ECLI:NL:PHR:2016:1144

ECLI:NL:PHR:2016:1144, Parket bij de Hoge Raad, 20-09-2016, 15/00640

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 20-09-2016
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 15/00640
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2016:2645
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830

Samenvatting

Profijtontneming. W.v.v. uit hennepkwekerij. Aftrek elektriciteitskosten. Hof heeft alleen het deel van de door de moeder van betrokkene voorgeschoten elektriciteitsrekening, dat door betrokkene daadwerkelijk is terugbetaald, aangemerkt als kosten die in directe relatie staan tot de hennepteelt. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met nr. 15/00657 P (niet gepubliceerde peek).

Uitspraak

4. Nadat op 10 november 2015 bij kennelijke vergissing een afschrift van de aanvulling bewijsmiddelen in de ontnemingszaak tegen de medeveroordeelde [medeveroordeelde] naar de raadsvrouwe was toegezonden, heeft een gerechtssecretaris van de Hoge Raad op 26 augustus 2016 alsnog de aanvulling bewijsmiddelen in de ontnemingszaak tegen de betrokkene naar de raadsvrouwe toegezonden. Daarbij is in overleg met de rolraadsheer een nadere termijn verleend teneinde de raadsvrouwe in de gelegenheid te stellen om na kennisneming van dit stuk de eerder ingediende schriftuur te wijzigen, aan te vullen dan wel één of meerdere middelen in te trekken. Deze nadere termijn is op 9 september 2016 geëindigd.

5. Op 7 september 2016 heeft mr. J.I. Veldhuis-Lampe namens de betrokkene een gewijzigde cassatieschriftuur ingediend. Daarin heeft zij het eerste middel van cassatie, dat de klacht behelst dat de uitspraak van het hof niet de gebezigde bewijsmiddelen bevat en dat een aanvulling bewijsmiddelen die betrekking heeft op de onderhavige ontnemingszaak ontbreekt, ingetrokken. Voorts heeft zij een paar kleine tekstuele aanpassingen aangebracht in het tweede middel.

6. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte niet heeft beraadslaagd op de grondslag van het onderzoek ter terechtzitting door de verklaring, die de medeveroordeelde [medeveroordeelde] op de terechtzitting in hoger beroep in zijn eigen zaak heeft afgelegd, als bewijsmiddel te bezigen.

7. De betrokkene heeft samen met haar voormalige partner [medeveroordeelde] en een derde persoon ([betrokkene 1]) in de periode van 1 juli 2009 tot en met 5 maart 2010 een hennepkwekerij met in totaal 880 hennepplanten gehad op de zolder van haar woning in Dalfsen, een vrijstaande boerderij die eigendom was van haar ouders. Het hof heeft het wederrechtelijk voordeel, dat de betrokkene uit deze hennepteelt heeft verkregen, geschat op een bedrag van € 16.186,64. Daartoe heeft het hof onder “de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel” het volgende overwogen:

“De veroordeelde is bij beslissing van rechtbank Zwolle-Lelystad van 24 mei 2012 (parketnummer 07-650300-10) terzake van het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod en diefstal van elektriciteit door middel van verbreking veroordeeld tot straf.

Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat veroordeelde uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.

Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dat voordeel op een bedrag van € 27.216,66 (zevenentwintigduizend tweehonderdenzestien euro en zesenzestig cent). Het hof komt als volgt tot deze schatting:

Berekening van het voordeel

Voor wat betreft de hoogte van de inkomsten en/of kosten geldt dat veroordeelde zelf heeft verklaard dat zij en [medeveroordeelde] hooguit € 3.000,- à € 4.000,- hebben gekregen en dat de overige opbrengst naar [betrokkene 1] is gegaan. Deze verklaring van veroordeelde wordt niet door enig ander stuk in het dossier bevestigd zodat het hof deze verklaring bij de berekening van het genoten voordeel niet als uitgangspunt zal nemen.

Veroordeelde bestrijdt niet dat er sprake is geweest van twee oogsten.

In de hoofzaak is door de rechtbank bewezenverklaard dat veroordeelde zich schuldig heeft gemaakt aan hennepteelt in de periode van 1 juli 2009 tot en met 5 maart 2010.

Voldoende aannemelijk is dat veroordeelde samen met haar mededaders uit de hennepkwekerij inkomsten heeft gehad.

Een schatting van het verkregen voordeel geschiedt op basis van aanwezige bewijsmiddelen. Een dergelijk schatting is neergelegd in het proces-verbaal berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 11 juni 2010. Hetgeen daarin is vermeld biedt een deugdelijke basis voor het maken van een schatting van het door veroordeelde verkregen voordeel.

Uitgangspunten berekening

Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebruik gemaakt van de standaardnorm “Wederechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht” van het Bureau Ontnemingwetgeving Openbaar Ministerie, uitgegeven in april 2005.

De op 11 juni 2010 geldende kiloprijs gedroogde hennep bedraagt € 3.306,- per kilo.

Opbrengst

In deze rapportage wordt uitgegaan van:

4 kweekruimtes met elk 220 hennepplanten. Dat zijn in totaal 880 planten, waarbij twee maal een geslaagde oogst heeft plaatsgevonden.

De 880 planten zouden met een gemiddelde opbrengst van 23 gram per plant bij twee oogsten in totaal 40,48 kilogram verkoopbaar hennepproduct opleveren.

Tegen een verkoopprijs van € 3.306,- per kilo zou dit een opbrengst betekenen van 2 oogsten x 880 planten = 40,48 x € 3.306,- opbrengst per gram = € 133.826,88

Kosten

Bij deze berekening wordt uitgegaan van onkosten per plant, waarbij is inbegrepen de aankoop van de plant en de pot- en groeimiddelen die nodig zijn voor het opkweken van de plant. Per plant wordt hiervoor een bedrag gerekend van € 4,40 (4 kweekruimtes x 2 oogsten =) 8 x 220 x € 4,40 = € 7.744,00

Afschrijvingskosten

Ten aanzien van de afschrijving wordt uitgegaan van een afschrijving van het normbedrag van € 200,- per oogst per kweekruimte, volgens de standaardberekening (tabel 8 blz. 33)

8 x 200 = € 1.600,00

Knipkosten

Bij deze berekening wordt uitgegaan van knipkosten per plant. Per plant wordt hiervoor een bedrag gerekend van € 2,00. (pag. 41 rapport BOOM)

8x 220 x € 2,00 = € 3.520,-

Totaal aan kosten hennepkwekerij € 12.864,00

Het wederrechtelijk verkregen voordeel bedraagt dan:

Opbrengst hennepkwekerij €133.826,88

minus kosten hennepkwekerij € 12.864,00

Wederrechtelijk verkregen voordeel € 120.962,88

Inkomsten verdachten

Het hof acht, evenals de rechtbank, de verklaring van veroordeelde dat zij en [medeveroordeelde] 30 % van de opbrengst van de hennepkwekerij zouden ontvangen, geloofwaardig en betrouwbaar. Het hof gaat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van twee oogsten waaruit veroordeelde voordeel heeft genoten en bij [medeveroordeelde] van slechts één oogst, gelet op zijn vertrek uit de woning eind 2009.

Op grond van vorenstaande stelt het hof het bedrag vast op:

ten aanzien van de eerste oogst:

30 % van € 60.481,44 = € 18.114,43 voor veroordeelde en [medeveroordeelde] samen.

ten aanzien van de tweede oogst:

30 % van € 60.481,44 = € 18.114,43 voor veroordeelde alleen

Het wederrechtelijk verkregen voordeel van Houtzeel alleen bedraagt derhalve

ten aanzien van de eerste oogst: € 9.072,21

ten aanzien van de tweede oogst: € 18.114,43

zijnde in totaal: € 27.186,64

Door de verdediging is bepleit dat de electriciteitskosten in mindering dienen te worden gebracht nu veroordeelde inmiddels de factuur van energiebedrijf Enexis voor een bedrag van € 19.306,10 heeft voldaan.

Ter zitting van het hof heeft veroordeelde verklaard dat de energierekening door haar moeder is voldaan, maar dat zij dit bedrag aan haar moeder moet terugbetalen. Veroordeelde heeft tevens verklaard dat zij tot op heden ongeveer € 11.000,- daadwerkelijk aan haar moeder heeft terugbetaald. Het hof zal dit laatste bedrag - als zijnde kosten - in mindering brengen.

De omvang van het wederrechtelijk genoten voordeel wordt derhalve bepaald op (€ 27.186,64 minus € 11.000,-) € 16.186,64”

8. Het hof heeft de schatting van het wederrechtelijk voordeel dat de betrokkene heeft verkregen uit de hennepteelt aan de volgende bewijsmiddelen ontleend:

(i) Een proces-verbaal van bevindingen van de politie van 7 april 2010, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten:

“Op 5 maart 2010 hebben wij een onderzoek ingesteld terzake verdenking van een overtreding van de Opiumwet betreffende het adres [a-straat 1] te Dalfsen. Op de zolder boven de paardenstallen van de zich op dat adres bevindende boerderij troffen wij een in werking zijnde hennepkwekerij aan. Op de zolder zagen wij in totaal 4 kamers. In elke kamer was een kweekruimte met hennepplanten.

In elke kamer bevonden zich 220 hennepplanten.

Aannemelijk is dat er sprake is geweest van meerdere eerdere oogsten van hennep, op basis van de volgende aanwijzingen:

- Er lag dik stof op het Stoffilter van de koolstofcilinder,

- kalk en alg aanslag in het watervat en kalk en roest op het verwarmingselement in het watervat,

- het geregistreerde stroomverbruik was dermate afwijkend ten opzichte van een gemiddeld gebruik.”

(ii) Een proces-verbaal van politie betreffende “berekening wederrechtelijk verkregen voordeel” van 11 juni 2010, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 1], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten:

“Van augustus 2009 tot en met 5 maart 2010 zijn circa 31 weken. De huidige aangetroffen vier kweekruimtes waren ongeveer 7 weken oud. Vanaf augustus 2010 wordt een opbouwfase gerekend van ongeveer 2 a 4 weken. Voor 1 oogst is ongeveer 10 weken nodig. Omgerekend houd je dan maximaal 2 periodes over waarin een volledige eerdere oogst heeft plaatsgevonden. In de 4 kweekruimtes stonden gemiddeld 24,4 planten per m2. In het voordeel van verdachte is dit afgerond naar 25 planten per m2.”

(iii) Een op 5 maart 2010 bij de politie afgelegde verklaring van de betrokkene, voor zover inhoudende:

“[medeveroordeelde] is op oudejaarsavond vorig jaar vertrokken.

Ik wist al sinds augustus vorig jaar dat de kwekerij er zat. [medeveroordeelde] had van iemand het aanbod gekregen om op de zolder een hennepkwekerij in te richten en dat wij van de oogst van de kwekerij een gedeelte zouden ontvangen, te weten dertig procent. Er is volgens mij al een paar keer geoogst.”

(iv) De op de terechtzitting in hoger beroep van 15 januari 2015 afgelegde verklaring van de betrokkene, voor zover inhoudende:

“Ik woon op het adres [a-straat 1] te Dalfsen. Ik wist dat daar op zolder een hennepkwekerij in werking was. Er zijn twee oogsten geweest.”

9. Het middel neemt tot uitgangspunt dat het hof voor het bewijs gebruik heeft gemaakt van de op de terechtzitting in hoger beroep in de ontnemingszaak tegen de medeveroordeelde [medeveroordeelde] afgelegde verklaring van [medeveroordeelde]. Dit uitgangspunt berust op een verkeerde lezing van de hiervoor weergegeven inhoud van de aanvulling bewijsmiddelen in de onderhavige ontnemingszaak en mist daardoor feitelijke grondslag. Als bewijsmiddel 4 heeft het hof daarin immers niet de verklaring van [medeveroordeelde], maar de op de terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van de betrokkene zelf tot het bewijs gebezigd.

10. Zoals blijkt uit de toelichting, behelst het middel voorts de klacht dat het oordeel van het hof dat de opbrengst van de eerste oogst aan de betrokkene en de medeveroordeelde [medeveroordeelde] ten goede is gekomen maar dat de opbrengst van de tweede oogst enkel en alleen aan de betrokkene ten goede is gekomen, onbegrijpelijk is.

11. Wat betreft de mate van toerekening van het door het hof vastgestelde totale wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene geldt niet de eis dat de daaraan ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aan wettige bewijsmiddelen moeten zijn ontleend. Voldoende is dat die feiten en omstandigheden, zoals een bepaalde rolverdeling, uit het onderzoek ter terechtzitting zijn gebleken.

12. Uit de hiervoor onder 7 weergegeven overwegingen blijkt dat het hof het totale wederrechtelijk verkregen voordeel uit de hennepkwekerij op basis van twee oogsten heeft geschat op een bedrag van € 120.962,88. Ten aanzien van de mate van toerekening van dit totale voordeel aan de betrokkene is het hof, in navolging van de rechtbank, uitgegaan van de op 5 maart 2010 bij de politie afgelegde verklaring van de betrokkene, inhoudende dat zij en [medeveroordeelde] samen 30% van de totale opbrengst van de hennepkwekerij zouden ontvangen. Vervolgens heeft het hof, gelet op het vertrek van [medeveroordeelde] uit de woning eind 2009, vastgesteld dat de betrokkene uit twee oogsten voordeel heeft genoten en dat [medeveroordeelde] slechts uit één oogst voordeel heeft genoten. Gelet hierop heeft het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene geschat op € 27.186,64, op welk bedrag het hof nog een bedrag van € 11.000,- aan elektriciteitskosten in mindering heeft gebracht, zodat uiteindelijk € 16.186,64 resteert.

13. De feitelijke vaststelling van het hof dat de betrokkene uit twee oogsten voordeel heeft genoten en dat [medeveroordeelde] gelet op zijn vertrek uit de woning eind 2009 slechts uit één oogst voordeel heeft genoten, acht ik niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat de omstandigheid dat [medeveroordeelde] eind 2009 uit de woning van de betrokkene is vertrokken uit het onderzoek ter terechtzitting kan worden afgeleid. De betrokkene heeft op de terechtzitting in eerste aanleg van 10 mei 2012 immers zelf verklaard dat [medeveroordeelde] eind december 2009 weg is gegaan. Ook bij haar verhoor door de politie op 5 maart 2010 heeft de betrokkene verklaard dat [medeveroordeelde] op oudejaarsavond 2009 is vertrokken. Het hof heeft deze verklaring als bewijsmiddel 3 voor het bewijs gebruikt. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt in dat de voorzitter van het hof de korte inhoud van de stukken van de zaak mondeling heeft meegedeeld. Daartoe behoren de voornoemde verklaringen van de betrokkene. Gelet op hetgeen de raadsman van de betrokkene ten aanzien toerekening van het totale wederrechtelijk verkregen voordeel naar voren heeft gebracht, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering. Zoals blijkt uit zijn op de terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitaantekeningen, heeft de raadsman geen “toerekeningsverweer” gevoerd.

14. Ten overvloede merk ik nog op dat de medeveroordeelde [medeveroordeelde] op de terechtzitting in eerste aanleg van 10 mei 2012 in het bijzijn van de betrokkene en haar raadsman als getuige is gehoord. Daarbij is de raadsman van de betrokkene in de gelegenheid gesteld vragen te stellen aan deze getuige, terwijl de raadsman ook van die gelegenheid gebruik heeft gemaakt. Anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd, is de verdediging aldus in de gelegenheid gesteld de beweringen van [medeveroordeelde] tegen te spreken.

15. Het middel faalt.

16. Het derde middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte niet het volledige door de moeder van de betrokkene voorgeschoten gedeelte van de elektriciteitsrekening van Enexis B.V. in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft betrokken.

17. Zoals blijkt uit de op de terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitaantekeningen, heeft de raadsman van de betrokkene betoogd dat de betrokkene geen voordeel heeft behaald, aangezien de energiekosten van de hennepkwekerij voor rekening van de betrokkene zijn gekomen. De raadsman heeft daartoe een e-mailbericht van 7 januari 2015 van de klantenservice van Enexis B.V., gericht aan de betrokkene, en een factuur van 8 maart 2010 van Enexis B.V. ten name van de betrokkene en [medeveroordeelde] overgelegd. De factuur heeft betrekking op de (elektriciteits)schade die door een medewerker van Enexis B.V. is geconstateerd aan de woning van de betrokkene, onder meer opgebouwd uit de schadeposten “Verbruik Elektriciteit” en “Netwerkkosten Elektriciteit” en uitmondend in een totaalbedrag van € 19.306,10. In het e-mailbericht wordt bevestigd dat deze factuur op 9 maart 2010 is voldaan. Voorts heeft de betrokkene op de terechtzitting in hoger beroep verklaard dat haar moeder de energiekosten van Enexis B.V. tot een bedrag van € 19.306,10 heeft betaald, dat zij dit bedrag aan haar moeder moet terugbetalen, dat zij inmiddels al wat heeft afgelost en dat zij nog ongeveer € 8.000 aan haar moeder moet betalen. In reactie op de vraag van de voorzitter van het hof of zij kan aantonen dat zij aan haar moeder heeft betaald, heeft de betrokkene vervolgens verklaard dat zij een paard heeft verkocht, dat zij daar een kwitantie van heeft, dat zij het geld “zo” aan haar moeder heeft gegeven, dat haar moeder het geld voor de rekening ook “zo” heeft gegeven en dat zij aan haar moeder inmiddels € 10.000,- à € 11.000,- heeft terugbetaald. Tijdens de terechtzitting in eerste aanleg had de betrokkene verklaard dat haar moeder de desbetreffende rekening deels heeft betaald “en haar vriend”.

18. Zoals blijkt uit het slot van de hiervoor onder 7 weergegeven overwegingen, heeft het hof bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel in reactie op dit verweer elektriciteitskosten tot een bedrag van € 11.000,- in mindering gebracht op het door de betrokkene verkregen wederrechtelijk voordeel. Daartoe heeft het hof aansluiting gezocht bij de op de terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van de betrokkene, inhoudende dat zij tot dat moment ongeveer € 11.000,- daadwerkelijk aan haar moeder heeft terugbetaald.

19. Bij de bepaling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen slechts de kosten die in directe relatie staan tot het delict, gelden als kosten die voor aftrek in aanmerking komen. De wetgever heeft de rechter grote vrijheid gelaten of en, zo ja, in welke mate hij zodanige kosten in de berekening van het voordeel betrekt. De beslissing daaromtrent behoeft in het algemeen geen motivering. Indien evenwel namens de betrokkene gemotiveerd en met specificatie van de desbetreffende posten het verweer is gevoerd dat bepaalde kosten bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel dienen te worden betrokken, zal het hof bij verwerping van het verweer in zijn uitspraak gemotiveerd tot uitdrukking behoren te brengen hetzij dat de gestelde kosten niet kunnen gelden als kosten die in directe relatie staan tot het delict, hetzij dat zij wel als zodanig kunnen gelden maar dat zij - al dan niet gedeeltelijk - voor rekening van de betrokkene dienen te blijven. Deze motiveringsverplichting berust op art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv, welke bepaling ingevolge art. 511e, eerste lid, Sv van overeenkomstige toepassing is op de behandeling van een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

20. In de voornoemde overwegingen ligt als het oordeel van het hof besloten dat het resterende bedrag op de factuur van Enexis B.V. aan elektriciteitskosten (€ 19.306,10 -/- € 11.000,- = € 8.306,10), dat volgens de betrokkene door haar moeder is betaald, niet kan gelden als kosten die in directe relatie staan tot de door de betrokkene en haar mededaders gepleegde hennepteelt en die ten laste van de betrokkene komen. In het licht van hetgeen hiervoor onder 19 is voorop gesteld, geeft dit oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het niet onbegrijpelijk is. Daarbij moet worden bedacht dat het oordeel van het hof in hoge mate van feitelijke aard is en zich slechts in beperkte mate leent voor toetsing in cassatie. Het stond het hof vrij alleen het deel van de elektriciteitskosten dat door de betrokkene daadwerkelijk is (terug)betaald aan te merken als aftrekbare kosten en geen acht te slaan op het deel van die kosten dat door haar moeder is betaald en waarvan het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk onvoldoende aannemelijk acht dat deze kosten alsnog ten laste van de betrokkene komen én dat deze in directe relatie staan tot de twee oogsten waarop de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd. Voorts neem ik in aanmerking dat het hof in reactie op het in het middel bedoelde verweer een bedrag van € 11.000,- aan elektriciteitskosten in mindering heeft gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene en dat het hof bij de schatting van de hoogte van dit bedrag is uitgegaan van de verklaring van de betrokkene zelf. De raadsman en de betrokkene hebben niet gespecificeerd aangevoerd dat alle elektriciteitskosten zijn te relateren aan de twee oogsten en daadwerkelijk door de betrokkene zijn gedragen. Het had op de weg van de verdediging gelegen om bijvoorbeeld op de terechtzitting in hoger beroep nadere stukken over te leggen aan de hand waarvan haar standpunt zou kunnen worden onderbouwd. Gelet op hetgeen de verdediging ter onderbouwing van dit verweer heeft aangevoerd, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering. Aldus heeft het hof het desbetreffende onderdeel van het verweer op goede gronden en toereikend gemotiveerd verworpen.

21. In de toelichting op het middel wordt onder verwijzing naar een, aan de schriftuur gehechte, kopie van een bankafschrift aangevoerd dat de betrokkene intussen haar volledige schuld aan haar moeder heeft afbetaald.

22. Bij de stukken van het geding bevindt zich een brief met bijlagen van de betrokkene van 20 oktober 2015, gericht aan het hof. In deze brief heeft de betrokkene aan het hof verzocht de aan haar opgelegde betalingsverplichting te herzien, onder meer omdat zij de door haar moeder voorgeschoten elektriciteitskosten intussen volledig heeft terugbetaald aan haar moeder door een paardenvrachtwagen te verkopen en de opbrengst daarvan aan haar moeder te geven. Ter onderbouwing van deze stelling zijn aan deze brief verschillende bijlagen gehecht, waaronder een kopie van een bankafschrift betreffende de betrokkene van 31 augustus 2015. Dit betreft het bankafschrift dat ook aan de schriftuur is gehecht.

23. De brief en de aangehechte gegevens zijn opgemaakt ná de terechtzitting in hoger beroep op 15 januari 2015 en de uitspraak van het hof op 29 januari 2015. Aldus wordt een beroep gedaan op nieuwe gegevens, die niet aan het hof zijn voorgelegd. In cassatie kan evenwel niet met vrucht een beroep worden gedaan op gegevens waarop in feitelijke aanleg geen beroep is gedaan. De beoordeling van dergelijke gegevens vergt immers een onderzoek van feitelijke aard, waarvoor in cassatie geen plaats is. Aan een klacht over de (gedeeltelijke) verwerping van een kostenverweer kunnen in cassatie slechts gegevens ten grondslag worden gelegd die zijn gebleken uit het dossier waarover het hof ten tijde van de behandeling van de zaak in hoger beroep beschikte. In cassatie kan dus niet voor het eerst worden aangevoerd dat het hof (een deel van) het kostenverweer op bepaalde andere gronden op onbegrijpelijke wijze heeft verworpen. Daarop strandt de klacht.

24. Het middel faalt.

25. Het vierde middel bevat de klacht dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden bij de behandeling van de zaak in hoger beroep.

26. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:(i) De rechtbank heeft bij beslissing van 24 mei 2012 aan de betrokkene een ontnemingsmaatregel opgelegd. Namens de betrokkene is op 7 juni 2012 hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank.(ii) Uit een op de inventarislijst geplaatste stempel blijkt dat de stukken van het geding op 21 mei 2013 bij het hof zijn binnengekomen.(iii) De zaak is op de terechtzitting in hoger beroep van 15 januari 2015 in de aanwezigheid van de betrokkene en haar raadsman voor de eerste (en enige) keer behandeld.(iv) Het hof heeft bij uitspraak van 29 januari 2015 aan de betrokkene een ontnemingsmaatregel opgelegd.

27. Namens de betrokkene is op 7 juni 2012 hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank, waarna de stukken van het geding op 21 mei 2013 bij het hof zijn binnengekomen en het hof op 29 januari 2015 uitspraak heeft gedaan. Gelet op dit tijdsverloop, is de inzendingstermijn van acht maanden in hoger beroep met drie maanden en veertien dagen overschreden. Voorts is de uitspraaktermijn in hoger beroep met bijna zeven maanden en 22 dagen overschreden.

28. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden voorop gesteld. In cassatie kan niet met vrucht worden geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn als gevolg van het tijdsverloop vóór de uitspraak in hoger beroep, wanneer de zaak in hoger beroep in tegenwoordigheid van de betrokkene en diens raadsman is behandeld en op de terechtzitting in hoger beroep een dergelijk verweer niet is gevoerd.

29. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep en de op die terechtzitting door de raadsman overgelegde pleitaantekeningen blijkt niet dat de betrokkene en/of diens raadsman hebben aangevoerd dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. Daarbij is van belang dat de uitspraaktermijn in hoger beroep ten tijde van die terechtzitting reeds was overschreden. Daarop strandt het middel.

30. Anders dan de steller van het middel aanvoert, doet aan het voorgaande niet af dat de raadsman van de betrokkene ervan zou zijn uitgegaan dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene uit zou komen op een negatief bedrag (een verlies).

31. Het middel faalt.

32. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

33. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Deze schriftuur is op 27 november 2015 bij de Hoge Raad ingekomen. Door de intrekking van het eerste middel, is het tweede middel feitelijk het eerste middel geworden. Omwille van de leesbaarheid volg ik de aanduiding in de (gewijzigde) schriftuur. Vgl. HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3491, NJ 2015/62 m.nt. Reijntjes, rov. 3.3, HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9426, NJ 2010/407, rov. 2.4.2 en HR 30 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2142, NJ 2010/202, rov. 2.4. Zie het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 10 mei 2012, p. 2. Vgl. HR 31 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ1967, rov. 3.4, HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6894, NJ 2010/534, rov. 2.4, HR 5 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2913, NJ 2008/288 m.nt. Borgers, rov. 3.3 en 3.4, HR 15 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2230, rov. 3.5 en HR 30 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB3200, NJ 2002/124 m.nt. Mevis, rov. 3.3. Vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, achtste druk, Deventer: Kluwer 2015, p. 213 en 302-303 en HR 24 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1879, NJ 2004/225, rov. 4.4. Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, rov. 3.9 onder a.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?