4. Gelet op het hierna volgende kondig ik alvast aan een praktische oplossing te zoeken voor wat dreigt een gebed zonder eind te worden.
5. Een arrest op naam van [A] is eerder aan de Hoge Raad voorgelegd. Na terugwijzing van die (andere) zaak naar het Hof Amsterdam bij arrest van de Hoge Raad op 25 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL6741 is de zaak weer aan de Hoge Raad voorgelegd. Dat heeft geleid tot HR 9 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3552. Aan die zaak is voorafgegaan een vonnis van de Rechtbank Haarlem van 5 juni 2008. De Hoge Raad heeft het arrest van het hof van 30 augustus 2013 wederom vernietigd aangezien het gelet op ’s hofs motivering in de rede lag om een onderzoek naar een identiteitsonderzoek af te wachten. Blijkens de inleidende beschouwingen in de schriftuur loopt dat onderzoek nog en is die zaak derhalve nog aanhangig bij het hof.
6. Uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken meen ik te mogen opmaken dat degene die zich van de naam van [A] bedient werd bijgestaan door mr. R.A. van der Horst, advocaat te Amsterdam die de verdediging blijkens het proces-verbaal van 5 november 2014 heeft neergelegd en niet is verschenen.
7. Blijkens datzelfde proces-verbaal van 5 november 2014 is kennelijk verschenen mr. Th.O. Dieben (ook gelet op het schrijven aan het Hof van 4 november 2014 waarin deze raadsman zijn komst aankondigt). Daaruit meen ik te kunnen afleiden dat deze raadsman kennelijk de “echte” [A] bijstaat, degene op wiens naam het arrest is gewezen.
8. Omdat mr. Dieben blijkens het proces-verbaal van de zitting “niet is opgeroepen en deswege geen procespartij is” heeft hij niet de beweegredenen kunnen geven omtrent zijn komst naar de zittingszaal, is verstek verleend en is “de verdachte” niet-ontvankelijk verklaard.
9. Dan nu mijn bevindingen ten aanzien van de middelen. Ik behandel eerst de middelen die zijn gericht tegen de beslissing van 5 november 2014.
10. Het tweede middel klaagt dat over het oordeel van het hof dat de verschenen mr. Dieben “niet is opgeroepen en deswege geen procespartij is”. Dat oordeel van het hof lijkt mij getuigen van een onjuiste rechtsopvatting. Procespartijen moeten in het algemeen worden opgeroepen maar als dat is verzuimd, vervalt de status van procespartij niet zonder meer. Het hof had, gelet op de naamsverwarring, moeten onderzoeken of deze raadsman moest worden aangemerkt als de belangenbehartiger van degene op wiens naam het vonnis (mede) was gewezen. Het middel slaagt.
11. Het derde middel klaagt over de niet-ontvankelijkheidverklaring ex art. 416, tweede lid, Sv.
12. Gelet op de voorgeschiedenis waaronder de persoonsverwisselingsproblematiek en het schrijven van mr. Dieben van 4 november 2016, daags voor de zitting aan het hof is niet zonder meer begrijpelijk dat het hof tot het oordeel is gekomen dat “niet is gebleken van enig rechtens te respecteren belang.” Dat bij hetzelfde hof kennelijk thans nog onderzoek plaatsvindt naar de identiteit van “ [A] ” maakt dat het mij het meest praktisch lijkt dat ook in deze zaak vernietiging en terugwijzing volgt, nu het in de rede had gelegen dat het hof (ambtshalve) het resultaat van het onderzoek had afgewacht. Indien zou worden vastgesteld dat het vonnis ten onrechte op de naam van [A] staat en dat het bewezenverklaarde door een ander is begaan dan [A] dient het hof degene die is gedagvaard vrij te spreken. Ook dit middel slaagt.
13. Gelet op het slagen van het tweede en derde middel behoeft het eerste middel geen bespreking.
14. Het middel tegen het arrest van het hof van 16 september 2014 richt zich tegen de daarbij uitgesproken nietigverklaring van de appeldagvaarding. Ik ben van oordeel dat deze klacht belang ontbeert, nu de vervolging is voortgezet op een nieuwe appeldagvaarding en de tegen de uitkomst daarvan gerichte klachten in cassatie kunnen worden besproken en, wat mij betreft, deels gegrond zijn. Het middel kan aldus niet tot cassatie leiden.
15. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
16. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep voor zover dat is gericht tegen de uitspraak van 16 september 2014 en tot vernietiging van de uitspraak van 5 november 2014 en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG