat in dat telefoongesprek een licentiecontract is gesloten. In rov. 3.11 wordt feitelijk en niet onbegrijpelijk aangegeven dat [verweerders] het merk zijn blijven gebruiken, wat kan worden verklaard uit [verweerder 1] ’ stelling dat hij heeft getelefoneerd met [eiser] , waaruit hij meende te begrijpen dat hij het merk mocht gebruiken tegen een jaarlijkse vergoeding.

Onderdeel 4 bevat een louter voortbouwende klacht, die meen ik geen afzonderlijke bespreking behoeft.

3. Conclusie

Ik concludeer tot verwerping en geef Uw Raad in overweging dat te doen met toepassing van art. 81 RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat-Generaal

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?