2. Bespreking van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel bestaat uit drie onderdelen, die zich alle drie tegen rov. 12 van de bestreden beschikking richten.
Onderdeel 1 richt zich met een rechtsklacht tegen rov. 12. Het betoogt dat, indien het hof met deze rechtsoverweging (in samenhang met de rov. 4 en 11) heeft bedoeld dat een teleurgestelde toekomstverwachting, zoals beschreven in de beschikking van 30 november 2011, nooit een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden is dat ongewijzigde handhaving van de termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de verzoeker kan worden gevergd, het hof van een onjuiste rechtsopvatting blijk heeft gegeven. Het onderdeel (onder 1.1) wijst op HR 12 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2871, NJ 1999/384, rov. 3.2, waarin ten aanzien van art. 1:401 lid 4 BW is overwogen:
“3.2 (…) Indien de rechter bij de vaststelling of wijziging van een uitkering tot levensonderhoud een redelijke mate van zekerheid heeft dat zich in de toekomst een omstandigheid zal voordoen, die voor die uitkering van belang is, staat het hem vrij daarmee reeds op voorhand rekening te houden, door de uitkering met inachtneming van die omstandigheid vast te stellen of te wijzigen. Ingeval achteraf blijkt dat, anders dan de rechter ten tijde van zijn beslissing verwachtte, die omstandigheid zich niet heeft voorgedaan, kan op de voet van art. 1:401 lid 4 BW wijziging of intrekking van de uitspraak worden verzocht. (…).”
Deze regel dient volgens het onderdeel (onder 1.2) ook toepassing te vinden wanneer om wijziging van een vastgestelde alimentatietermijn wordt verzocht, nu de vaststelling of wijziging van een uitkering tot levensonderhoud nauw samenhangt met de termijn die voor de vastgestelde alimentatieverplichting is bepaald.
Art. 1:401 lid 2 BW biedt de mogelijkheid wijziging te verzoeken van de termijn waaraan de alimentatieplicht door de rechter (of partijen zelf) is onderworpen, en bepaalt daartoe, voor zover relevant in deze zaak:
“De termijn die de rechter heeft vastgesteld op grond van het derde of vijfde lid dan wel zesde lid, tweede zin van artikel 157 of die is opgenomen in een overeenkomst als bedoeld in artikel 158, kan op verzoek van een van de gewezen echtgenoten worden gewijzigd in geval van zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat ongewijzigde handhaving van de termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de verzoeker kan worden gevergd. (…)”
Voor een verzoek op grond van art. 1:401 lid 2 BW is dus een ingrijpende wijziging van omstandigheden vereist. Niet iedere wijziging van omstandigheden is voldoende voor toewijzing van het verzoek; de wijziging moet zodanig zijn dat ongewijzigde handhaving van de termijn de toets van redelijkheid en billijkheid niet kan doorstaan. De parlementaire geschiedenis leert dat de ratio van deze stringente maatstaf is gelegen in het feit dat partijen ervan moeten kunnen uitgaan dat de alimentatieplicht eindigt bij afloop van de door de rechter bepaalde termijn. Een dergelijke termijn is derhalve in beginsel definitief van aard; wijziging of verlenging kan slechts bij uitzondering geschieden op in de wet aangegeven gronden, aldus de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat tot wijziging van bepalingen in het BW in verband met de regeling van de limitering van alimentatie na scheiding (hierna: de Wet limitering van alimentatie na scheiding, bij verkorting WLA) heeft geleid.
Of aan de maatstaf van het tweede lid van artikel 1:401 BW is voldaan, zal afhangen van de bijzondere omstandigheden van het geval. Voor de beantwoording van de vraag welke betekenis in dat verband toekomt aan een teleurgestelde toekomstverwachting, biedt de parlementaire geschiedenis van de WLA, bij welke wet onder andere het huidige tweede lid van art. 1:401 BW werd ingevoerd, de nodige aanknopingspunten. Een en ander is reeds uitvoerig besproken door mijn voormalige ambtgenoot Verkade in zijn conclusie voor HR 30 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AL8626. Ik zal mij dan ook beperken tot de weergave van enkele, ook door Verkade aangehaalde passages uit de parlementaire stukken en voor het overige naar zijn conclusie verwijzen.
Bij de totstandkoming van de WLA is enkele malen expliciet de vraag aan de orde geweest of een teleurgestelde toekomstverwachting grond oplevert voor een beroep op art. 1:401 lid 2 BW. Relevant in dit verband is allereerst de navolgende passage uit de memorie van antwoord:
“Indien de alimentatie door de rechter is gelimiteerd op grond van toekomstverwachtingen die zich niet blijken te verwezenlijken, is er sprake van een wijziging van omstandigheden die volgens het huidige recht een wijziging van de uitspraak kan rechtvaardigen. Het voorstel stelt voor wijziging meer stringente criteria. Indien deze criteria vervuld zijn, kan een verzoek tot verlenging worden toegewezen. Hierbij zij aangetekend dat de rechter bij zijn beslissing de onderhoudsverplichting aan een termijn te binden, daarbij tevens acht zal slaan op de voorwaarden die de wet stelt aan de wijziging van zijn uitspraak.”
Bij de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel is vervolgens door de staatssecretaris aangegeven:
“Het aantrekkelijke van dit criterium (van artikel 159 lid 3 BW; LK) is naar mijn mening dat het de rechter een richtsnoer geeft. Het brengt tot uitdrukking dat de onderhoudsplicht in beginsel na het verstrijken van de termijn eindigt, maar dat in bijzondere omstandigheden een verlenging mogelijk is. Welke omstandigheden een rol spelen en welk gewicht aan die omstandigheden moet worden toegekend zal moeten worden bekeken in het licht van de rechtsgrond van alimentatie en de aan limitering ten grondslag liggende gedachte.
(…)
Het lijkt mij (…) dat een dergelijke situatie kan vallen in de termen van de wijzigingsmogelijkheid van het nieuwe art. 401, tweede lid. De niet vervulling van een toekomstverwachting kàn een wijziging van omstandigheden inhouden. Ik vergelijk hiermee bij voorbeeld de uitspraak van de Hoge Raad van 29 maart 1985.
(…)
(…). Toch moet ik hier ter zake nu niet zozeer uitsluitsel geven als wel dat de Hoge Raad uiteindelijk in dezen het laatste woord heeft. Het is vaste jurisprudentie dat een beslissing over een alimentatie kan worden gewijzigd als die berust op een verwachting omtrent het vermogen van de vrouw om in de toekomst op passende wijze in haar levensonderhoud te voorzien. Dit heb ik ook tegen de heer Kohnstamm gezegd. Natuurlijk geldt daarbij ook dat strengere criterium in deze wet. (…)”
Verkade trekt uit (zijn meer uitgebreide weergave van) de parlementaire geschiedenis de volgende conclusie:
“3.15 Het voorgaande kan als volgt worden samengevat. De wetgever ging ervan uit dat de rechter bij zijn limiteringsbeslissing mede acht zou slaan op de mogelijkheden die de wet voor wijziging van de door hem eventueel vast te stellen termijn kent. Juist vanuit de gedachte dat de rechter niet lichtvaardig tot limitering zal overgaan, heeft de wetgever die mogelijkheden aangescherpt, opdat partijen zouden weten waaraan zij toe zijn. Uit de wetsgeschiedenis blijkt niet dat gevallen van teleurgestelde toekomstverwachtingen - limiteringsbeslissingen zijn immers veelal op toekomstverwachtingen gebaseerd - niét onder art. 1:401 lid 2 BW zouden kunnen vallen. Wel blijkt daaruit dat een teleurgestelde toekomstverwachting omtrent de mogelijkheden van de alimentatiegerechtigde om na verloop van tijd in het eigen levensonderhoud te voorzien op zichzelf nog niet voldoende zal zijn voor de rechter om de alimentatie op grond van een wijzigingsverzoek als bedoeld in genoemde bepaling te wijzigen. Daarvoor is vereist dat het niet uitkomen van de verwachtingen waarop de rechter zijn limiteringsverzoek heeft gebaseerd, het gevolg is van bijzondere omstandigheden. M.i. heeft de wetgever aldus de mogelijkheid opengelaten dat een alimentatiegerechtigde een door de rechter vastgestelde termijn niet zal kunnen wijzigen, ook al is de (gebruikelijkerwijze) aan de limiteringsbeslissing ten grondslag liggende verwachting, dat de alimentatiegerechtigde na ommekomst van de termijn in het eigen levensonderhoud zou kunnen voorzien, niet uitgekomen.”
Ik sluit me bij deze conclusie aan. Uit de wetgeschiedenis blijkt expliciet dat een teleurgestelde toekomstverwachting een ingrijpende wijziging van omstandigheden in de zin van art. 1:401 lid 2 BW kan opleveren: een dergelijke verwachting vormt niet - althans: niet zonder meer - een zelfstandige grond voor de toepassing van deze bepaling. De in lid 2 opgenomen redelijkheids- en billijkheidstoets maakt dat steeds op de concrete omstandigheden van het geval acht zal moeten worden geslagen. Gelet op de stringente maatstaf van lid 2 zullen, zoals hiervóór (onder 2.4) reeds aangegeven, uiteindelijk echter slechts bijzondere omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de toekomstverwachting niet is uitgekomen, de toepassing van art. 1:401 lid 2 BW kunnen rechtvaardigen.
Uit de wetsgeschiedenis volgt niet expliciet wanneer kan worden gesproken van bijzondere omstandigheden die de toepassing van art. 1:401 lid 2 BW rechtvaardigen. Wel zijn enkele vingerwijzingen te vinden. In de memorie van toelichting wordt bijvoorbeeld aangegeven:
“Indien de rechter wel een termijn bepaalt is deze in beginsel bindend. (…). Een volstrekt definitief karakter kan in bepaalde gevallen onredelijk zijn, bij voorbeeld indien door ziekte of opheffing van een studiemogelijkheid een bestaand vooruitzicht op een werkkring teniet wordt gedaan. Daarom is wijziging op beperkte in de wet aangegeven gronden mogelijk” (cursivering toegevoegd; LK).
De nota naar aanleiding van het eindverslag vermeldt:
“Allereerst moet worden opgemerkt dat thans in de wet een limiteringsmaatstaf ontbreekt. Het voorstel bevat wel dergelijke maatstaven (in artikel 157, derde tot en met zevende lid, en in artikel 401, tweede en derde lid), maar beoogt geen breuk te brengen in de tot nu toe bestaande alimentatiepraktijk. Dat betekent dat het oordeel over de onderhoudsplicht in belangrijke mate zal moeten zijn toegespitst op de concrete omstandigheden van partijen.
De rechter dient daarbij een richtsnoer te hebben. (…). Het geven van voorbeelden van gevallen waarin een termijn zou kunnen worden gesteld of waarin een verlenging behoort te worden uitgesproken, zou de indruk kunnen wekken dat bij dergelijke beslissingen kan worden geabstraheerd van de concrete omstandigheden. Die indruk willen wij niet wekken. Wel hebben wij op verschillende plaatsen omstandigheden genoemd die, gegeven de rechtsgrond, van belang kunnen zijn, zoals de verwachtingen van partijen toen zij huwden, de in het huwelijk aangehouden werkverdeling, de duur van het huwelijk, de zorg voor de kinderen en de mogelijkheden die die zorg liet zich een bestaan op te bouwen dat onafhankelijkheid van de gewezen echtgenoot zou verschaffen. Daarnaast plegen de niet-financiële factoren die uit de jurisprudentie bekend zijn, thans reeds als checklist te fungeren voor partijen, hun raadslieden en de rechter (men vergelijke de trema-normen van de rechterlijke macht, die ook aan deze factoren aandacht besteden). Een checklist in de wet zal daaraan weinig kunnen toevoegen.”
Tijdens de parlementaire behandeling van de WLA werd als voorbeeld gegeven een geval waarin de alimentatie van een gescheiden moeder met een gehandicapt kind wordt gelimiteerd op grond van de verwachting dat het kind na ommekomst van de door de rechter bepaalde termijn voor de dagelijkse verzorging niet meer afhankelijk zal zijn van de moeder. De moeder zou dan dus betaalde arbeid kunnen gaan verrichten. Die verwachting komt niet uit omdat het kind uiteindelijk niet kan worden opgenomen. Naar aanleiding van dit voorbeeld merkte de staatssecretaris op:
“Door omstandigheden buiten haar schuld - dat zal ook mede bepalend zijn voor het oordeel van de rechter - is er een situatie ontstaan waarin het niet verlengen van de alimentatie zo ingrijpend zou zijn dat niet kan worden verwacht dat die alimentatie niet wordt verlengd.”
Voorts werd de vraag gesteld wat heeft te gelden in een geval waarin slechts sprake is van een teleurgestelde toekomstverwachting:
“De staatssecretaris zei dat het niet uitkomen van een toekomstverwachting een wijziging van omstandigheden (…) kan inhouden. De alimentatie wordt verlengd met een termijn van vijf jaar in de verwachting dat de vrouw na ommekomst van die vijf jaar werk zal hebben gevonden. Die verwachting komt niet uit. Is dat een wijziging van omstandigheden en kan er dan weer worden verlengd?
Het antwoord van de staatssecretaris luidde:
“De vrouw zal dan moeten aantonen dat het niet verlengen van de alimentatie niet redelijk is. De rechter moet dan beoordelen of het niet hebben van werk van de vrouw in het kader valt van het niet uitkomen van een gewekte verwachting.”
Uit deze passages lijkt te kunnen worden afgeleid dat voor toepassing van art. 1:401 lid 2 BW is vereist dat bijzondere en buiten het normale verwachtingspatroon vallende omstandigheden debet eraan zijn dat de toekomstverwachting niet is uitgekomen.
Ik keer terug naar onderdeel 1. Bij de beoordeling daarvan kan worden vooropgesteld dat het hof in rov. 12 in het licht van het voorgaande niet van een onjuiste rechtsopvatting blijk heeft gegeven. Anders dan aan het onderdeel ten grondslag is gelegd, heeft het hof niet geoordeeld dat een teleurgestelde toekomstverwachting nooit tot een wijziging van de door de rechter vastgestelde termijn op grond van art. 1:401 lid 2 BW zou kunnen leiden. Blijkens rov. 12 heeft het hof slechts geoordeeld dat “een teleurgestelde toekomstverwachting, zoals hierboven is beschreven, op zichzelf niet een zodanige wijziging van omstandigheden (is) en (…) de overige door de vrouw ter zake naar voren gebrachte omstandigheden niet dermate bijzondere omstandigheden (zijn) dat een verlenging van de alimentatietermijn op grond van artikel 1:401 lid 2 BW gerechtvaardigd is” (onderstrepingen toegevoegd; LK). Het hof, dat blijkens de geciteerde overweging ervan is uitgegaan dat voor de toewijzing van het verlengingsverzoek van de vrouw bijzondere omstandigheden zijn vereist, náást de door haar aangevoerde teleurgestelde toekomstverwachting, heeft aldus de juiste beoordelingsmaatstaf aangelegd.
Ter bestrijding van de veronderstelde opvatting van het hof dat een teleurgestelde toekomstverwachting nooit tot toepassing van art. 1:401 lid 2 BW zou kunnen leiden, heeft de vrouw zich beroepen op HR 12 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2871, NJ 1999/384, waarin de Hoge Raad (in een andere context dan die van een limitering van de alimentatieplicht) oordeelde dat een teleurgestelde toekomstverwachting als onjuist of onvolledig gegeven in de zin van art.1:401 lid 4 BW kan gelden. Het argument mist doel, nu, zoals hiervóór (onder 2.7) reeds besproken, het hof niet geoordeeld dat een teleurgestelde toekomstverwachting nooit tot toepassing van art. 1:401 lid 2 BW zou kunnen leiden.
Daarbij teken ik nog aan dat uit de rechtspraak van de Hoge Raad weliswaar kan worden afgeleid dat een teleurgestelde toekomstverwachting (ook) als een wijziging van omstandigheden in de zin van art. 1:401 lid 1 BW kan worden opgevat, maar daarmee is niet gegeven dat een teleurgestelde toekomstverwachting op zichzelf voor toepassing van art. 1:401 lid 2 BW zou volstaan. De wijziging van de termijn waaraan de rechter de alimentatieplicht heeft onderworpen, heeft immers regeling gevonden in art. 1:401 lid 2 BW, krachtens welke bepaling een strengere maatstaf geldt dan krachtens art. 1:401 lid 1 BW.
Onderdeel 2 omvat een motiveringsklacht en is evenals onderdeel 1 tegen rov. 12 gericht. Het onderdeel betoogt dat, als het hof heeft bedoeld dat een teleurgestelde toekomstverwachting in dit geval geen voldoende ingrijpende wijziging van omstandigheden is, zijn oordeel onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is. Het onderdeel voert daartoe, kort samengevat, het volgende aan.
Allereerst wordt gesteld (onder 2.1-2.7) dat de (uiteindelijk teleurgestelde) toekomstverwachting een dragend element was van ’s hofs limiteringsbeslissing van 30 november 2011. Het onderdeel staaft deze stelling met een verwijzing naar de analyse door de rechtbank van de beschikking van 30 november 2011, inhoudende dat het hof kennelijk zonder meer ervan is uitgegaan dat de vrouw, bij voldoende inspanningen, zich een inkomen van € 2.000,- netto per maand zou kunnen verwerven. De man heeft deze analyse volgens het onderdeel niet bestreden, waarmee de juistheid daarvan tussen partijen is komen vast te staan en het hof van deze analyse uit diende te gaan. Het hof had moeten onderkennen dat met het niet-uitkomen van de toekomstverwachting de rechtvaardiging voor de door hem gestelde termijn niet langer aanwezig was. Dit betekent volgens het onderdeel dat de teleurgestelde toekomstverwachting op zichzelf bezien juist wel een wijzigingsgrond is of kan zijn, althans dat het hof zijn oordeel (nader) had dienen toe te lichten.
In het verlengde hiervan (onder 2.8-2.9) wijst het onderdeel er ten tweede op dat de vrouw reeds in eerste aanleg het standpunt heeft ingenomen dat de inkomensterugval als gevolg van de beëindiging van de partneralimentatie uitermate ingrijpend is en dat ongewijzigde handhaving van de alimentatietermijn derhalve niet van haar kan worden gevergd. Dit standpunt, dat de rechtbank volgens het onderdeel deelt, heeft de vrouw in hoger beroep gehandhaafd en herhaald, aldus het onderdeel. Gesteld wordt dat het hof deze “onmiskenbaar relevante stelling” van de vrouw in strijd met de devolutieve werking van het appel onbesproken heeft gelaten.
Ten derde maakt het onderdeel (onder 2.10-2.11) uit de door het hof in rov. 12 gebezigde woorden “op zichzelf” op dat het hof de teleurgestelde toekomstverwachting niet in samenhang met de door de vrouw gestelde inspanningen om betaald werk te vinden heeft besproken. Ten onrechte, zo wordt betoogd. Dit geldt te meer nu het hof, anders dan de rechtbank, in het midden heeft gelaten of de vrouw zich voldoende heeft ingespannen om aan betaald werk te komen. Op grond van het leerstuk van de hypothetische feitelijke grondslag moet derhalve in cassatie (veronderstellenderwijs) worden aangenomen dat die inspanningen voldoende waren.
Het onderdeel poneert in de eerste plaats dat, nu de teleurgestelde toekomstverwachting een dragend element van de limiteringsbeslissing van 30 november 2011 was, hetgeen bij gebrek aan betwisting als vaststaand diende te worden aangenomen, het hof in zijn motivering had moeten onderkennen dat deze verwachting in casu wel degelijk een wijzigingsgrond was of had kunnen zijn.
Bij de beoordeling van de klacht stel ik voorop dat, anders dan het onderdeel stelt, de man de door het onderdeel bedoelde analyse wel degelijk heeft betwist waar hij gemotiveerd heeft gesteld dat het hof in zijn limiteringsbeslissing van 30 november 2011 rekening heeft gehouden met het scenario dat de vrouw binnen de termijn van drie jaren geen werk zou kunnen vinden, en dat het hof overigens niet was gebonden aan de lezing die partijen (al dan niet weersproken) aan de genoemde beschikking hebben gegeven.
Overigens meen ik dat, ook als moet worden aangenomen dat de toekomstverwachting in de onderhavige zaak dragend was voor de limiteringsbeslissing, zulks niet afdoet aan het uitgangspunt dat een teleurgestelde toekomstverwachting slechts onder bijzondere omstandigheden grond voor een verlenging van een gestelde alimentatietermijn oplevert. Met het enkele feit dat de teleurgestelde toekomstverwachting dragend was voor de limitering van de alimentatie en dat in zoverre een relevante wijziging van omstandigheden is gegeven, staat immers nog niet vast dat die wijziging van omstandigheden ook zo ingrijpend is dat ongewijzigde handhaving van de termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd. Uit rov. 12 blijkt dat het hof van oordeel was dat dit laatste zich bij gebrek aan de vereiste bijzondere omstandigheden niet voordeed.
Ook voor zover het onderdeel klaagt dat het hof zijn oordeel (nader) had dienen te motiveren nu de rechtvaardiging voor de vastgestelde termijn niet langer bestond, is het mijns inziens tevergeefs voorgesteld. De vrouw heeft zich niet op het standpunt gesteld dat het niet-uitkomen van de toekomstverwachting het gevolg is van bijzondere omstandigheden, terwijl ook overigens niet van zodanig bijzondere omstandigheden is gebleken dat toepassing van art. 1:401 lid 2 BW zou zijn gerechtvaardigd. Het standpunt van de vrouw steunt vooral op de - door de man betwiste - stellingen dat de inkomensterugval als gevolg van beëindiging van de termijn uitermate ingrijpend is en dat zij zich voldoende heeft ingespannen om betaald werk te vinden. Dat zijn niet dermate bijzondere omstandigheden dat van een ingrijpende wijziging van omstandigheden in de door art. 1:401 lid 2 BW bedoelde zin sprake zou zijn. Nadere, bijzondere omstandigheden die dat anders zouden kunnen maken, zoals ziekte of opheffing van een studiemogelijkheid waarnaar in de wetgeschiedenis wordt verwezen, zijn door de vrouw niet aangevoerd. Het feit dat de arbeidsmarkt slecht is, zoals door de vrouw wordt gesteld, is weliswaar een buiten de vrouw gelegen omstandigheid die mogelijk eraan heeft bijgedragen dat de vrouw geen werk heeft kunnen vinden, maar is naar mijn mening niet zodanig bijzonder dat het niet uitkomen van de toekomstverwachting voor rekening van de man dient te komen. Ook de omstandigheden die de rechtbank in haar oordeel heeft betrokken (lange duur huwelijk, traditionele rolverdeling, lotsverbondenheid bestaat nog) zijn dat mijns inziens niet. Dergelijke factoren lijken mij vooral gewicht toe te komen bij de rechterlijke limiteringsbeslissing zelf.
In het licht van de stellingen van partijen is het oordeel van het hof dan ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Daarom faalt de eerste klacht van het onderdeel.
Ook het tweede klacht van onderdeel 2, die het hof verwijt onvoldoende te hebben gerespondeerd op het standpunt van de vrouw dat van een uitermate ingrijpende wijziging van omstandigheden sprake is en dat ongewijzigde handhaving van de alimentatietermijn derhalve niet van haar kan worden gevergd, is mijns inziens tevergeefs voorgesteld. Het bestreden oordeel berust niet op het oordeel dat van een (uitermate) ingrijpende wijziging van omstandigheden geen sprake zou zijn, maar op het oordeel dat - bij gebrek aan bijkomende bijzondere omstandigheden - geen sprake is van een zodanig ingrijpende wijziging van omstandigheden dat ongewijzigde handhaving van de termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd. Anders dan het onderdeel (onder 2.8) suggereert, was ook voor de rechtbank de ingrijpende wijziging van omstandigheden, gelegen in de terugval in inkomen van € 2.000,- netto naar nihil, voor toepassing van art. 1:401 lid 2 BW op zichzelf niet voldoende. De rechtbank heeft in dat verband tevens, naast de inspanningen van de vrouw om een betaalde baan te vinden, andere (maar volgens het hof kennelijk tekortschietende) factoren (duur huwelijk, traditionele rolverdeling, nog niet geheel verbroken lotsverbondenheid) in aanmerking genomen om tot het oordeel te komen dat “in de omstandigheden van het geval ongewijzigde handhaving van de termijn van drie jaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd” (zie de beschikking van 6 februari 2015, p. 5, derde volle alinea; zie ook p. 5, laatste twee regels en p. 6, eerste twee regels: “Al deze omstandigheden in aanmerking nemend, komt de rechtbank tot de slotsom dat in dit specifieke geval sprake is van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat een ongewijzigde handhaving van de termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd.”).
Ook de klacht dat het hof niet zou hebben gerespondeerd op de stelling van de vrouw dat van een uitermate ingrijpende wijziging van omstandigheden sprake was en dat daarom ongewijzigde handhaving van de alimentatietermijn niet van haar kon worden gevergd, mist daarom doel.
De derde klacht van het onderdeel dat uit de door het hof in rov. 12 gebezigde woorden “op zichzelf” zou volgen dat het hof de teleurgestelde toekomstverwachting niet in samenhang met de door de vrouw gestelde inspanningen om betaald werk te vinden, heeft besproken, mist naar mijn mening eveneens doel. In de rov. 11 en 12 ligt besloten dat naar het oordeel van het hof een teleurgestelde toekomstverwachting als zodanig niet voor toepassing van art. 1:401 lid 2 BW volstaat, maar dat daartoe bijkomende bijzondere omstandigheden zijn vereist. Met het gebruik van de woorden “op zichzelf” heeft het hof niet bedoeld dat van de omstandigheden van het geval kan worden geabstraheerd, maar tot uitdrukking gebracht dat een teleurgestelde toekomstverwachting geen zelfstandige wijzigingsgrond oplevert en dat dus juist ook de andere omstandigheden van het geval in de beoordeling dienen te worden betrokken. Dat de vrouw zich heeft ingespannen om betaald werk te vinden, is overigens niet een naast de terugval in inkomen staande, bijkomende omstandigheid, maar een noodzakelijk element om überhaupt van een (relevante) terugval in inkomen te kunnen spreken. Zou de vrouw zich niet voldoende hebben ingespannen om betaald werk te vinden, dan zou er in het geheel geen grond zijn geweest om van een wijziging van omstandigheden (te weten een terugval in het inkomen dat de vrouw moet worden geacht zich te kunnen verwerven) uit te gaan.
Derhalve dient ook onderdeel 2 te falen. Het bestreden oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk en is voldoende gemotiveerd.
Onderdeel 3 klaagt dat, indien en voor zover het hof heeft geoordeeld dat de verdiencapaciteit van de vrouw, al dan niet na verloop van drie jaren na de beschikking van 30 november 2011, met de beschikking van 30 november 2011 definitief vast is komen te staan, het hof daarmee heeft miskend
a) dat uit de rechtspraak van de Hoge Raad (als voorbeeld wordt aangehaald HR 17 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0356, NJ 2013/377 m.nt. S.F.M. Wortmann) volgt dat beslissingen als de beschikking van 30 november 2011 weliswaar gezag van gewijsde hebben, maar dat dit gezag wordt beperkt door de in art. 1:401 BW opgenomen mogelijkheid een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud in te trekken of te wijzigen, dan wel
b) dat uit de reeds genoemde beschikking van de Hoge Raad van 12 maart 1999 volgt dat in situaties waarin sprake is van een teleurgestelde toekomstverwachting op grond van artikel 1:401 lid 4 BW wijziging of intrekking van de uitspraak kan worden verzocht.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt inderdaad dat rechterlijke alimentatiebeslissingen in beginsel gezag van gewijsde toekomt, maar dat dit gezag in zoverre is beperkt dat de rechterlijke beslissing op grond van het eerste of het vierde lid van artikel 1:401 BW kan worden gewijzigd of ingetrokken. Concreet betekent dit:
“3.4.1 (…). Wordt op voet van artikel 1:401 wijziging van een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud verzocht, dan is de rechter niet gebonden aan geschilbeslissingen in de uitspraak waarvan wijziging wordt verzocht, indien blijkt dat een of meer van de in die bepalingen genoemde gronden zich voordoen. De rechter zal in dat geval de uitkering tot levensonderhoud opnieuw hebben vast te stellen, rekening houdende met alle ter zake dienende omstandigheden, en hij is daarbij niet gebonden aan oordelen omtrent die omstandigheden in de beslissing waarvan wijziging wordt verzocht (HR 15 november 1996, nr. 8785, NJ 1997, 450). (…).”
In een latere uitspraak heeft de Hoge Raad verduidelijkt dat de betrekkelijkheid van het gezag van gewijsde van alimentatiebeslissingen niet ziet op alle omstandigheden die de rechter aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd. Kennelijk geldt dat gezag volgens de Hoge Raad wel voor:
“5.5 (…) een beslissing die voorafgaat aan - en gebaseerd is op andersoortige omstandigheden dan - de in art. 1:401 BW bedoelde, en op de wettelijke maatstaven van behoefte en draagkracht gebaseerde, beslissing over de vraag of en tot welk bedrag alimentatie verschuldigd is. (…).”
Zoals Wortmann opmerkt, heeft de rechtspraak van de Hoge Raad en de daarin vervatte relativering van het gezag van gewijsde dus kennelijk betrekking op “omstandigheden die de basis vormen voor beslissingen omtrent draagkracht en behoefte” .
In het licht van deze rechtspraak faalt de klacht. Uit de hiervóór (onder 2.15) als eerste geciteerde rechtsoverweging volgt immers dat indien één of meer van de in art. 1:401 BW genoemde wijzigingsgronden (de ingeroepen rechtspraak betrof overigens slechts de wijzigingsgronden van art. 1:401 leden 1 en 4) zich voordoen, de rechter de uitkering tot levensonderhoud opnieuw zal moeten vaststellen. Met andere woorden: er is pas plaats voor een rechterlijke (her)overweging op het punt van behoeftigheid (en draagkracht) op het moment dat er überhaupt van een wijzigingsgrond sprake is.
Het hof heeft deze voorvraag in de onderhavige zaak ontkennend beantwoord, zowel wat betreft het beroep van de vrouw op lid 4 van art. 1:401 BW (rov. 9; in cassatie onbestreden) als wat betreft haar beroep op lid 2 van dit artikel (rov. 12; bij gebrek aan bijkomende, bijzondere omstandigheden verworpen). De verdiencapaciteit van de vrouw was daarbij slechts in zoverre aan de orde dat zij deel uitmaakte van de toekomstverwachting waarop de limiteringsbeslissing was gegrond: de verwachting was dat de vrouw binnen drie jaar een baan zou kunnen vinden waarmee zij zich een inkomen van € 2.000,- netto per maand zou kunnen verwerven. Het hof heeft slechts over die toekomstverwachting geoordeeld en heeft daarbij geenszins uitgesloten dat, zoals de vrouw aan haar stellingen ten grondslag had gelegd, daadwerkelijk van een teleurgestelde toekomstverwachting sprake was. Het onderdeel kan dan ook niet worden gevolgd in de opvatting dat het hof in zijn beschikking zou hebben geoordeeld dat de verdiencapaciteit van de vrouw met de beschikking van 30 november 2011 definitief is komen vast te staan.
Ook onderdeel 3 is daarom tevergeefs voorgesteld.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal