3.1. Het middel klaagt dat de betrokkene ten onrechte niet is opgeroepen voor de behandeling van de vordering van de officier van justitie in raadkamer van 16 april 2015.
3.2. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal is de behandeling van de voornoemde vordering in raadkamer van 22 januari 2015 (bij welke behandeling de betrokkene, bijgestaan door zijn raadsman is verschenen) voor onbepaalde tijd geschorst, met een door de rechter gegeven bevel tot oproeping van de betrokkene en zijn raadsman tegen nader te bepalen zitting. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal is de betrokkene noch diens raadsman bij het onderzoek in raadkamer van 16 april 2015 verschenen.
3.3. Art. 23 lid 2 Sv brengt mee dat de betrokkene had moeten worden opgeroepen voor het onderzoek in raadkamer van 16 april 2015. Nu uit de aan de Hoge Raad op de voet van art. 434 lid 1 Sv toegezonden stukken niet van zo een oproeping blijkt, moet ervan worden uitgegaan dat dit niet is geschied. Dit verzuim brengt nietigheid van het onderzoek mee (vgl. HR 31 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:1023). Het middel slaagt.
4. Gelet op het vorenstaande behoeft het tweede middel, dat zich richt tegen de door de rechtbank gegeven last, geen afzonderlijke bespreking.
5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, opdat de zaak op de bestaande vordering opnieuw wordt behandeld.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG