3. Namens de klaagster heeft mr. R.P. Snorn, advocaat te Heerenveen, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middel
4.1. Het middel klaagt dat de rechtbank bij de beoordeling van het klaagschrift een onjuiste maatstaf heeft toegepast, waardoor de beschikking ontoereikend is gemotiveerd.
4.2. De bestreden beschikking houdt onder meer het volgende in:
“1.1. Namens klaagster is een schriftelijk verzoek ingediend strekkende tot (gedeeltelijke) opheffing met last tot teruggave aan klaagster van het conservatoir derdenbeslag op de vordering van klaagster op de Coöperatieve Rabobank Meppel-Steenwijkerland UA met rekeningnummer [0001]. Het verzoek d.d. 17 augustus 2015 is ter griffie van de rechtbank ontvangen op 18 augustus 2015.
(…)
2.6. De rechtbank heeft reeds eerder, te weten in haar beschikking d.d. 19 februari 2015 over opheffing van het strafrechtelijk conservatoir beslag op voornoemde rekening van klaagster geoordeeld. Het verzoek daartoe werd toen gedaan door [betrokkene 1] en [A] BV. In die beschikking is het klaagschrift ongegrond verklaard wegens het ontbreken van een materieel belang bij opheffing van het strafrechtelijk conservatoire derdenbeslag. Tegen die beschikking is cassatie ingesteld bij de Hoge Raad, waarop voor zover valt te overzien nog niet is beslist.
Voor de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat het civielrechtelijk beslag zich met uitstrekt tot de gelden op de Raborekening van klaagster. Zolang dit niet gebleken is en evenmin sprake is van opheffing van dat beslag - waarvoor klaagster zich tot de voorzieningenrechter moet wenden en wat een nieuwe omstandigheid zou kunnen opleveren - prevaleert het strafvorderlijk belang. Gelet hierop moet het klaagschrift ongegrond worden verklaard wegens het voorshands ontbreken van belang bij de thans verzochte opheffing van het strafvorderlijk conservatoir beslag.
3. Beslissing
De rechtbank:
verklaart het klaagschrift ongegrond.”
4.3. Uit de stukken van het dossier volgt dat op 10 december 2012 in het kader van het strafrechtelijke onderzoek tegen [A] B.V. op de voet van art. 94a Sv conservatoir beslag is gelegd onder de Coöperatieve Rabobank Meppel-Steenwijkerland UA op onder meer het tegoed dat de klaagster bij deze bank heeft op de rekening met nummer [0001]. Dit derdenbeslag strekt tot bewaring van het recht van verhaal van een aan [A] B.V. op te leggen geldboete dan wel een op te leggen ontnemingsmaatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
4.4. Door te overwegen zoals hiervoor onder 4.2 is weergegeven, heeft de rechtbank geen blijk gegeven de voor art. 94a Sv toe te passen toetsingsmaatstaf te hebben gehanteerd. Voorts komt de rechtbank op dezelfde gronden als in de samenhangende zaak 15/01316B tot het oordeel dat de klaagster geen (materieel) belang heeft bij de opheffing van het strafvorderlijk conservatoir beslag. Zoals gezegd deed de Hoge Raad op 12 april 2016 uitspraak in die zaak en kwam tot een vernietiging van de beschikking met een verwijzing naar de onder 3.4 tot en met 3.7 vermelde gronden in mijn conclusie voor dat arrest (ECLI:NL:PHR:2016:218). Ik volsta daarom met een verwijzing daarnaar en concludeer dat het middel op de in die conclusie vermelde gronden terecht is voorgesteld.
4.5. Het middel slaagt.
5. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
6. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de bestreden beschikking zal vernietigen en de zaak zal terugwijzen naar de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG