ECLI:NL:PHR:2016:1104

ECLI:NL:PHR:2016:1104, Parket bij de Hoge Raad, 13-09-2016, 15/02973

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 13-09-2016
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 15/02973
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2017:890
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 3 zaken
Aangehaald door 4 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854 BWBR0001903

Samenvatting

Kosten rechtsbijstand ten onrechte betrokken bij opgelegde schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:1999:ZD1533, NJ 1999/801 en ECLI:NL:HR:2000:ZD1786, NJ 2000/413 inhoudende dat kosten van rechtsbijstand niet zijn aan te merken als rechtstreekse schade en evenmin in aanmerking kunnen worden genomen bij de oplegging van een maatregel a.b.i. art. 36f.1 Sr. Het moet ervoor worden gehouden dat het door het Hof aan b.p. A toegewezen bedrag van € 1.102,50 als vergoeding van de door hem geleden materiële schade, ziet op de door A gevorderde vergoeding van kosten voor rechtsbijstand en dat het Hof die kosten in aanmerking heeft genomen bij de oplegging van de maatregel a.b.i. art. 36f.1 Sr. Daarmee heeft het Hof het voorgaande miskend. HR vermindert het bedrag van de opgelegde verplichting tot betaling aan de Staat en het aantal dagen vervangende hechtenis.

Uitspraak

3. Het eerste middel

Het eerste middel klaagt ten aanzien van feit 1 dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van een vals paspoort en een valse salarisstrook teneinde een huurovereenkomst af te sluiten, zoals door het hof is bewezen verklaard. In de toelichting op het middel wordt daartoe gesteld dat uit het bewijs naar voren komt dat de betreffende geschriften eerst na het sluiten van de huurovereenkomst per e-mail door de verdachte zijn verstuurd, zodat het gebruik maken niet is geschied op de door het hof bewezenverklaarde wijze. Aldus is de bewezenverklaring niet begrijpelijk gemotiveerd.

Het middel faalt evident, nu de bewezenverklaarde wijze van ‘gebruik maken’, hieruit bestaande dat de verdachte (een kopie van) een valse paspoort en (een kopie van) een valse salarisspecificatie per e-mail heeft verzonden teneinde een huurovereenkomst (op naam van [betrokkene 1] en ten behoeve van het pand aan de [a-straat 1] te Rotterdam) af te sluiten, kan worden afgeleid uit de bewijsmiddelen 2 en 12, in hun onderlinge samenhang en verband beschouwd.

Bewijsmiddel 2 houdt als verklaring van de verdachte in dat hij de woning aan de [a-straat] te Rotterdam heeft gehuurd met het vervalste paspoort en met de vervalste loonstrook. Uit bewijsmiddel 12 volgt dat door de huurder (de verdachte) bij Wonen MVM een kopie van een legitimatiebewijs en een kopie van een loonstrook was verstrekt, dat de vrouw die betrokken was bij het tot stand komen van de huurovereenkomst van het fraude-adres zich kon herinneren dat de man (de verdachte) die de huurovereenkomst had afgesloten bij hen was langs geweest om de huurovereenkomst te ondertekenen en dat de kopie van het paspoort en de kopie van de loonstrook later, na de ondertekening, per e-mail naar hen zijn opgestuurd, en dat de kopie van de valse loonstrook die was gebruikt ten behoeve van het afsluiten van de huurovereenkomst van het fraude adres, een salarisstrook van het bedrijf [A] betrof, die op naam van [betrokkene 1] stond.

Anders dan de steller van het middel meen ik dat bewijsmiddel 12 aldus moet worden verstaan dat de (valse) bescheiden na de ondertekening van de huurovereenkomst alsnog door de verdachte zijn nagestuurd ter completering van het dossier inzake de huurovereenkomst. Het is een immers een feit van algemene bekendheid dat zonder een legitimatiebewijs en een loonstrook van de huurder in de regel geen huurovereenkomst tot stand kan worden gebracht. In het betreffende bewijsmiddel is voorts ook met zoveel woorden vermeld dat de kopie van de loonstrook is gebruikt ten behoeve van het afsluiten van de huurovereenkomst. Bovendien staat in het bewijsmiddel dat de bescheiden, na de ondertekening (van de huurovereenkomst), door de verdachte per e-mail zijn aangeleverd en niet dat dit is geschied na het sluiten van de huurovereenkomst. Een en ander brengt mee dat op het moment dat de verdachte de huurovereenkomst ondertekende nog niet gesproken kon worden van een definitief gesloten huurovereenkomst; dit was pas het geval op het moment dat de noodzakelijke bescheiden binnen waren bij de verhuurder. De huurovereenkomst was toen pas - al dan niet met terugwerkende kracht - van kracht. De interpretatie van het voorliggende bewijs door de steller van het middel dat de huurovereenkomst reeds was afgesloten toen de benodigde bescheiden per e-mail waren verzonden, lijkt mij daarom niet juist.

De bewezenverklaring is mijns inziens allesbehalve onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

4. Het tweede middel

Het tweede middel komt met een drietal deelklachten op tegen de bewezenverklaring van feit 2.

De eerste deelklacht, over de ontoereikendheid van het bewijs dat de aanvraagformulieren ‘vals’ waren, gaat uit van een verkeerde lezing van de bewezenverklaring en faalt evident. De in de bewezenverklaring bedoelde aanvraagformulieren ten behoeve van het openen van de bankrekeningen en ten behoeve van het afsluiten van een energiecontract zijn ‘vals’ geworden na het invullen van valse persoonsgegevens door de verdachte. Met name uit de verklaring van de verdachte zelf (zie bewijsmiddel 2) kan genoegzaam zijn verwijtbare handelen worden afgeleid en daarmee (vanaf dat moment) de valsheid van de aanvraagformulieren. Dat - zoals wordt gesteld - uit de gebezigde bewijsmiddelen tevens zou moeten blijken dat de aanvraagformulieren, vóórdat de verdachte deze had bewerkt, vals waren, kan ik dan ook niet bepaald volgen.

In de tweede deelklacht wordt betoogd dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat op de aanvraagformulieren een sofinummer is vermeld en derhalve ook niet dat de verdachte dit valselijk heeft gedaan, zoals is bewezen verklaard. De verdachte heeft verklaard dat hij het vervalste paspoort op naam van [betrokkene 1] heeft gebruikt bij het aanvragen van twee bankrekeningen via internet (zie bewijsmiddel 2). Het paspoort is tevens als legitimatiebewijs aangeboden bij het aangaan van een energieleveringscontract bij Essent (zie bewijsmiddel 9). Dat sprake is van een vervalst paspoort ten name van [betrokkene 1] , met daarop onder meer diens burgerservicenummer, is door de politie na onderzoek bevestigd (zie bewijsmiddel 8). Een uitdraai van klantgegevens van de SNS bank met betrekking tot het bankrekeningnummer [0001] maakt melding van het burgerservicenummer van [betrokkene 1] (zie bewijsmiddel 13). Het hof heeft uit de voornoemde bewijsmiddelen kennelijk afgeleid, en ook kunnen afleiden, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte op de (digitale) aanvraagformulieren van de bankrekeningen en het energiecontract valselijk het sofinummer van [betrokkene 1] heeft ingevuld. De klacht is tevergeefs voorgesteld.

Bovendien heb ik mij afgevraagd wat het belang van deze klacht is, nu bewezenverklaard is dat de verdachte veel meer persoonsgegevens van [betrokkene 1] heeft gebezigd dan alleen diens sofinummer. Indien het vermeende gebrek, dat in het geheel van de bewezenverklaring van ondergeschikte betekenis is, wordt weggedacht, levert de bewezenverklaring als geheel nog steeds valsheid in geschrift op.

De derde deelklacht borduurt min of meer voort op de eerste deelklacht, stellende dat bewezen is verklaard het valselijk opmaken van reeds valse stukken, terwijl het bestanddeel ‘valselijk opmaken’ op de voet van art. 225 lid 1 Sr impliceert dat een nieuw, vals geschrift wordt opgesteld. Nu deze klacht, net als de eerste, uitgaat van een verkeerde lezing van de bewezenverklaring, is de klacht evident kansloos voorgesteld (zie hiervoor onder 4.2).

Het middel faalt.

5. Het derde middel

Het derde middel klaagt over de begrijpelijkheid van de strafmotivering.

In de eerste plaats wordt geklaagd dat het hof het de verdachte ‘dubbel’ heeft aangerekend dat hij gebruik heeft gemaakt van het vervalste paspoort om een huurcontract aan te gaan. Het hof overweegt immers naast het gebruik maken van vervalste geschriften door de verdachte, dat hij zich tevens heeft schuldig gemaakt aan identiteitsfraude door een huurovereenkomst af te sluiten terwijl hij zich uitgaf voor een ander. Ten onrechte heeft het hof de identiteitsfraude als een extra element ten nadele van de verdachte meegewogen, terwijl de identiteitsfraude ingebakken was in het gebruik van het vervalste paspoort, aldus de steller van het middel.

Het hof heeft in zijn strafmotivering onder meer de volgende - door de steller van het middel bestreden - passage opgenomen:

“De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde schuldig gemaakt aan het meermalen plegen van valsheid in geschrift en het gebruikmaken van een valse en vervalste geschriften. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer pleegt te worden gesteld in dergelijke documenten. Tevens heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan zogenaamde identiteitsfraude en daarmee heeft hij een ander persoon - voor wie hij zich uitgaf teneinde een huurovereenkomst af te sluiten - ernstig gedupeerd, zoals wel blijkt uit diens vordering als benadeelde partij. Het hof rekent dit de verdachte zeer aan.”

Het in het middel aangevallen onderdeel van de strafmotivering van het hof dat de verdachte zich schuldig gemaakt aan zogenaamde identiteitsfraude en hij daarmee een ander persoon - voor wie hij zich uitgaf teneinde een huurovereenkomst af te sluiten - ernstig heeft gedupeerd, vormt onmiskenbaar een nadere uitwerking van de door het hof in aanmerking genomen en uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep gebleken omstandigheden waaronder de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het onder 2 bewezenverklaarde feit, in het bijzonder het gebruik maken van een vervalst geschrift. In zoverre faalt het middel.

In de tweede plaats wordt opgekomen tegen de navolgende passage uit de strafmotivering:

“Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 12 mei 2015, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.”

Het bedoelde uittreksel Justitiële Documentatie van 12 mei 2015 houdt wat betreft ‘volledig afgedane zaken betreffende misdrijven’ één onherroepelijk geworden vonnis in, te weten een vonnis van de politierechter Utrecht van 29 juli 2005, waarbij de verdachte ter zake van overtreding van art. 8 lid 2 aanhef en onder a WVW 1994 (rijden onder invloed) en ter zake van art. 285 lid 1 Sr (bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht) is veroordeeld tot een geldboete van € 1000,-, subsidiair 20 dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Dit vonnis is onherroepelijk geworden op 13 augustus 2005. Daarnaast vermeldt het uittreksel ten aanzien van ‘volledig afgedane zaken betreffende overtredingen’ dat de verdachte door de kantonrechter Rotterdam op 8 juli 2011 is veroordeeld tot een geldboete van € 300,-, subsidiair 6 dagen hechtenis, ter zake van overtreding van art. 62 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Dit vonnis is onherroepelijk geworden op 17 januari 2012.

In de toelichting op het middel wordt gesteld dat het hof geen acht had mogen slaan op de laatstbedoelde veroordeling, dus die ter zake van het RVV feit, aangezien die eerst tijdens de periode dat de in de onderhavige zaak gepleegde feiten onherroepelijk is geworden. Deze klacht mist (i) feitelijke grondslag omdat uit s’ hofs overwegingen niet kan worden afgeleid dat mede op deze veroordeling is gelet, (ii) mist belang omdat - hoe dan ook - het hof blijkens hetgeen hierboven is opgesomd op een tweetal andere veroordelingen mocht letten en (iii) berust op de onjuiste rechtsopvatting dat bij de strafoplegging slechts gelet mag worden op veroordelingen die voorafgaand aan het plegen van de nieuwe feiten onherroepelijk zijn geworden – in plaats van de wel uit het recht voortvloeiende eis dat de eerdere veroordeling ten tijde van de uitspraak van de rechter onherroepelijk is geworden.

Het middel faalt.

6. Het vierde middel

Het vierde middel komt op tegen de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, voor zover daarin de kosten van rechtsbijstand zijn betrokken.

Voorop gesteld zij dat toewijzing van een vordering tot schadevergoeding (als bedoeld in art. 51a lid 1 Sv) van de benadeelde partij alleen die schade in aanmerking komt die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit. De kosten van rechtsbijstand zijn niet als zodanige rechtstreekse schade aan te merken. Dat brengt mee dat dergelijke kosten ook niet in aanmerking kunnen worden genomen bij de oplegging van de in art. 36f lid 1 Sr voorziene maatregel. Indien een benadeelde partij dergelijke proceskosten als onderdeel van de schade in de zin van art. 51a Sv vordert, dient zij in zoverre in die vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard. Door een benadeelde partij gemaakte kosten voor rechtsbijstand zijn te rekenen tot de proceskosten, waaromtrent de rechter ingevolge het bepaalde in art. 592a Sv in de daar bedoelde gevallen een afzonderlijke beslissing dient te geven, die ingevolge het bepaalde in art. 361 lid 6 Sv in het vonnis dient te worden opgenomen.

Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] (gedeeltelijk) toegewezen tot een bedrag van € 2.000,- en aan de verdachte tevens als schadevergoedingsmaatregel de verplichting opgelegd aan de Staat een bedrag van gelijke hoogte te betalen, een en ander onder de bepaling dat indien en voor zover aan de ene betalingsverplichting wordt voldaan de andere betalingsverplichting in zoverre komt te vervallen. Voorts heeft het hof de toegekende bedragen aan schadevergoeding alsmede de betalingsverplichtingen vermeerderd met de wettelijke rente. Het toegewezen bedrag bestaat blijkens ’s hofs overwegingen uit een bedrag van € 1.102,50 als vergoeding voor materiële schade en uit een bedrag van € 897,50 als vergoeding van immateriële schade. Het bedrag van € 1.102,50 als vergoeding voor materiële schade komt precies overeen met de in de voegingsformulier opgevoerde kostenpost: ‘kosten voor rechtsbijstand’. Ik houd het er vanwege die treffende gelijkenis voor dat het hof met de materiële schade het oog heeft gehad op de kosten voor rechtsbijstand. Voor het overige heeft het hof de vordering tot schadevergoeding afgewezen – hetgeen een aanwijzing is dat het hof inderdaad geen onderscheid heeft gezien tussen de eigenlijke schade en de gevorderde kosten voor rechtsbijstand.

Het hof heeft aldus onder het toegekende bedrag aan schadevergoeding de kosten voor rechtsbijstand begrepen en heeft dientengevolge die kosten ook in aanmerking genomen bij de oplegging van de maatregel van art. 36f lid 1 Sr. Daarmee heeft het hof miskend hetgeen hiervoor onder 6.2 is overwogen. Hierbij teken ik aan dat in (de toelichting op) het middel niet wordt geklaagd over het – nog steeds aldus begrepen - oordeel van het hof dat de door de benadeelde partij gevorderde kosten voor rechtsbijstand toewijsbaar zijn. In het middel wordt uitsluitend geklaagd over de in verband daarmee opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Dat betekent dat – gelet op de spaarzame toepassing van ambtshalve cassatie - de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij ongewijzigd in stand zal dienen te blijven. Ik heb mij daarom nog afgevraagd of er zodoende nog wel enig belang is bij cassatie op het punt van de schadevergoedingsmaatregel – het gehele bedrag van € 2000,- (plus de wettelijke rente) zal immers hoe dan ook betaald moeten worden door de verdachte. Maar er is toch een niet onbelangrijk verschil tussen de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel, omdat aan de laatstgenoemde figuur vervangende hechtenis is gekoppeld. Bij een lagere schadevergoedingsmaatregel hoort een lager aantal dagen vervangende hechtenis. Dat belang in aanmerking nemend kan de bestreden uitspraak in zoverre niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak om redenen van doelmatigheid zelf afdoen.

Het middel slaagt.

7. Het eerste, het tweede, en het derde middel kunnen worden afgedaan met de in art. 81 lid 1 RO bedoelde motivering. Het vierde middel is terecht voorgesteld.

8. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

9. Deze conclusie strekt ertoe het bestreden arrest te vernietigen, doch uitsluitend ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel die ten behoeve van de benadeelde partij [betrokkene 1] is opgelegd, en te dien aanzien tot zodanige op art. 440 Sv berustende beslissing als de Hoge Raad gepast voorkomt, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?