6. Het centrale punt van de tweede klacht is dat het oordeel van het hof dat de raadsman van de verdachte niet op grond van art. 279 Sv uitdrukkelijk was gemachtigd tot het voeren van de verdediging onbegrijpelijk is. Daartoe wordt aangevoerd dat het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 31 juli 2015 inhoudt dat de raadsman heeft gesteld dat hij wel over een dergelijke machtiging beschikte. Dat proces-verbaal houdt evenwel ook in dat de raadsman nadien heeft verklaard dat hij slechts was gemachtigd tot het doen van een aanhoudingsverzoek en niet (ook) “voor de inhoudelijke behandeling van de zaak.” Het hof heeft dat kennelijk en niet onbegrijpelijk opgevat als een mededeling dat de raadsman niet gemachtigd was tot het voeren van de verdediging. De mededeling van de raadsman is onnavolgbaar. Als hij bedoelt te zeggen dat hij is gemachtigd om een aanhoudingsverzoek te doen ter effectuering van het aanwezigheidsrecht dan is dat niet te volgen omdat daarvoor geen machtiging nodig is, terwijl hij bovendien een dergelijk verzoek niet doet. Als hij bedoelt te zeggen dat hij is gemachtigd in het kader van een getuigenverzoek om aanhouding te vragen is dat een niet toegelaten beperking van een machtiging. Deze klacht mist eveneens feitelijke grondslag.
7. Tot slot wordt nog geklaagd over het oordeel van het hof dat de raadsman van de verdachte niet bevoegd was tot het doen van een wrakingsverzoek. Voor zover de opmerking dat het hier gaat om een “een onjuist en onhoudbaar standpunt/oordeel” van het hof al als een cassatieklacht moet worden gelezen, kan deze om de hiervoor besproken redenen niet tot cassatie leiden.
8. Het middel faalt evident en kan worden afgedaan op de voet van art. 80a RO.
9. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in cassatie.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG