2.1. De als “middel 1” in de schriftuur aangeduide klacht betreft geen middel van cassatie in eigenlijke zin, omdat de desbetreffende klacht geen betrekking heeft op enige beslissing van de in eerdere instantie oordelende rechter, maar juist de wijze van procederen bij de Hoge Raad aan de orde stelt. Geklaagd wordt namelijk dat de aanzegging in cassatie ten onrechte aan de klager in de Nederlandse taal is verzonden.
2.2. In de toelichting op het “middel” wordt betoogd dat de klager de Nederlandse taal onvoldoende machtig is en dat de aanzegging in cassatie derhalve diende te worden verzonden in de taal van het land van de klager (Luxemburg), dan wel in een andere taal die de klager voldoende begreep. In een zaak als de onderhavige, waarin een korte termijn geldt om middelen van cassatie in te dienen (verschoningsrechtszaak; 14 dagen-termijn), is het van belang dat de klager aanstonds na ontvangst van de aanzegging begrijpt wat hem wordt mede gedeeld. De aanzegging in de verkeerde taal heeft volgens de steller van het middel ertoe geleid dat de klager onvoldoende tijd en gelegenheid heeft gehad om ‘mogelijk’ meer en beter met argumenten onderbouwde middelen van cassatie in te dienen.
2.3. De ID-staat SKDB betreffende de klager van 1 juli 2016 houdt in dat de klager niet is gedetineerd en dat een BRP-adres dan wel een laatst opgegeven woon- of verblijfplaats ‘niet beschikbaar’ is. De aanzegging in cassatie is op 1 juli 2016 uitgereikt aan de griffier van de rechtbank ’s-Gravenhage omdat van de klager geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was. Op diezelfde datum is de aanzegging als gewone brief verzonden naar het in de cassatie akte vermelde adres van de klager in Luxemburg. Bovendien is op 1 juli 2016 mededeling van de betekening van de aanzegging gedaan aan de raadsman van de klager, mr. J.W. Soeteman, advocaat te Amsterdam, die zich reeds op 6 mei 2016 als raadsman van de klager in cassatie had gesteld. Aangezien van de klager enkel een woonplaats in het buitenland bekend was, heeft de uitreiking van deze aanzegging plaatsgevonden op de wijze als voorzien in art. 588 lid 2 Sv plaatsgevonden door rechtstreekse toezending van de aanzegging aan het adres van de klager in Luxemburg.
2.4. Ingevolge art. 588 lid 2 Sv geldt ten aanzien van gerechtelijke stukken onder omstandigheden een “vertaalplicht”:
“De uitreiking aan de geadresseerde van wie de woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is, geschiedt door toezending van de mededeling door het openbaar ministerie, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie en, voor zover een verdrag van toepassing is, met inachtneming van dat verdrag. Dagvaardingen worden vertaald in de taal of een van de talen van het land waar de geadresseerde verblijft dan wel, voor zover aannemelijk is dat hij slechts een andere taal machtig is, in die taal. Met betrekking tot andere gerechtelijke mededelingen kan volstaan worden met een vertaling van de essentiële onderdelen daarvan. Indien de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie bericht dat de mededeling aan de geadresseerde is uitgereikt, geldt deze uitreiking als betekening in persoon, zonder dat hiervan nog uit een afzonderlijke akte behoeft te blijken.”
2.5. Voornoemde bepaling sluit aan bij art. 5 lid 3 en lid 4 van de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie (EU-Rechtshulpovereenkomst, gesloten te Brussel op 29 mei 2000, Trb. 2000, 96). De desbetreffende bepalingen bevatten voorschriften voor de toezending van gerechtelijke stukken aan een geadresseerde, die op het grondgebied van een van de lidstaten verblijft, en zij luiden als volgt:
“3. Wanneer aannemelijk is dat de geadresseerde de taal waarin het gerechtelijk stuk is gesteld niet beheerst, dient dit - althans de essentie ervan - te worden vertaald in de taal of één der talen van de lidstaat op het grondgebied waarvan de geadresseerde verblijft. Indien de autoriteit waarvan het gerechtelijk stuk uitgaat, weet dat de geadresseerde slechts een andere taal machtig is, dient het stuk - althans de essentie ervan - te worden vertaald in die andere taal.
