[verdachte]
Nr. 15/04108
Mr. Machielse
Zitting 4 oktober 2016 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
1. Het gerechtshof Amsterdam heeft op 17 augustus 2015 het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 1 december 2014, waarbij verdachte voor: “witwassen” tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden en tot verbeurdverklaring van inbeslaggenomen geld is veroordeeld, onder aanvulling met een bespreking van een in hoger beroep gevoerd verweer, bevestigd.
2. Mr. P.J. Silvis, advocaat te Schiedam, heeft cassatie ingesteld. Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft een schriftuur ingezonden houdende een middel van cassatie.
3.1. Het middel klaagt dat de voorzitter van het hof in reactie op een voorwaardelijk verzoek om een getuige te horen de advocaat van verdachte heeft onderbroken en hem heeft meegedeeld dat het hof geen voorwaardelijk verzoek accepteert.
3.2. Ter terechtzitting van het hof van 3 oktober 2015 heeft verdachte verklaard dat hij een huis wilde kopen in Turkije en daarom geld heeft geleend van een zwager, verdachtes compagnon. Hij heeft een schuld aan deze [getuige] van € 60.000. Vervolgens heeft de advocaat van verdachte onder meer het volgende verklaard:
"Om mij moverende redenen heb ik tot nu toe gemeend dat we [getuige] met rust moeten laten. In raadkamer kunt u alsnog besluiten om hem te horen. Daartoe doe ik een voorwaardelijk verzoek."
Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting vervolgt dan:
"De voorzitter onderbreekt het pleidooi van de raadsman en deelt hem mede dat het hof geen voorwaardelijke verzoeken accepteert."
3.3. Uit het proces-verbaal volgt dat een verzoek is gedaan als bedoeld in artikel 315 in verbinding met artikel 328 Sv, kennelijk onder de voorwaarde dat het hof niet zou overwegen om verdachte vrij te spreken. Zoals de steller van het middel betoogt heeft de verdediging door het optreden van de voorzitter niet de gelegenheid gekregen om het voorwaardelijk verzoek exact te formuleren. Maar de voorafgaande uitlating van de advocaat lijkt mij voldoende duidelijk. De maatstaf voor de beoordeling van zo een verzoek is of de rechter honorering van het verzoek noodzakelijk oordeelt. Het hof heeft deze maatstaf miskend, hetgeen tot vernietiging van het bestreden arrest dient te leiden.
4. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden