16/04488
Mr. F.F. Langemeijer
21 oktober 2016
Conclusie inzake:
[betrokkene]
tegen
Officier van Justitie Noord-Nederland
In deze Bopz-zaak is een voorlopige machtiging verleend. Naast een klacht over de wijze van oproepen voor de mondelinge behandeling, wordt de vaststelling van een stoornis van de geestvermogens van betrokkene in cassatie bestreden.
1. Feiten en procesverloop
Op 27 mei 2016 heeft de officier van justitie aan de rechtbank Noord-Nederland verzocht een voorlopige machtiging te verlenen om betrokkene te doen opnemen en te doen verblijven in een psychiatrisch ziekenhuis. Bij het verzoekschrift is onder meer een geneeskundige verklaring overgelegd, opgemaakt en ondertekend door een niet bij de behandeling betrokken psychiater.
Op 6 juni 2016 heeft de rechtbank betrokkene gehoord, in aanwezigheid van zijn advocaat en de behandelend psychiater. Blijkens de beschikking van de rechtbank en het proces-verbaal, heeft de rechter betrokkene in de deuropening van diens woning gehoord. Betrokkene heeft aan de rechter te kennen gegeven dat hem niets mankeert en dat hij geen contact met de GGZ wil. Vervolgens heeft betrokkene het gesprek beëindigd en de deur van zijn woning gesloten. Nadien heeft de rechter de advocaat en de behandelend psychiater gehoord ten kantore van de psychiater.
Bij beschikking van 6 juni 2016 heeft de rechtbank een voorlopige machtiging verleend om betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen en te doen verblijven tot en met 6 december 2016.
Namens betrokkene is – tijdig − beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweer gevoerd.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1 heeft betrekking op de oproeping voor de mondelinge behandeling. Onderdeel 2 heeft betrekking op de hoorplicht als bedoeld in art. 8 Wet Bopz. Onderdeel 3 ziet op de vaststelling van een relevante stoornis van de geestvermogens.
In onderdeel 1 wordt geklaagd dat betrokkene niet op de juiste wijze is opgeroepen om door de rechtbank te worden gehoord: het huisnummer was in de oproepingsbrief onjuist vermeld (18 in plaats van 18b). Betrokkene heeft de oproep dan ook niet, althans niet tijdig, ontvangen. Volgens de toelichting op deze klacht werd pas op 6 juni 2016, de dag van het verhoor, nadat de rechter bij de woning met het huisnummer zoals vermeld in de oproepingsbrief had aangebeld, duidelijk dat de oproepingsbrief verkeerd was geadresseerd en op het verkeerde adres was aangekomen. De rechter ontving de oproepingsbrief retour en is daarmee naar het juiste adres gegaan. Betrokkene werd daar aangetroffen. De rechter heeft de oproepingsbrief toen alsnog aan betrokkene overhandigd.
In de verzoekschriftprocedure vindt de oproeping van belanghebbenden voor de mondelinge behandeling plaats door de griffier. Ingevolge art. 271 Rv geschiedt de oproeping van in de procedure verschenen belanghebbenden door de griffier bij gewone brief, tenzij de rechter anders bepaalt. De oproeping van niet in de procedure verschenen belanghebbenden geschiedt bij aangetekende brief, tenzij de rechter anders bepaalt (art. 272 Rv). Oproepingen vermelden de plaats, de dag en het uur van de terechtzitting. Zij worden zo spoedig mogelijk en ten minste een week voor de zittingsdag verzonden, tenzij de rechter anders bepaalt (art. 276 lid 1 Rv). Indien de griffier een aangetekend verzonden oproeping terugontvangt en hem blijkt dat de geadresseerde op dag van verzending of uiterlijk een week nadien in de daartoe bestemde registers ingeschreven stond op het op de oproeping vermelde adres, verzendt hij de oproeping onverwijld bij gewone brief. In de overige gevallen waarin de griffier de aangetekend verzonden oproepingsbrief terug ontvangt, verbetert de griffier, indien mogelijk, het op de oproeping vermelde adres en verzendt hij de oproeping opnieuw bij aangetekende brief, tenzij de rechter anders bepaalt (art. 275 Rv). Wanneer een op te roepen belanghebbende niet ter zitting verschenen is, onderzoekt de rechtbank of deze voorschriften zijn nagekomen. Een voorbeeld van een verder gaande onderzoeksplicht (niet alleen naar de verzending, maar ook naar de ontvangst van de oproepingsbrief) is een uitspraak van 16 november 2012 in een familierechtelijke verzoekschriftprocedure, waarin de Hoge Raad overwoog:
“Op zichzelf kan op grond van art. 271 Rv bij de oproeping van verzoekers en van in de procedure verschenen belanghebbenden worden volstaan met een gewone brief, zoals in dit geval is gebeurd blijkens de door Advocaat-Generaal bij het hof opgevraagde kopieën van de oproepingsbrieven. Dit levert in beginsel een deugdelijke oproeping op. Gelet op het fundamentele belang van het beginsel van hoor en wederhoor, waarvan de naleving essentieel is voor een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak, dient de rechter evenwel, indien sprake is van feiten of omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs twijfel kan bestaan of de oproep door de opgeroepene is ontvangen, onderzoek naar die ontvangst te doen en, indien daartoe aanleiding bestaat, de datum van de mondelinge behandeling te verplaatsen of een nieuwe mondelinge behandeling te bepalen.” (rov. 3.4)
Indien de op te roepen belanghebbende in persoon voor de rechter verschijnt, zoals in dit geval, behoeft de wijze waarop die persoon voor die zitting is opgeroepen geen onderzoek meer. In zoverre mist betrokkene belang bij zijn klacht over de oproeping aan een verkeerd adres. Indien de belanghebbende in een verzoekschriftprocedure klaagt over een te korte voorbereidingstijd, omdat de oproepingsbrief hem op een laat tijdstip heeft bereikt, kan uit het beginsel van hoor en wederhoor een verplichting voor de rechter voortvloeien om desverzocht de behandeling van de zaak aan te houden, tot een zodanig tijdstip dat de betrokken belanghebbende wél voldoende mogelijkheden heeft om zijn verdediging voor te bereiden. In de wet is geen sanctie gesteld op het te laat verzenden van de oproepingsbrief. Zowel in het geval dat de oproepingsbrief te laat door de griffier is verstuurd als in het geval dat de rechter ambtshalve een kortere termijn voor de oproeping bepaalt wordt de ondergrens gevormd door het beginsel van hoor en wederhoor. In het onderhavige geval blijkt uit niets dat de betrokkene zelf of zijn advocaat heeft verzocht om een aanhouding van de mondelinge behandeling ter voorbereiding van de verdediging. Om deze redenen leidt onderdeel 1 niet tot cassatie.
Onderdeel 2 klaagt dat de hoorplicht is geschonden omdat, nu betrokkene niet op de juiste wijze is opgeroepen, niet vaststaat of betrokkene op de hoogte was van het verzoek van de officier van justitie en van de onderliggende stukken.
Op grond van art. 8 lid 1 Wet Bopz dient de rechtbank de betrokken persoon te horen voordat zij over het verzoek beschikt, tenzij de rechter vaststelt dat betrokkene niet bereid is zich te doen horen. Dit voorschrift waarborgt niet alleen het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor, maar waarborgt ook dat iemand niet van zijn vrijheid wordt beroofd zonder dat hij, indien hij dat wenst, door de rechter wordt gehoord. Dit voorschrift kan ook van belang zijn in gevallen waarin de betrokken patiënt wel aanwezig is, maar bijvoorbeeld als gevolg van zijn medische toestand op het door de rechtbank bepaalde tijdstip feitelijk niet in staat is tot een gesprek. In het onderhavige geval is betrokkene verschenen en ook door de rechter gehoord. Hij heeft een korte verklaring afgelegd en heeft geweigerd de rechter verder te woord te staan. Noch uit de beschikking noch uit het proces-verbaal heb ik ook maar enigszins kunnen afleiden dat (toen naar voren is gebracht dat) betrokkene niet zou hebben begrepen dat hij door een rechter werd gehoord, voor welk doel de rechter bij hem aan huis kwam en welk verzoek van de officier van justitie aan de orde was. Betrokkene heeft het recht zich uit te laten over de bescheiden en andere gegevens die in de procedure ter kennis van de rechter zijn gebracht (zie art. 19 Rv). Deze bescheiden plegen te worden toegezonden aan de advocaat die als procesvertegenwoordiger van de betrokkene optreedt. Niet is beweerd dat de advocaat niet alle bescheiden in afschrift heeft ontvangen en deze met betrokkene heeft kunnen bespreken. Noch betrokkene zelf noch zijn advocaat heeft om aanhouding van de behandeling verzocht om bepaalde stukken nader te bestuderen of anderszins de verdediging te kunnen voorbereiden. Om deze redenen faalt ook dit middelonderdeel.
Onderdeel 3 klaagt over de vaststelling dat uit de geneeskundige verklaring en het verhoor gebleken is dat betrokkene lijdt aan een stoornis van de geestvermogens die betrokkene gevaar doet veroorzaken. Het gaat om het gevaar (a) dat betrokkene maatschappelijk ten onder gaat en (b) dat betrokkene zichzelf in ernstige mate zal verwaarlozen. Volgens de klacht is deze vaststelling rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd: er zou niet meer zijn gebleken dan het vermoeden van een stoornis. Het vermoeden van een stoornis is niet voldoende voor het verlenen van een voorlopige machtiging als bedoeld in art. 2 Wet Bopz.
Op grond van art. 2, lid 1 en lid 2, Wet Bopz kan een voorlopige machtiging slechts worden verleend indien de betrokkene aan een stoornis van de geestvermogens lijdt en, naar het oordeel van de rechter, (a) deze stoornis van de geestvermogens de betrokkene gevaar doet veroorzaken, en (b) dit gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend. In het onderhavige geval is betrokkene onderzocht door een niet bij de behandeling betrokken psychiater. Aan het slot van de geneeskundige verklaring heeft deze geconcludeerd dat betrokkene lijdt aan een stoornis van de geestvermogens als gevolg waarvan hij gevaar doet veroorzaken dat niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend. Deze stoornis is in de geneeskundige verklaring omschreven als “sterk vermoeden op paranoïd psychotisch toestandsbeeld” en gerubriceerd onder: “overige (incl. ongespecificeerde) psychotische stoornissen” en/of “ernstige gedragsstoornissen”. In de toelichting (rubriek 6) heeft de rapporterende psychiater vermeld: “Er lijkt geen sprake van ziektebesef en –inzicht. Alle hulp, in welke vorm dan ook wordt afgeweerd. Ambulante ondersteuning komt niet tot stand. Er is geen duidelijk zicht op welke psychiatrische problematiek nu precies speelt, omdat betrokkene nog niet door een psychiater is gezien.”
Ik breng in herinnering dat de Wet Bopz gedurende enige tijd een bepaling heeft gekend waarin de observatiemachtiging was geregeld: art. 14h (oud) Wet Bopz. Art. 5, lid 1 onder e, EVRM laat slechts zeer beperkt ruimte voor vrijheidsontneming op deze grond van personen, ten aanzien van wie nog niet door een psychiater is vastgesteld dat zij lijden aan een stoornis van de geestvermogens: te denken valt aan acute crisissituaties, waarin het psychiatrisch onderzoek eerst kan plaatsvinden na aanvang van de vrijheidsontneming. De Hoge Raad heeft, dienovereenkomstig, de mogelijkheden voor het verlenen van een machtiging ter observatie beperkt uitgelegd. Volledigheidshalve zij opgemerkt dat een ‘observatiemaatregel’ is voorgesteld in art. 7A:1 – 7A:6 van het meermalen gewijzigde wetsvoorstel Wet verplichte ggz, dat momenteel bij de Tweede Kamer in behandeling is. Het voorgestelde artikel 7A:1 lid 1 luidt:
“De burgemeester kan ten aanzien van een persoon die zich in zijn gemeente bevindt een observatiemaatregel nemen teneinde betrokkene op te doen nemen in een accommodatie, indien:
a. in voldoende mate van aannemelijkheid kan worden aangenomen dat de betrokkene aan een psychische stoornis lijdt,
b. het ernstige vermoeden bestaat dat die stoornis ernstig nadeel doet veroorzaken, en
c. de situatie dermate ernstig is dat de procedure voor een zorgmachtiging niet kan worden afgewacht.”
Art. 2 vereist dát sprake is van een stoornis die de betrokkene gevaar doet veroorzaken en de vrijheidsontneming rechtvaardigt, maar sluit niet uit dat psychiaters verschillend oordelen over de (psychiatrische) kwalificatie van die stoornis. In de geneeskundige verklaring, waarop de rechtbank haar beslissing baseert, is niet gezegd dat (slechts) een vermoeden bestaat dat betrokkene lijdt aan een stoornis van de geestvermogens die hem gevaar doet veroorzaken. De rapporterende psychiater [psychiater 1] heeft, binnen de grenzen van zijn vakgebied, tot uitdrukking gebracht dat uit zijn onderzoek is gebleken dát betrokkene lijdt aan een stoornis van de geestvermogens die hem gevaar doet veroorzaken, maar dat nader (psychiatrisch) onderzoek nodig is om de diagnose te preciseren. Vooralsnog heeft hij de bij betrokkene aanwezige stoornis van de geestvermogens gerubriceerd als ‘overige psychotische stoornissen’ en/of ‘ernstige gedragsstoornissen’. In de redenering van de rechtbank, die naar de geneeskundige verklaring verwijst, is dus sprake van meer dan een vermoeden dat betrokkene aan een geestelijke stoornis lijdt. Voor zover de klacht op een andere lezing berust, mist zij feitelijke grondslag.
In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling is als verklaring van de behandelend psychiater [psychiater 2] opgenomen:
“er is een ernstig vermoeden van een stoornis. Niemand krijgt de vinger er precies achter wat bij betrokkene speelt, maar als je kijkt naar de leefomstandigheden van betrokkene, hoe hij omgaat met zijn diabetes en zijn ruzies met buren en instanties, dan is er wel een ernstig vermoeden van een stoornis.”
De rechtbank, als rechter die over de feiten oordeelt, had de bevoegdheid om het voorhanden bewijsmateriaal te waarderen en, in dit geval, meer gewicht te hechten aan de (wat stelliger geformuleerde) schriftelijke verklaring van de rapporterende psychiater dan aan de (met wat meer twijfel omgeven) mondelinge verklaring van de behandelende psychiater. De klachten van onderdeel 3 stuiten hierop af.
Onderdeel 4 klaagt dat, nu slechts een vermoeden van een geestelijke stoornis bestond, onbegrijpelijk is waarom de rechtbank de voorlopige machtiging niet voor een kortere geldigheidsduur heeft verleend, zoals de advocaat van betrokkene subsidiair had bepleit. Bezien in het licht van art. 5 EVRM, had de machtiging voor een kortere duur dan het wettelijk maximum van zes maanden verleend moeten worden.
De klacht mist feitelijke grondslag om dezelfde reden als onderdeel 3. Een voorlopige machtiging heeft een geldigheidsduur van ten hoogste zes maanden na haar dagtekening (art. 10 lid 4 Wet Bopz). De advocaat van betrokkene heeft tijdens de zitting subsidiair verzocht om een machtiging voor een kortere duur, bijvoorbeeld 2 à 3 maanden. Dit verzoek was niet nader onderbouwd met feiten of omstandigheden. De rechtbank kan kiezen voor een kortere duur indien zij een heroverweging op kortere termijn dan gewoonlijk noodzakelijk acht. Het onderdeel slaagt ook daarom niet. Overigens kan de betrokken patiënt na het verlenen van een machtiging steeds op grond van art. 48 Wet Bopz om ontslag uit het ziekenhuis vragen.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
plv.