27. Het eerste middel slaagt.
28. Het tweede middel richt zich tegen de vrijspraak van het onder 3 primair ten laste gelegde, met de klacht dat het hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het begrip ‘werven’ in art. 140, vierde lid, Sr en mitsdien met verlating van de grondslag van de tenlastelegging heeft vrijgesproken van iets anders dan is tenlastegelegd.
29. Aan de verdachte is onder 3 primair ten laste gelegd dat:
“hij, op één (of meer) tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van de maand januari 2013 tot en met 14 augustus 2013 te Arnhem, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven, zoals bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht, te weten (onder meer):
- moord en/of doodslag, te plegen met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289 en artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of voorbereiding van moord en/of doodslag, te plegen met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 46 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht), en/of
- de samenspanning tot het in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf (zoals bedoeld in artikel 289a lid 1 van het Wetboek van Strafrecht), en/of
- het verrichten van één (of meer) handeling(en) met het oogmerk om dat misdrijf voor te bereiden of te bevorderen (zoals bedoeld in artikel 96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk, en/of
- voorbereiding van moord te begaan met terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 46 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht), en/of
- de samenspanning tot het in artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf te begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289a lid 1 van het Wetboek van Strafrecht), en/of
- het verrichten van één (of meer) handeling(en) met het oogmerk om dat misdrijf voor te bereiden of te bevorderen (zoals bedoeld in artikel 96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk, door geldelijke en/of andere stoffelijke steun te verlenen aan die organisatie, alsmede door het werven van gelden en/of personen ten behoeve van die organisatie.”
30. Het hof heeft – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende overwogen:
“Vrijspraak
Feit 3 primair
Verdachte wordt onder dit feit ten laste gelegd dat hij heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie.
Het hof is van oordeel dat er geen sprake is van een voltooid delict. Verdachte heeft een aantal voorbereidingshandelingen verricht om deel te nemen aan een terroristische organisatie, maar niet kan worden bewezen dat hij (al) behoorde tot die organisatie.
Met betrekking tot het ten laste gelegde werven van gelden overweegt het hof dat in artikel 140, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht is bepaald dat onder deelneming, als omschreven in het eerste lid, mede wordt begrepen het werven van gelden ten behoeve van de daar omschreven organisatie. Het hof is van oordeel dat weliswaar kan worden vastgesteld dat verdachte gelden heeft geworven, maar niet dat deze (al) ten goede van de organisatie waren gekomen.
Gelet op het bovengenoemde zal verdachte van dit feit worden vrijgesproken.
31. De hier toepasselijke wettelijke voorschriften luiden als volgt:
“Art. 140 Sr:
1. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie. 2. Deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard of van rechtswege is verboden of ten aanzien waarvan een onherroepelijke verklaring als bedoeld in artikel 122, eerste lid, van Boek 10 Burgerlijk Wetboek is afgegeven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie. 3. Ten aanzien van de oprichters, leiders of bestuurders kunnen de gevangenisstraffen met een derde worden verhoogd. 4. Onder deelneming als omschreven in het eerste lid wordt mede begrepen het verlenen van geldelijke of andere stoffelijke steun aan alsmede het werven van gelden of personen ten behoeve van de daar omschreven organisatie.”
Art. 140a Sr:
“1. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of gelboete van de vijfde categorie.
2. Oprichters, leiders, of bestuurders worden gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie.
3. Het vierde lid van artikel 140 is van overeenkomstige toepassing.”
32. In cassatie doet de vraag zich voor of eerst dan sprake is van het werven van gelden als bedoeld in art. 140, vierde lid, Sr als die gelden ten goede zijn gekomen aan de in dat artikel bedoelde organisatie.
33. De Wet Terroristische misdrijven heeft eveneens geleid tot invoering van art. 140a en toevoeging van een vierde lid aan art. 140 Sr, welke toevoeging op grond van het derde lid van art. 140a Sr op laatst vermelde bepaling van overeenkomstige toepassing is verklaard. In de wetsgeschiedenis is, voor zover ik kan overzien, geen aandacht besteed aan de term ‘werven’ in het vierde lid van art. 140 Sr. In diezelfde wet is in art. 205 Sr de term ‘aanwerft’ vervangen door ‘of gewapende strijd werft’. Daarover is in de wetsgeschiedenis het volgende opgemerkt:
“De reden voor vervanging van het begrip «aanwerven» is in de eerste plaats gelegen in het feit dat voor het «aanwerven» nodig is dat een bepaalde verbintenis tot stand is gekomen. Onder «aanwerven» wordt verstaan «elke handeling welke tot strekking heeft (welke geëigend is en ten doel heeft) iemand tot vreemde krijgsdienst te verplichten» (vgl. Noyon-Langemeijer-Remmelink, suppl. 96, blz 537). Blijkens de wetsgeschiedenis is daarbij van belang dat sprake is van een bepaalde tegenprestatie, zoals handgeld of ander voordeel. De voorgestelde wijziging van het begrip «aanwerven» in «werven» beoogt aan de strafbaar gestelde handeling een minder formele betekenis te geven. De eerdergenoemde voorwaarde van de totstandkoming van een overeenkomst komt te vervallen; voor het ontstaan van strafrechtelijke aansprakelijkheid volstaat het enkele ronselen van personen voor vreemde krijgsdienst of gewapende strijd. Of het werven tot een bepaald resultaat heeft geleid, zal voor de strafbaarheid niet meer relevant zijn. Het voorgestelde delict zal voltooid zijn wanneer een handeling die ertoe strekt om iemand tot aansluiting te bewegen, zich heeft geopenbaard. Een dergelijke handeling behoeft niet samen te gaan met of te bestaan uit het bieden van een tegenprestatie. Van «werven» kan bijvoorbeeld sprake zijn wanneer mensen vis-à-vis – te denken valt aan schoolpleinen, clubhuizen en uitgaansgelegenheden – worden benaderd teneinde hen te overreden deel te nemen aan een gewapende strijdgroep. Ook zal het bespelen van personen met behulp van communicatiemiddelen, zoals bijvoorbeeld een internetsite, «werven» in de zin van artikel 205 Sr kunnen opleveren.
(…) Door de wijziging wordt het zwaartepunt in de strafbepaling enigszins verlegd naar degene van wie het initiatief uitgaat: de werver. Een vergelijking is in dit verband te trekken met de strafbepaling inzake actieve, ambtelijke omkoping (artikel 177 Sr); ook bij dat misdrijf is het actieve handelen van de omkoper voor de strafbaarheid voldoende. Of de ambtenaar een gift aanneemt is irrelevant. Het potentiële gevaar dat rekrutering ten behoeve van de jihad tot gevolg kan hebben, rechtvaardigt mijns inziens het voorstel om de strafbepaling meer toe te snijden op de verantwoordelijkheid van degene die iemand tracht te bewegen tot iets.”
34. De Hoge Raad overwoog hieromtrent:
“Zoals expliciet is verwoord in de nota naar aanleiding van het verslag, volstaat voor het ontstaan van strafrechtelijke aansprakelijkheid ter zake van art. 205 Sr het enkele ronselen van personen voor - onder meer - de gewapende strijd. Daarbij komt het dus aan op de gedraging van degene die werft, zonder dat op zichzelf van belang is hoe degene die wordt geworven, op dat moment tegenover die strijd staat, en of het werven resultaat heeft of niet.”
35. Het komt mij voor dat deze interpretatie van het begrip werven van betekenis is voor het werven van gelden als bedoeld in het vierde lid van art. 140 Sr. Dan volstaat het enkele werven van gelden ten behoeve van de organisatie, zonder dat op zichzelf van belang is of deze gelden ook daadwerkelijk bij deze organisatie terecht komen. De steller van het middel merkt terecht op dat anders ook niet valt in te zien wat het verschil is met het verlenen van geldelijke steun, eveneens genoemd in het vierde lid van art. 140 Sr. Dit sluit overigens ook aan bij de taalkundige betekenis van het begrip in de Van Dale online, namelijk “overhalen of trachten over te halen zich aan te sluiten bij een vereniging, een partij enz.”.
36. Met betrekking tot het ten laste gelegde werven van gelden heeft het hof overwogen “dat in artikel 140, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht is bepaald dat onder deelneming, als omschreven in het eerste lid, mede wordt begrepen het werven van gelden ten behoeve van de daar omschreven organisatie”. Door te overwegen dat niet kan worden bewezen dat de verdachte (al) behoorde tot de organisatie, omdat weliswaar kan worden vastgesteld dat verdachte gelden heeft geworven, maar niet dat deze (al) ten goede van de organisatie waren gekomen, heeft het hof een onjuiste uitleg gegeven aan het begrip ‘werven’ in art. 140, vierde lid, Sr.
37. Het tweede middel slaagt.
38. Deze conclusie strekt ertoe dat de verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het cassatieberoep. Voorts strekt deze conclusie tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van de onder 1, 2A en 3 ten laste gelegde feiten, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG