ECLI:NL:PHR:2016:1164

ECLI:NL:PHR:2016:1164, Parket bij de Hoge Raad, 30-09-2016, 16/03895, 16/04137

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 30-09-2016
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 16/03895
Rechtsgebied Civiel recht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2016:2711
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 3 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001840 BWBR0005700

Samenvatting

BOPZ. Machtiging tot voortgezet verblijf. Voorwaardelijk ontslag. Intrekking voorwaardelijk ontslag en gedwongen opname na einde geldigheidsduur van de machtiging; strijd met art. 48 lid 1, onder b, Wet Bopz? HR 11 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2314, NJ 2011/404. Opvolgende machtiging tot voortgezet verblijf (HR 19 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1969, NJ 1996/604) in een geval waarin betrokkene niet meer in het psychiatrisch ziekenhuis verblijft. Art. 15 Wet Bopz.

Uitspraak

16/03895

16/04137

Mr. F.F. Langemeijer

30 september 2016

Conclusies inzake:

[betrokkene]

tegen

Officier van Justitie te Amsterdam

In deze twee met elkaar samenhangende zaken van dezelfde verzoeker neem ik identieke conclusies. Kan een voorwaardelijk ontslag uit het psychiatrisch ziekenhuis nog worden ingetrokken nadat de geldigheidsduur van de onderliggende rechterlijke machtiging is verstreken? Wat is daarvan het rechtsgevolg?

1. De feiten en het procesverloop

Bij beschikking van 1 oktober 2015 heeft de rechtbank Amsterdam machtiging verleend tot voortgezet verblijf van verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene) in een psychiatrisch ziekenhuis. Deze machtiging had een geldigheidsduur tot 2 april 2016. Betrokkene is op grond van deze machtiging opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis van GGZ InGeest te Amsterdam.

De geneesheer-directeur heeft op de voet van art. 47 Wet Bopz aan betrokkene voorwaardelijk ontslag uit het psychiatrisch ziekenhuis verleend met ingang van 22 oktober 2015. Daarbij heeft hij de bijzondere voorwaarde gesteld dat betrokkene de door de psychiater voorgeschreven medicatie zou blijven innemen.

Op 21 maart 2016 heeft de officier van justitie aan de rechtbank verzocht ten aanzien van betrokkene een voorwaardelijke machtiging te verlenen.

Met ingang van 2 april 2016 heeft betrokkene geweigerd de hem voorgeschreven medicatie in te nemen. Op 21 april 2016 – dat wil zeggen: na het verstrijken van de geldigheidsduur van de onder 1.1 genoemde machtiging tot voortgezet verblijf – heeft de geneesheer-directeur het door hem verleende voorwaardelijk ontslag ingetrokken op de grond dat betrokkene de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd. Hij heeft betrokkene op die datum onvrijwillig in het psychiatrisch ziekenhuis doen opnemen.

Op 22 april 2016 heeft de raadsvrouwe van betrokkene aan de officier van justitie verzocht betrokkene onmiddellijk in vrijheid te stellen en een beslissing van de rechtbank uit te lokken met betrekking tot de bezwaren van betrokkene tegen het onder 1.4 genoemde intrekkingsbesluit. Namens betrokkene heeft de raadsvrouwe het standpunt ingenomen dat op 21 april 2016 een intrekking van het voorwaardelijk ontslag met heropneming van betrokkene in het psychiatrisch ziekenhuis rechtens niet meer mogelijk was.

De officier van justitie heeft het verzoek van betrokkene op 25 april 2016 aan de rechtbank voorgelegd. Ten aanzien van dit verzoek heeft de officier van justitie het standpunt ingenomen dat intrekking van het voorwaardelijk ontslag op 21 april 2016 wel mogelijk was.

De rechtbank heeft het verzoek mondeling behandeld op 28 april 2016 in aanwezigheid van betrokkene, zijn raadsvrouwe, de plaatsvervangend geneesheer-directeur en de behandelend arts. Tijdens deze zitting heeft de raadsvrouwe aangevoerd dat de onvrijwillige heropneming van betrokkene in het psychiatrisch ziekenhuis tevens onrechtmatig is omdat, in strijd met de wet, niet een schriftelijke beslissing tot intrekking van het voorwaardelijk verleende ontslag aan betrokkene is uitgereikt. Bij beschikking van 28 april 2016 heeft de rechtbank de bezwaren van betrokkene verworpen en het onder 1.5 genoemde verzoek tot onmiddellijke invrijheidstelling afgewezen. Volgens de rechtbank kon de geneesheer-directeur gedurende vier weken na het verstrijken van de geldigheidsduur van de lopende machtiging (in dit geval: vier weken na 2 april 2016) het voorwaardelijk ontslag nog rechtsgeldig intrekken.

Inmiddels had de officier van justitie op 26 april 2016 ambtshalve aan de rechtbank verzocht een machtiging te verlenen tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis. De rechtbank heeft dit verzoek mondeling behandeld op 12 mei 2016 in aanwezigheid van betrokkene en zijn raadsvrouwe, de behandelend arts en een sociaal-psychiatrisch verpleegkundige.

Bij beschikking van 12 mei 2016 heeft de rechtbank de verzochte machtiging tot voortgezet verblijf verleend met een geldigheidsduur tot 13 mei 2017. Bij afzonderlijke beschikking van diezelfde datum heeft de rechtbank het (onder 1.3 hiervoor vermelde) verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een voorwaardelijke machtiging afgewezen.

Namens betrokkene is – telkens: tijdig – beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van 28 april 2016 en de beschikking van 12 mei 2016. In beide zaken is in cassatie geen verweerschrift ingediend.

2. Bespreking van het cassatiemiddel m.b.t. de intrekking voorwaardelijk ontslag (16/03895)

Onderdeel I is gericht tegen de verwerping van het verweer dat de vrijheidsbeneming ingevolge de beslissing van de geneesheer-directeur tot intrekking van het voorwaardelijk ontslag reeds onrechtmatig is omdat de geneesheer-directeur niet heeft voldaan aan het wettelijk voorschrift dat hij de patiënt uiterlijk vier dagen na de intrekking schriftelijk in kennis stelt van zijn beslissing, onder mededeling van de redenen die tot de intrekking hebben geleid. De klacht houdt in dat de rechtbank had moeten onderkennen dat, nu niet is voldaan aan dit voorschrift (mede beschouwd in het licht van art. 5, lid 1, aanhef en onder e, en lid 2, EVRM) aan betrokkene onrechtmatig de vrijheid is ontnomen.

Art. 47 lid 3 verwijst naar art. 46 lid 1 Wet Bopz. De bepaling houdt in dat de patiënt schriftelijk in kennis wordt gesteld van de beslissing van de geneesheer-directeur tot intrekking van het voorwaardelijk ontslag, onder mededeling van de redenen die tot de intrekking hebben geleid. Het vereiste van bekendmaking en motivering van het besluit volgt bovendien uit de Algemene wet bestuursrecht, waaronder art. 3:46 en 3:47 Awb. De motivering van de kennisgeving stelt de patiënt in staat om (te bezien of er aanleiding is om) in rechte op te komen tegen de beslissing tot intrekking van zijn voorwaardelijk ontslag. Uit art. 3:45 Awb volgt dat in of bij de kennisgeving moet worden vermeld dat art. 46 lid 2 Wet Bopz het mogelijk maakt via de officier van justitie een beslissing van de rechter uit te lokken met betrekking tot het besluit van de geneesheer-directeur tot intrekking van het voorwaardelijk ontslag.

Het oordeel van de rechtbank moet mijns inziens worden opgevat in deze zin dat het achterwege blijven van de schriftelijke kennisgeving van de beslissing tot intrekking geen afbreuk doet aan de beslissing zelf althans niet leidt tot het onrechtmatig verklaren van de vrijheidsbeneming, omdat betrokkene door het gestelde verzuim niet in zijn belangen is geschaad. Namens betrokkene is reeds op de dag na de vrijheidsbeneming een verzoek als bedoeld in art. 47 lid 3 in verbinding met art. 46 lid 1 Wet Bopz ingediend. Blijkens de inhoud van dit verzoek is de raadsvrouwe door de plaatsvervangend geneesheer-directeur op de hoogte gesteld van de redenen die tot intrekking van het voorwaardelijk ontslag hebben geleid. Tegen deze redenen zijn bezwaren geformuleerd in het verzoek aan de officier van justitie en bij de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling van het verzoek. Onderdeel I treft bij deze uitleg geen doel.

Onderdeel II is gericht tegen het oordeel dat de geneesheer-directeur het voorwaardelijk ontslag op 21 april 2016 nog kon intrekken en betrokkene onvrijwillig kon laten opnemen in het psychiatrisch ziekenhuis. De rechtsklacht houdt in dat het voorwaardelijk ontslag na het verstrijken van de geldigheidsduur van de machtiging tot voortgezet verblijf, dat wil zeggen: per 2 april 2016, tot een definitief ontslag uit het ziekenhuis is geworden. Het feit dat op 21 maart 2016, vóór het verstrijken van de geldigheidsduur, door de officier van justitie een verzoek is gedaan tot het verlenen van een voorwaardelijke machtiging, doet volgens de toelichting op de klacht daaraan niet af: een voorwaardelijke machtiging kan volgens het middelonderdeel niet worden gezien als een machtiging die aansluit op de bij beschikking van 1 oktober 2015 verleende machtiging tot voortgezet verblijf.

Ingevolge het bepaalde in art. 48 lid 1, aanhef en onder b, Wet Bopz verleent de geneesheer-directeur een patiënt op wie hoofdstuk II van de wet toepassing heeft gevonden ontslag uit het ziekenhuis zodra de geldigheidsduur van een van de in hoofdstuk II, paragrafen 1 tot en met 4 bedoelde rechterlijke machtigingen is verstreken, tenzij vóór het einde van de geldigheidsduur een verzoek is gedaan tot het verlenen van een aansluitende rechterlijke machtiging. In het laatste geval wordt ontslag uit het ziekenhuis verleend zodra op het verzoek is beschikt en de beschikking niet strekt tot voortgezet verblijf, dan wel de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken. In HR 11 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2314, Jvggz 2011/16 besliste de Hoge Raad dat een redelijke uitleg van art. 48 lid 1, aanhef en onder b, Wet Bopz meebrengt dat, indien een voorwaardelijke machtiging is aangevraagd in aansluiting op een (onvoorwaardelijke) verblijfsmachtiging, deze verblijfsmachtiging ‘nawerking’ ontbeert omdat de aangevraagde voorwaardelijke machtiging niet strekt tot voortzetting van het onvrijwillig verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis. In het onderhavige, daarmee vergelijkbare geval kan om die reden geen sprake zijn van ‘nawerking’ (als bedoeld in art. 48 lid 1, aanhef en onder b, Wet Bopz) van de bij beschikking van 1 oktober 2015 verleende machtiging tot voortgezet verblijf. Los van het antwoord op de – in dit geding niet aan de orde gestelde − vraag of de ‘nawerking’ van art. 48 lid 1 aanhef en onder b Wet Bopz kan meebrengen dat na afloop van de geldigheidsduur van de lopende machtiging een voorwaardelijk ontslag kan worden ingetrokken indien vóór het verstrijken van de geldigheidsduur een aansluitende machtiging tot voortgezet verblijf is verzocht, kon in dit geval het gegeven ontslag niet meer worden ingetrokken met onvrijwillige heropneming in het ziekenhuis. De rechtsklacht slaagt.

Anders dan de officier van justitie en de rechtbank hebben verondersteld, volgt uit HR 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1040, JVggz 2014/1, niet anders. In die zaak ging het om de ‘nawerking’ van een door de rechtbank verleende voorwaardelijke machtiging, op grond van art. 14f, aanhef en onder b, Wet Bopz, welke ‘nawerking’ daaruit bestond dat ook na het verstrijken van de geldigheidsduur van de voorwaardelijke machtiging, de voorwaardelijke machtiging nog kon worden geconverteerd in een (onvoorwaardelijke) voorlopige machtiging mits tijdig vóór het verstrijken van de geldigheidsduur een aansluitende (nieuwe) voorwaardelijke machtiging is verzocht. Voor analogische toepassing van art. 14f, onder b, Wet Bopz op de intrekking van een voorwaardelijk ontslag door de geneesheer-directeur biedt de wet geen ruimte. Bij intrekking van een voorwaardelijk ontslag uit het ziekenhuis herleeft weliswaar de oorspronkelijk gegeven verblijfstitel (in dit geval: de machtiging tot voortgezet verblijf van 1 oktober 2015), maar deze is niet vóór het verstrijken van de geldigheidsduur gevolgd door een verzoek van de officier van justitie om een aansluitende machtiging tot voortgezet verblijf zoals bedoeld in art. 48, lid 1 onder b, Wet Bopz. Daarenboven is een essentieel verschil tussen een voorwaardelijk ontslag uit het ziekenhuis en een voorwaardelijke machtiging dat in het eerste geval de inhoud van de voorwaarden wordt bepaald door de geneesheer-directeur; in het tweede geval door de rechter. Overigens heeft de rechtbank de vinger op een gevoelige plek in het systeem gelegd.

Onderdeel III klaagt dat de rechtbank het verzoek tot onmiddellijke invrijheidstelling ten onrechte heeft afgewezen. Het lot van deze klacht is afhankelijk van het resultaat van onderdeel II. Uit het slagen van onderdeel II volgt dat de rechtbank de bezwaren tegen de intrekking van het voorwaardelijk ontslag en de heropneming in het psychiatrisch ziekenhuis gegrond had moeten achten. Of dit ook leidt tot de gevolgtrekking dat betrokkene met onmiddellijke ingang in vrijheid moet worden gesteld, is mede afhankelijk van hetgeen in de parallelzaak door de Hoge Raad wordt beslist: bestaat inmiddels een andere geldige titel voor de vrijheidsbeneming? Deze vraag komt hieronder aan de orde.

3. Bespreking van het cassatiemiddel m.b.t. de machtiging voortgezet verblijf (16/04137)

Onderdeel I klaagt (i) dat de vrijheidsbeneming van betrokkene vanaf 21 april 2016 (datum intrekking voorwaardelijk ontslag) tot 12 mei 2016 (datum verlening machtiging tot voortgezet verblijf) onrechtmatig was, nu voor de intrekking van het voorwaardelijk ontslag geen basis in het recht bestond, zoals in het cassatiemiddel in de zaak 16/03895 is uiteengezet, en (ii) dat, zo al wordt aangenomen dat een machtiging tot voortgezet verblijf kon worden verzocht nadat de geldigheidsduur van de lopende machtiging was verstreken en door de rechtbank kon worden verleend, de geldigheidsduur van de die machtiging niet langer kan zijn dan ten hoogste één jaar, te rekenen vanaf de dag waarop de voorafgaande machtiging tot voortgezet verblijf was verstreken. In strijd met deze regel heeft de rechtbank een machtiging verleend met een geldigheidsduur tot 13 mei 2017 (in plaats van: tot 2 april 2017).

Onderdeel II hangt hiermee samen. Het klaagt dat de rechtbank op 12 mei 2016 in strijd met de wet een machtiging tot voortgezet verblijf heeft verleend, nu de geldigheidsduur van de voorafgaande machtiging tot voortgezet verblijf op 2 april 2016 verstreek. Volgens de toelichting op deze klacht was het op 22 oktober 2015 voorwaardelijk verleende ontslag op 2 april 2016 een definitief ontslag uit het ziekenhuis geworden. Dan kan niet worden gezegd dat betrokkene ingevolge een voorafgaande machtiging in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft, als bedoeld in art. 15 Wet Bopz.

In de zaak onder nummer 16/03895 heb ik het standpunt ingenomen dat in een geval als dit, waarin niet vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van de lopende machtiging tot voortgezet verblijf een aansluitende machtiging tot voortgezet verblijf is verzocht, het voorwaardelijk verleende ontslag uit het ziekenhuis na 2 april 2016 niet meer kon worden ingetrokken, althans niet meer kon leiden tot onvrijwillige heropneming in het psychiatrisch ziekenhuis. Echter, de veronderstelling dat voor de vrijheidsbeneming in het tijdvak van 21 april 2016 tot 12 mei 2016 geen wettelijke grondslag bestond en die vrijheidsbeneming dus onrechtmatig is geweest, voert op zich niet tot de gevolgtrekking dat de rechtbank op 12 mei 2016 de verzochte machtiging tot voortgezet verblijf niet had mogen verlenen.

In HR 19 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1969, NJ 1996/604 m.nt. J. de Boer, is uitgemaakt dat, ook na het verstrijken van de geldigheidsduur van een lopende machtiging, op grond van art. 15 lid 3 Wet Bopz een machtiging tot voortgezet verblijf kan worden verzocht en verleend. Dat oordeel is gebaseerd op de gedachte dat een procedurefout – een te laat ingediende vordering – niet tot gevolg zou moeten hebben dat opnieuw moet worden begonnen met een voorlopige machtiging (met een geldigheidsduur van ten hoogste zes maanden). Het door de wettelijke termijnen beschermde belang van de betrokkene wordt in de redenering van de Hoge Raad voldoende gewaarborgd mits de machtiging tot voortgezet verblijf niet wordt verleend voor een tijdvak dat langer is dan een jaar na de dag waarop de voorafgaande machtiging verstreek. Deze, op 19 januari 1996 geformuleerde regel geldt voor gevallen waarin het verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis na het verstrijken van de lopende machtiging feitelijk (vrijwillig) is voortgezet.

Deze regel geldt niet indien vóór de beschikking houdende machtiging tot voortgezet verblijf ontslag uit het ziekenhuis is verleend of, zoals in dit geval, een voorwaardelijk verleend ontslag door het verstrijken van de geldigheidsduur van de lopende machtiging tot een definitief (onvoorwaardelijk) ontslag is geworden. De opname in het ziekenhuis is dan beëindigd en de betrokkene verblijft niet langer in het ziekenhuis. Na beëindiging van het verblijf is sprake van een nieuwe situatie die, indien wenselijk is dat de betrokkene opnieuw onvrijwillig in het ziekenhuis wordt opgenomen, het nodig maakt dat een voorlopige machtiging wordt aangevraagd.

Nu in de onderhavige zaak het voorwaardelijk ontslag van betrokkene met ingang van 2 april 2016 definitief is geworden bij gebreke van een tijdig verzoek tot het verlenen van een aansluitende machtiging tot voortgezet verblijf, kon na het verstrijken van de geldigheidsduur van de lopende machtiging niet meer met vrucht een machtiging tot voortgezet verblijf van betrokkene worden verzocht. De slotsom is dat de rechtbank in dit geval in strijd met de wet een machtiging tot voortgezet verblijf heeft verleend. Onderdeel II slaagt. De subsidiaire klacht van onderdeel I over de maximaal mogelijke geldigheidsduur behoeft daarom geen bespreking meer.

Onderdeel III behoeft geen bespreking indien onderdeel I of II slaagt. Het klaagt dat de rechtbank ten onrechte, althans met een ontoereikende motivering, heeft aangenomen dat bij betrokkene sprake is van een uit een stoornis van de geestvermogens voortvloeiend gevaar dat de vrijheidsbeneming rechtvaardigt: weliswaar is in de stukken gesteld dat verzoeker erg snel kan decompenseren als hij geen medicatie gebruikt; anderzijds blijkt uit de stukken dat het toestandsbeeld van betrokkene tussen 1 april 2016 en 12 mei 2016 niet is verslechterd; volgens de toelichting op de klacht staat vast dat betrokkene vanaf 1 april 2016 geen medicatie gebruikt. In de stukken wordt slechts verwezen naar situaties uit het verleden, terwijl het moet gaan over het heden, aldus de toelichting op de klacht.

Gevaar is: de kans op onheil. Bij de beoordeling van het gevaar moet zowel worden gelet op de grootte van de kans dat het onheil zich zal voordoen als op de ernst van de gevolgen indien het gevreesde onheil zich voordoet. Het onderdeel stelt slechts het eerste ter discussie: de kans dat het gevaar zich zal verwezenlijken, nu het toestandsbeeld van betrokkene na het stoppen met het gebruik van medicatie op 2 april 2016 niet is verslechterd en in de gedingstukken slechts wordt verwezen naar situaties uit het verleden.

De rechtbank heeft haar beslissing over het uit de stoornis van de geestvermogens voortvloeiende gevaar in algemene bewoordingen gemotiveerd. Een dergelijke algemene motivering voldoet slechts aan de eisen der wet indien uit de inhoud van de stukken zonder nadere redengeving begrijpelijk is wat de rechtbank voor ogen heeft gestaan. Waar het op aankomt, is of de uit de stukken naar voren komende feiten voldoende sprekend zijn om te rechtvaardigen dat in de beschikking met een summiere motivering wordt volstaan. Bij de bepaling van de omvang van de motiveringsplicht telt ook de inhoud van het gevoerde verweer. In dit geval blijkt uit de stukken en uit hetgeen ter zitting naar voren is gebracht dat vrees bestaat dat betrokkene buiten het ziekenhuis zijn medicijnen niet inneemt en zal decompenseren, waarna betrokkene gedesorganiseerd en katatoon raakt en agressief zal zijn naar zijn familie. Dergelijke episodes hebben zich meermalen voorgedaan blijkens de stukken waarnaar de rechtbank verwijst. Dit, in combinatie met de omstandigheid dat betrokkene feitelijk is gestopt met het innemen van zijn medicijnen, maakt voor de lezer duidelijk dat een reële mogelijkheid bestaat dat het te duchten gevaar zich zal verwezenlijken. De stelling dat het toestandsbeeld van de betrokkene tussen 1 april 2016 en 12 mei 2016 niet is verslechterd ondanks de omstandigheid dat hij in die tijd zijn medicijnen niet heeft ingenomen, doet niet af aan de begrijpelijkheid van dit oordeel van de rechtbank. Onderdeel III faalt.

4. Conclusie

De conclusie strekt in elk van beide zaken tot vernietiging van de in cassatie bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank Amsterdam.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

plv.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?