[verdachte]
Nr. 14/06110
Mr. Machielse
Zitting 20 september 2016 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, heeft verdachte op 19 november 2014 voor: poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden. Tevens heeft het hof de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van vier maanden gelast.
2. Mr. B.M.E. Drykoningen, advocaat te Utrecht, heeft cassatie ingesteld. Mr. B.P. De Boer, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.
3.1. Het eerste middel komt op tegen de beslissing tot tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde straf. Deze beslissing zou het hof ontoereikend gemotiveerd hebben. Het hof heeft immers niet de redenen opgegeven die tot deze beslissing hebben geleid.
3.2. Het dictum van het bestreden arrest houdt dienaangaande het volgende in:
"Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Arnhem van, parketnummer 05-700660-11, te weten van: gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden."
3.3. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 19 november 2014 van de enkelvoudige kamer van het hof heeft het hof de korte inhoud onder meer van een verdachte betreffend Uittreksel Justitiƫle Documentatie van 21 oktober 2014 medegedeeld. Dat uittreksel bevindt zich onder de aan de Hoge Raad toegezonden stukken. Het uittreksel maakt melding van een vonnis van de rechtbank Arnhem van 19 oktober 2011 met parketnummer 05-700660-11, waarbij verdachte voor vermogensdelicten is veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het uittreksel vermeldt dat de proeftijd is beginnen te lopen op 17 juli 2012 en duurde tot en met 16 juli 2015. Tussendoor is bij beslissing van 25 september 2013 de oorspronkelijke proeftijd met een jaar verlengd. Het hof heeft klaarblijkelijk acht geslagen op dit uittreksel.
3.4. Het lijdt geen twijfel dat het hof bevoegd was om te beslissen op de vordering tot tenuitvoerlegging, nu het hof verdachte heeft veroordeeld voor een feit dat is begaan voor het einde van deze proeftijd.
Dat het hof de tenuitvoerlegging heeft bevolen wegens overtreding van de in artikel 14c lid 1 onder a Sr genoemde algemene voorwaarde lijkt mij duidelijk. Immers, de rechter die zich over de beschuldiging van het nieuwe feit heeft moeten buigen, heeft ook de tenuitvoerlegging gelast. Ter terechtzitting is de eerdere, deels voorwaardelijke veroordeling, aan de orde geweest toen de korte inhoud van het Uittreksel Justitiƫle Documentatie is genoemd. Vergelijking met de tijdsbepaling in de tenlastelegging van het nieuwe feit leert dat het nieuwe feit voor het einde van deze proeftijd is begaan. Voorts blijkt uit de veroordeling voor het nieuwe feit dat aan de algemene voorwaarde niet is voldaan. In de onderhavige zaak is dus sprake van een andere situatie dan in het door Bleichrodt genoemde HR 12 februari 1991, NJ 1991, 498. De gegevens waarop het hof zich heeft gebaseerd bij zijn beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging liggen voor de hand.
Voorts wijs ik erop dat de Hoge Raad aan de motivering van de beslissing op een vordering tot tenuitvoerlegging geen hoge eisen stelt. In 2014 heeft de Hoge Raad zich gebogen over de vraag of de volgende motivering van een tenuitvoerlegging toereikend was:
"Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de Politierechter te Amsterdam van 5 november 2012 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast."
De Hoge Raad overwoog dat het hof de toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging heeft gemotiveerd door vast te stellen dat verdachte de algemene voorwaarden niet heeft nageleefd. Aldus is voldaan aan de motiveringseis van het eerste lid van artikel 14j Sr. Dat verdachte in de onderhavige zaak voor het einde van de proeftijd de algemene voorwaarde heeft geschonden is in feitelijke aanleg nooit bestreden. Naar mijn mening kan dit middel daarom worden verworpen omdat verdachte daarbij geen belang heeft.
4.1. Het tweede middel klaagt over een schending van de redelijke termijn in de cassatiefase. Het cassatieberoep is op 19 november 2014 ingesteld, maar het dossier is eerst op 16 december 2015 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen.
4.2. De in het middel genoemde data zijn correct. Tussen het instellen van het cassatieberoep en het ontvangen van de stukken ter griffie zijn een jaar en 27 dagen verlopen, waardoor de door de Hoge Raad op acht maanden bepaalde inzendtermijn niet is gehaald. Zulks dient te leiden tot een vermindering van de opgelegde straf.
5. Het eerste middel faalt en kan naar mijn oordeel met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Het tweede middel is gegrond, hetgeen tot een verlaging van de opgelegde straf behoort te leiden. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
6. Deze conclusie strekt tot een vermindering van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden