ECLI:NL:PHR:2016:1039

ECLI:NL:PHR:2016:1039, Parket bij de Hoge Raad, 27-09-2016, 15/03553

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 27-09-2016
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 15/03553
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2016:2453
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830

Samenvatting

Antilliaanse zaak. Last tot teruggave aan verdachte van inbeslaggenomen geldbedrag zonder vast te stellen wat de hoogte van dit bedrag is. Art. 397.1 en art. 145.1 Wetboek van Strafvordering van Sint Maarten (hierna: Sv). Ex art. 397.1 Sv gelast het Hof in het geval van oplegging van straf, tenzij het verklaart tot het geven van zodanige last niet in staat te zijn, dat inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen zullen worden teruggegeven aan een met name genoemde persoon, v.zv. zij niet worden verbeurdverklaard of onttrokken aan het verkeer. Ex art. 145.1 Sv is zo’n last tot teruggave gericht tot de bewaarder. Indien de rechter de teruggave van een gedeelte van inbeslaggenomen geldbedragen gelast op de grond dat dit gedeelte aan verdachte toebehoort, kan die teruggave derhalve uitsluitend worden bereikt indien het concreet terug te geven geldbedrag in die last is vermeld. De bestreden uitspraak houdt evenwel niets in m.b.t. de hoogte van het aan verdachte terug te geven geldbedrag, terwijl dit bedrag ook niet ondubbelzinnig kan worden afgeleid uit de stukken.

Uitspraak

BESLISSING

Het hof:

(…)

Gelast de teruggave van het in beslag genomen geld, voor zover toebehorende aan de verdachte, en de in beslag genomen telefoon aan de veroordeelde.”

Kortom, het bestreden vonnis houdt geen beslissing in ten aanzien van het in beslag genomen geld, voor zover de verdachte daarvan afstand heeft gedaan. Maar daarop is de klacht niet gericht. Het gaat de steller van het middel om de wél gegeven beslissing tot teruggave van een bedrag, voor zover dat aan de verdachte toebehoort, zonder dat het hof daarbij heeft vastgesteld wat de hoogte van dit bedrag is. Op dit laatste richt zich de klacht. Het gaat er dus niet om dat het hof verzuimd heeft om op het verzoek tot teruggave te beslissen, maar dat het hof daarbij heeft verzuimd te bepalen op welk bedrag de last tot teruggave betrekking heeft.

Naar mijn mening klaagt het middel daarover terecht. Uit het vonnis van het hof kan niet worden afgeleid welk bedrag aan de verdachte moet worden teruggegeven: het bedrag van $ 900,- waarvan de verdachte heeft verklaard dat dat hem toebehoort? Of het verschil tussen het inbeslaggenomen bedrag van $ 4.674,- en $ 3910,-, zijnde $ 764,- ? Deze rekensom ligt voor de hand, nu het hof in zijn bewezenverklaring is uitgegaan van een gestolen bedrag van $ 3910,- . Van de andere kant is het hof in zijn vonnis niet overgegaan tot de verbeurdverklaring van enig in beslag genomen geldbedrag, noch heeft het zich buiten staat verklaard hierover een beslissing te nemen zoals art. 397, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering van Sint Maarten (hierna: Sv) als mogelijkheid vermeldt. Daarom blijft het ongewis welk deel van het inbeslaggenomen geldbedrag volgens het hof aan de verdachte toebehoort.

Dan blijft de vraag over of de verdachte er voldoende belang bij heeft dat het middel tot cassatie leidt. Naar mijn mening is dat wel het geval. Het gaat hier in de eerste plaats niet om een situatie waarin een misslag eenvoudig door een herstelbeslissing kan worden hersteld. Het is ook zonder herstelbeslissing niet evident op welke wijze de uitspraak door het OM verbeterd zou kunnen worden gelezen, omdat het niet zonder meer duidelijk is welk deel van het in beslag genomen geldbedrag moet worden beschouwd als bedrag dat aan de verdachte toebehoort en aan hem moet worden teruggegeven. Tot slot staat aan de verdachte evenmin de weg open om zich ingevolge art. 150 Sv te beklagen bij het hof over het uitblijven van een last tot teruggave; de last tot teruggave is immers wel gegeven.

Alhoewel het verleidelijk is om de Hoge Raad om doelmatigheidsredenen in overweging te geven zelf een beslissing als bedoeld in artikel 397 eerste lid, Sv te geven en daarbij de last tot teruggave te bepalen op $ 764,- , meen ik dat hiermee een vaststelling van feiten gepaard gaat waarvoor in de cassatieprocedure geen ruimte is. Daarom is de slotsom dat cassatie niet achterwege kan blijven.

Het tweede middel is terecht voorgesteld. Het eerste middel faalt en kan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

5. Deze conclusie strekt tot:

- het vernietigen van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover het hof heeft gelast dat het inbeslaggenomen geld “voor zover toebehorende aan de verdachte” aan de verdachte wordt teruggegeven;

- zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen;

- verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?