4. Bij alle gerechtelijke stukken wordt de mededeling gevoegd dat de geadresseerde bij de autoriteit waarvan het stuk uitgaat of bij andere autoriteiten in die lidstaat inlichtingen kan inwinnen over zijn rechten en plichten met betrekking tot het stuk. Lid 3 is van toepassing op die mededeling.”
2.6. De steller van de schriftuur heeft dus een punt als hij stelt dat, voor zover aannemelijk is dat zijn cliënt de Nederlandse taal niet machtig is, er een plicht tot vertaling van de essentialia van de aanzegging in cassatie op de ‘aanzegger’ rust. Ingevolge art. art. 552d lid 3 in verbinding met 447 Sv (het betreft een beschikkingszaak, waarbij de klager een verschoningsgerechtigde is) is deze normadressaat de procureur-generaal bij de Hoge Raad. Welnu, anders dan de steller van het “middel” aanvoert is de aanzegging wel degelijk gepaard gegaan met een vertaling van – naar ik meen – de essentialia er van. Op de zich in het cassatiedossier bevindende kopie van de aanzegging, die naar het adres in Luxemburg is gestuurd, is namelijk (met pen) aangetekend: “+ bijsluiter” en “+ bijsluiter buitenland”. De “bijsluiter buitenland” – mij door de administratie van de Hoge Raad ter hand gesteld - betreft een tweetal aaneen geniete A4-tjes, waarop in 27 talen, van Albanees tot Zweeds, een vertaling van de – ook nog opgenomen – volgende Nederlandse tekst wordt gegeven: “Hierbij ontvangt u een aanzegging van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden in de strafzaak waarin door u beroep in cassatie is ingesteld. Gelet op de in de aanzegging genoemde termijn van 60 dagen, waarbinnen op straffe van niet-ontvankelijkheid een schriftuur door een – in Nederland ingeschreven – advocaat bij de Hoge Raad moet worden ingediend, is het van belang dat u zo spoedig mogelijk contact opneemt met een advocaat.”
2.7. Bevatte de bijsluiter ook een voor de klager ‘leesbare’ vertaling? De klager heeft de Belgische nationaliteit en woont in Luxemburg. Blijkens het proces-verbaal van de raadkamerbehandeling van 17 maart 2016 is de klager, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Mr. J.W. Soeteman, advocaat te Amsterdam is als gemachtigde raadsman van de klager verschenen. De raadsman heeft naast zijn pleitnotities, een kopie van het tiende verhoor van de klager (als verdachte in het strafrechtelijke onderzoek) bij de politie van 14 april 2015 overgelegd. In dit proces-verbaal is vermeld dat sprake is van een anderstalige verdachte, die zichzelf niet in staat achtte om in de Nederlandse taal te communiceren. Zijn taalkeuze was Frans. Zodoende communiceerden de verbalisanten met de klager in die taal, met bijstand van een in het Rbtv ingeschreven beëdigde tolk. Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat de klager de Nederlandse taal niet (voldoende) beheerst, maar kennelijk wel het Frans. Welnu, in de met de aanzegging meegezonden ‘bijsluiter buitenland’ ook een Franse vertaling is opgenomen.
2.8. De klacht mist derhalve grotendeels feitelijke grondslag, maar niet voor de volle 100 procent. Eén kanttekening valt daarbij namelijk nog wel te maken: in de ‘bijsluiter buitenland’ is niet de juiste termijn van veertien dagen voor het indienen van een schriftuur vermeld. Het onderhavige geval betreft een beklagzaak van een verschoningsgerechtigde en daarvoor geldt die – ten opzichte van gewone beschikkingszaken nog extra verkorte – termijn (art. 552d lid 3 Sv). In plaats daarvan is, zo bleek, in de bijsluiter een termijn van 60 dagen genoemd, zijnde de termijn die voor “gewone” cassatiezaken (tegen uitspraken) geldt. Dat had er toe kunnen leiden dat de binnenkomst van een schriftuur na 14 dagen, doch binnen 60 dagen, als verschoonbaar te laat had kunnen worden aangemerkt. In het onderhavige geval is daarvan echter geen sprake geweest.
2.9. Uit de stukken van het geding blijkt dat de mededeling van de betekening van de aanzegging aan de raadsman van de klager op dezelfde datum als de aanzegging in cassatie, te weten op 1 juli 2016, is verzonden. Op 15 juli 2016 verstreek derhalve de termijn voor het indienen van de cassatieschriftuur. Op die datum is een cassatieschriftuur ter griffie van de Hoge Raad ingekomen. Indien gewenst had de raadsman bij de rolraadsheer van de Hoge Raad kunnen aanvoeren dat er onvoldoende tijd en gelegenheid is geweest om middelen in te dienen en in dat kader een verzoek tot verlenging van de termijn voor het indienen van een cassatieschriftuur kunnen doen. Dit heeft hij echter niet gedaan. Aangenomen moet derhalve ook worden dat bij de klacht onvoldoende belang aanwezig is. Voor het hernieuwd doen uitgaan van een aanzegging – waartoe de klacht in theorie zou kunnen leiden - ontbreekt dus elke aanleiding. De klacht faalt.
3. Alvorens de overgebleven middelen te bespreken schets ik eerst kort de achtergronden van de zaak. Het betreft in casu een verschoningsrechtzaak. De klager is een Luxemburgse advocaat. Hij staat een aantal Nederlandse cliënten bij die worden verdacht van witwassen van geld uit cannabishandel (het gaat om een fraudebedrag van meer dan 20 miljoen euro). De klager verricht voor zijn cliënten trustwerkzaamheden, is daardoor zelf ook verwikkeld in het witwasschandaal en wordt aangemerkt als een van de verdachten. Wanneer de klager op 9 april 2015 op weg is naar een afspraak met zijn Nederlandse cliënten, wordt hij op het vliegveld aangehouden. Zijn laptop wordt op grond van art. 94 Sv onder hem in beslag genomen en van de inhoud van de laptop (de data) is een kopie gemaakt. Deze kopie is gedeponeerd in een kluis bij de politie zonder dat daarvan kennis is genomen. De laptop is vervolgens aan de klager teruggegeven. De klager heeft zich op het standpunt gesteld dat hij verschoningsgerechtigde is en dat de (inhoud van de) inbeslaggenomen laptop onder zijn geheimhoudingsplicht valt. Bij klaagschriften van 5 juni 2015 resp. 14 maart 2016 heeft de klager zich gericht tegen het gebruik van het inbeslaggenomene, inhoudende het maken van een kopie van de inhoud van zijn laptop. De klager verzoekt de rechtbank te gelasten dat alle gemaakte kopieën worden vernietigd, dan wel aan hem worden teruggegeven. In het feit dat de inbeslagneming onrechtmatig is geweest ziet de klager nog een grond om het beklag gegrond te verklaren.
4. Het tweede middel en het derde middel
4.1. Beide middelen richten zich tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de klager door de rechtbank in zijn beklag en lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. Het tweede middel klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de klager niet-ontvankelijk is in zijn beklag tegen de inbeslagneming. Het betoog in de toelichting op het middel komt erop neer dat de omstandigheid dat de laptop reeds aan de klager is geretourneerd niet wegneemt dat de inbeslagneming op onrechtmatig wijze is geschied en dat daarbij tevens in aanmerking moet worden genomen dat een kopie van de inhoud van de laptop is behouden door justitie.
Het derde middel klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de klager niet-ontvankelijk is in zijn beklag tegen het gebruik van het inbeslaggenomen voorwerp. Daartoe wordt aangevoerd dat juist is bedoeld te klagen over het gebruik van het inbeslaggenomen voorwerp zelf (het maken van een kopie van de inhoud van de laptop) en niet zoals de rechtbank voor ogen heeft gehad: het gebruik van de gegevens die zijn ontleend aan het inbeslaggenomen voorwerp.
4.2. De bestreden beschikking houdt in, voor zover hier van belang:
“2. De beoordeling
Namens klager is aangevoerd dat op 9 april 2015 onder hem gegevensdragers in beslag genomen zijn. Van de gegevensdragers zijn door de opsporingsinstanties kopieën gemaakt, hetgeen dient te worden aangemerkt als gebruik. Het klaagschrift richt zich tegen het gebruik van de in beslag genomen voorwerpen. Daarnaast richt het klaagschrift zich op de inbeslagneming, die in strijd met de wet en regelgeving heeft plaatsgevonden. Klager verzoekt het beklag gegrond te verklaren, te verklaren dat de inbeslagneming onrechtmatig heeft plaatsgevonden en voorts te gelasten dat alle gemaakte kopieën aan klager worden overhandigd, dan wel worden vernietigd.
De officier van justitie heeft in de conclusie van 1 maart 2016 aangevoerd dat van de digitale gegevensdragers die klager ten tijde van zijn aanhouding bij zich had, een “image” is gemaakt. De image ligt in de kluis bij de politie en is in afwachting van de verdere procedure daaromtrent nog niet onderzocht. De gegevensdragers zijn na het maken van een kopie aan klager geretourneerd.
Primair stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat klager niet ontvankelijk is. Het beslag is geëindigd, nu de beslagen voorwerpen aan klager zijn teruggegeven. Er is geen strafvorderlijk middel om na teruggave van het voorwerp onrechtmatig gebruik van het beslagene aan de orde te stellen. Het beklag is daarmee niet ontvankelijk. mening, mocht de rechtbank klager wel ontvankelijk verklaren, dat het klaagschrift ongegrond dient te worden verklaard. Gelet op de aard van de werkzaamheden van klager, die te duiden zijn als trustwerkzaamheden, is geen sprake van bestanden die onder het verschoningsrecht vallen, zodat er dus geen sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 98 Sv. Meer subsidiair stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat het klaagschrift ongegrond dient te worden verklaard. Mocht klager gezien worden als verschoningsgerechtigde, dan is artikel 98 Sv van toepassing en dient de rechter-commissaris in de gelegenheid gesteld te worden om te beslissen over de (definitieve) inbeslagneming en de kennisname van de bestanden. De gegevensdragers zijn (waren) ook in dat geval vatbaar voor inbeslagname, omdat, gelet op de rol en positie van klager, in redelijkheid kan worden vermoed dat zich op de gegevensdragers stukken bevinden die onderdeel uitmaken van de strafbare feiten waarvan klager wordt verdacht, dan wel die tot het begaan van het strafbare feit hebben gediend (corpora en instrumenta delicti). In casu is sprake van zeer uitzonderlijke omstandigheden, aangezien klager zelf verdacht wordt van betrokkenheid bij ernstige strafbare feiten en - als medepleger - onderdeel is van een groot verband van (mede)plegers. Op grond hiervan dient het verschoningsrecht te wijken voor het belang van de waarheidsvinding. In een dergelijk geval is het niet meer aan de verschoningsgerechtigde om aan te geven welke stukken voor inbeslagneming (dan wel gebruik) in aanmerking komen, maar is het de rechter-commissaris die - bij voorkeur in overleg met de Deken - bepaalt of bepaalde stukken mogen worden gebruikt en aldus kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen.
Ter zitting heeft de raadsman betoogd dat klager ontvankelijk is in zijn beklag. Klager is advocaat en staat als zodanig ingeschreven in Luxemburg. Op de in beslag genomen laptop van klager staan gegevens van vele van zijn cliënten, ook cliënten die niet in dit onderzoek voorkomen en geen (mede)verdachten zijn. Inbeslagneming had conform de regelgeving dienen plaats te vinden, hetgeen niet is geschied. In deze zaak zijn door de wijze van inbeslagneming alle waarborgen overboord gegooid. Zodoende is het noodzakelijk te oordelen of de inbeslagneming rechtmatig is. De Hoge Raad maakt onderscheid tussen het gebruik van het in beslag genomen voorwerp en het gebruik van de aan dat voorwerp ontleende informatie. Over het laatste kan niet geklaagd worden, over het eerste wel. Zodoende is klager volgens de raadsman tevens ontvankelijk in zijn beklag tegen het gebruik, bestaande uit het maken van de kopie. Met betrekking tot de toepassing van het verschoningsrecht heeft de raadsman aangevoerd dat in het geval van klager noch de rechter-commissaris noch de Deken bij de inbeslagneming betrokken is geweest. Bovendien is verzuimd de rechter-commissaris gelegenheid te geven zich voorafgaand aan de beslagneming uit te laten over de rechtmatigheid van het beslag. Daarmee is klager de mogelijkheid ontnomen om te klagen. Naast de formele gebreken geldt dat het gebruik onrechtmatig was, omdat het materieel om geheimhoudersstukken gaat. Er staan veel meer stukken op de gegevensdragers dan uitsluitend stukken toeziende op de werkzaamheden voor de medeverdachten. Evenmin is sprake van zeer uitzonderlijke omstandigheden waardoor een geoorloofde doorbreking van het verschoningsrecht zou kunnen plaatsvinden. De raadsman verzoekt de klaagschriften gegrond te verklaren en te gelasten dat alle gemaakte kopieën aan klager worden overhandigd, dan wel worden vernietigd.
De officier van justitie heeft gepersisteerd bij het eerder ingenomen standpunt. Op de image staan documenten die van belang zijn voor waarheidsvinding. Klager is verdachte van ernstige strafbare feiten. Klager is als trustmedewerker, en niet als advocaat, betrokken geweest bij [A]. Uit de correspondentie blijkt dat de officier van justitie in contact is getreden met de rechter-commissaris en dat de rechter-commissaris te kennen heeft gegeven zoveel mogelijk te handelen overeenkomstig artikel 98 Sv, waarbij als feitelijk uitgangspunt had te dienen dat de inbeslagneming reeds had plaatsgevonden en waarbij de rechter-commissaris heeft aangegeven dat de rechtmatigheid van de inbeslagneming te zijner tijd op een zitting of, voorafgaand daaraan, in een procedure ex artikel 552a Sv aan de orde kon worden gesteld. De rechter-commissaris zal, indien de rechtbank de inbeslagneming rechtmatig oordeelt, de geëigende procedure volgen.
De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank dient allereerst te beoordelen of klager ontvankelijk is in zijn beklag.
Artikel 98, eerste lid, Sv bepaalt dat bij personen met bevoegdheid tot verschoning, als bedoeld in artikel 218, tenzij met hun toestemming, niet in beslag worden genomen brieven of andere geschriften, tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt en dat de rechter-commissaris bevoegd is ter zake te beslissen.
De rechtbank stelt vast dat in de onderhavige zaak artikel 98, eerste lid, Sv van toepassing is. Klager is immers, zo blijkt uit het dossier en is ook niet weersproken door de officier van justitie, advocaat in Luxemburg en heeft als zodanig een bevoegdheid tot verschoning.
Tevens stelt de rechtbank vast dat de in artikel 98, eerste lid, Sv omschreven procedure niet is gevolgd. Onder klager zijn zonder zijn toestemming gegevensdragers in beslag genomen, terwijl de rechter-commissaris hierover geen beslissing had genomen. Van de gegevensdragers zijn kopieën gemaakt. Deze kopieën zijn gedeponeerd in een kluis en van de inhoud daarvan is door de officier van justitie of het onderzoeksteam geen kennis genomen. De gegevensdragers zijn aan klager terug gegeven.
De rechtbank is van oordeel dat klager niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn klaagschrift gericht tegen de inbeslagneming van de gegevensdragers, nu de inbeslaggenomen gegevensdragers reeds aan hem zijn teruggegeven. De wet kent niet de mogelijkheid om met een klaagschrift na beëindiging van het beslag te doen vaststellen dat de inbeslagneming onrechtmatig was. Dit kan bij de behandeling van de strafzaak aan de orde worden gesteld.
Tevens is de rechtbank van oordeel dat klager niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn klaagschrift gericht tegen het gebruik van de in beslag genomen gegevensdragers, nu artikel 552a Sv niet voorziet in het doen van beklag tegen het gebruik van gegevens die zijn ontleend aan in beslag genomen voorwerpen (HR 9 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5510).
Ten aanzien van de kennisneming van de inhoud van de gemaakte kopieën overweegt de rechtbank dat het bepaalde in artikel 98, tweede lid, Sv van toepassing is. Deze bepaling schrijft voor dat, indien de persoon met bevoegdheid tot verschoning bezwaar maakt tegen de inbeslagneming van brieven of andere geschriften omdat zijn plicht tot geheimhouding zich daartoe uitstrekt, niet tot kennisgeving overgegaan wordt dan nadat de rechter-commissaris daarover heeft bepaald.
De rechter-commissaris heeft nog geen beslissing genomen over de vraag of tot kennisneming mag worden overgegaan. Mocht de rechter-commissaris beslissen dat kennisneming is toegestaan, dan kan klager tegen deze beslissing op grond van artikel 98, vierde lid, Sv een klaagschrift indienen. Deze situatie is thans (nog) niet aan de orde.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank klager niet-ontvankelijk verklaren in beide klaagschriften.
3. De beslissing
De rechtbank verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn klaagschriften.”
4.3. De middelen stuiten af op de omstandigheid dat noch art. 552a Sv, noch enige andere bepaling van het Wetboek van Strafvordering, in de mogelijkheid voorziet om na teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp in rechte te doen vaststellen dat de inbeslagneming dan wel het gebruik van het inbeslaggenomene onrechtmatig was. De door de steller van het middel aangevoerde omstandigheden kunnen niet tot een ander oordeel nopen. De rechtbank is mijns inziens op juiste gronden tot een niet-ontvankelijkverklaring van de klager in zijn beslag gekomen.
4.4. Hierbij wil ik nog het volgende opmerken. Zoals gezegd wordt uitdrukkelijk niet geklaagd over het gebruik van de gekopieerde inhoud van de laptop. Dat daarover niet kan worden geklaagd heeft de Hoge Raad ook met zoveel woorden bepaald in zijn arrest van 9 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5510. Of deze uitkomst in alle gevallen tot wenselijke gevolgen leidt, valt te bezien maar laat ik in deze zaak in het midden. Echter, het gaat mij om wat de rechtbank daarna nog heeft overwogen met betrekking tot de kennisname van de (gekopieerde) inhoud van de laptop. Kort samengevat is in deze speciale procedure (van verschoningsrecht) een waarborg ingebouwd, in die zin dat de rechter-commissaris degene is die bepaalt of en dat tot kennisgeving van - in dit geval - de kopie van de inhoud van de laptop van de klager wordt overgegaan. Mocht dat later het geval zijn dan bestaat er voor de klager de gelegenheid zich daarover te beklagen op grond van art. 98 lid 4 Sv. De rechtbank heeft vastgesteld dat tot dusver nog niemand kennis heeft genomen van de inhoud van de laptop. Deze gegevens bevinden zich nog altijd in de kluis van het openbaar ministerie. In ogenschouw genomen dat de klaagschriften hoofdzakelijk als doelstelling hebben dat van de inhoud van de laptop geen kennis wordt genomen, vermag ik niet in te zien welk belang de klager bij deze middelen heeft.
4.5. Aangezien de middelen niet tot cassatie kunnen leiden dient, gelet op art. 134 lid 2 Sv, de klager in het cassatieberoep niet-ontvankelijk te worden verklaard.
5. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG