BESLISSING
Het hof:
(…)
Gelast de teruggave van het in beslag genomen geld, voor zover toebehorende aan de verdachte, en de in beslag genomen telefoon aan de veroordeelde.”
Kortom, het bestreden vonnis houdt geen beslissing in ten aanzien van het in beslag genomen geld, voor zover de verdachte daarvan afstand heeft gedaan. Maar daarop is de klacht niet gericht. Het gaat de steller van het middel om de wél gegeven beslissing tot teruggave van een bedrag, voor zover dat aan de verdachte toebehoort, zonder dat het hof daarbij heeft vastgesteld wat de hoogte van dit bedrag is. Op dit laatste richt zich de klacht. Het gaat er dus niet om dat het hof verzuimd heeft om op het verzoek tot teruggave te beslissen, maar dat het hof daarbij heeft verzuimd te bepalen op welk bedrag de last tot teruggave betrekking heeft.
Naar mijn mening klaagt het middel daarover terecht. Uit het vonnis van het hof kan niet worden afgeleid welk bedrag aan de verdachte moet worden teruggegeven: het bedrag van $ 900,- waarvan de verdachte heeft verklaard dat dat hem toebehoort? Of het verschil tussen het inbeslaggenomen bedrag van $ 4.674,- en $ 3910,-, zijnde $ 764,- ? Deze rekensom ligt voor de hand, nu het hof in zijn bewezenverklaring is uitgegaan van een gestolen bedrag van $ 3910,- . Van de andere kant is het hof in zijn vonnis niet overgegaan tot de verbeurdverklaring van enig in beslag genomen geldbedrag, noch heeft het zich buiten staat verklaard hierover een beslissing te nemen zoals art. 397, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering van Sint Maarten (hierna: Sv) als mogelijkheid vermeldt. Daarom blijft het ongewis welk deel van het inbeslaggenomen geldbedrag volgens het hof aan de verdachte toebehoort.
Dan blijft de vraag over of de verdachte er voldoende belang bij heeft dat het middel tot cassatie leidt. Naar mijn mening is dat wel het geval. Het gaat hier in de eerste plaats niet om een situatie waarin een misslag eenvoudig door een herstelbeslissing kan worden hersteld. Het is ook zonder herstelbeslissing niet evident op welke wijze de uitspraak door het OM verbeterd zou kunnen worden gelezen, omdat het niet zonder meer duidelijk is welk deel van het in beslag genomen geldbedrag moet worden beschouwd als bedrag dat aan de verdachte toebehoort en aan hem moet worden teruggegeven. Tot slot staat aan de verdachte evenmin de weg open om zich ingevolge art. 150 Sv te beklagen bij het hof over het uitblijven van een last tot teruggave; de last tot teruggave is immers wel gegeven.
Alhoewel het verleidelijk is om de Hoge Raad om doelmatigheidsredenen in overweging te geven zelf een beslissing als bedoeld in artikel 397 eerste lid, Sv te geven en daarbij de last tot teruggave te bepalen op $ 764,- , meen ik dat hiermee een vaststelling van feiten gepaard gaat waarvoor in de cassatieprocedure geen ruimte is. Daarom is de slotsom dat cassatie niet achterwege kan blijven.
Het tweede middel is terecht voorgesteld. Het eerste middel faalt en kan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5. Deze conclusie strekt tot:
- het vernietigen van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover het hof heeft gelast dat het inbeslaggenomen geld “voor zover toebehorende aan de verdachte” aan de verdachte wordt teruggegeven;
- zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen;
- verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden