ECLI:NL:PHR:2016:1314

ECLI:NL:PHR:2016:1314, Parket bij de Hoge Raad, 06-12-2016, 15/02799

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 06-12-2016
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 15/02799
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2017:26
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854

Samenvatting

Urineren in politiecel. Vernieling; onbruikbaar maken a.b.i. art. 350.1 Sr? HR herhaalt ECLI:NL:HR:1998:AD2883, NJ 1998/857 m.b.t. de uitleg van de term ‘onbruikbaar’ maken in de zin van art. 350.1 Sr. In ’s Hofs oordeel dat verdachte door te urineren in een politiecel, die politiecel ‘onbruikbaar’ heeft gemaakt in de zin van art. 350 Sr, ligt als vaststelling van de rechter besloten dat de politiecel tijdelijk niet op de voor een behoorlijk gebruik daarvan vereiste wijze kon worden gebruikt voor het doel waarvoor deze was bestemd. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is ook niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd.

Uitspraak

“op 5 januari 2014 te ’s-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk een politiecel toebehorende aan Politie Haaglanden onbruikbaar [heeft] gemaakt door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk te urineren op de grond van die politiecel.”

5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

(i) Een proces-verbaal van politie van 5 januari 2014, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], voor zover inhoudende als aangifte van [verbalisant 2] namens de Politie Haaglanden:

“Op 5 januari 2014 te ’s-Gravenhage ging ik naar [verdachte] toe ter controle van de verdachte. Ik zag toen ik de deur van de cel van politie Haaglanden open deed dat er een substantie op de grond lag waarvan ik direct vermoedde dat het urine was. Ik hoorde dat [verdachte] tegen mij zei dat wij hem als een hond behandelden en dat hij daarom ook als een hond ging pissen. Ik heb aan [verdachte] gevraagd of hij de urine op wilde ruimen, maar [verdachte] weigerde medewerking te verlenen.”

(ii) Een op 5 januari 2015 bij de politie afgelegde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende:

“Ik zei als jullie mij als een hond behandelen dan gedraag ik me ook als een hond. Daarom ging ik ook als een hond plassen.”

6. Zoals blijkt uit de op de terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnotities, heeft de raadsvrouwe van de verdachte bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit, aangezien er geen sprake is van onbruikbaar maken. De raadsvrouwe heeft daartoe het volgende aangevoerd. De verdachte kon in zijn cel blijven. Er was geen noodzaak om direct na het aantreffen van de substantie op de grond de politiecel schoon te maken. Bovendien wordt een politiecel na gebruik altijd schoongemaakt, voordat iemand anders in de cel wordt geplaatst. Nadat de verdachte uit zijn cel was gegaan, moest de cel hoe dan ook worden gereinigd, terwijl een extra reiniging niet noodzakelijk was en evenmin blijkt te zijn uitgevoerd.

7. Door het vonnis van de rechtbank in zoverre te bevestigen heeft het hof in reactie op dit verweer in het bevestigde vonnis onder “nadere bewijsoverweging” het volgende overwogen:

“Door te urineren op de vloer van een politiecel, kan deze vanaf dat moment totdat er is schoongemaakt niet worden gebruikt. Naar het oordeel van de politierechter valt ook een dergelijk tijdelijk onbruikbaar maken onder vernieling als bedoeld in artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht.”

8. De tenlastelegging is toegesneden op art. 350, eerste lid, Sr. Daarom moeten de in de bewezen verklaarde tenlastelegging voorkomende woorden “onbruikbaar [heeft] gemaakt” geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in die bepaling.

9. Art. 350, eerste lid, Sr luidt als volgt:

“Hij die opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielt, beschadigt, onbruikbaar maakt of wegmaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.”

10. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld. De geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling houdt in dat naast het opzettelijk en wederrechtelijk vernielen, beschadigen en wegmaken van enig geheel of ten dele aan een ander toebehorend voorwerp het opzettelijk en wederrechtelijk onbruikbaar maken van zodanig voorwerp is strafbaar gesteld met het oog op de mogelijkheid een goed, zonder het te beschadigen, onbruikbaar te maken voor zijn bestemming. Van onbruikbaar maken in de zin van art. 350, eerste lid, Sr is sprake als een voorwerp in een toestand wordt gebracht waardoor het voorwerp niet meer gebruikt kan worden voor het doel waarvoor het is bestemd. Daarvoor is niet vereist dat de materie van het voorwerp door de handeling is aangetast. Evenmin is van belang of die onbruikbaarmaking van beperkte duur is en het herstel in het gebruik van het voorwerp zonder noemenswaardige kosten of inspanning mogelijk is. Het op eenvoudige wijze kunnen herstellen van het onbruikbaar gemaakte voorwerp staat derhalve niet in de weg aan het aannemen van onbruikbaarmaking van dat voorwerp.

11. Aan de rechtspraak van de Hoge Raad kunnen de volgende voorbeelden worden ontleend. Het gedeeltelijk leegspuiten van brandblussers leverde het onbruikbaar maken zoals bedoeld in art. 350, eerste lid, Sr op, aangezien de brandblusapparaten daardoor hun bestemming als veiligheidsvoorziening niet meer overeenkomstig de daaraan te stellen eisen konden vervullen, ook al zou door het spuiten met de brandblusapparaten daaraan niet iedere verdere werking zijn ontnomen. Ook het uit de grond trekken van een paal, die diende als onderdeel van de erfafscheiding, en het uit de grond trekken van een verkeersbord met een paal waren aan te merken als het onbruikbaar maken in de voornoemde zin. Het verwijderen van platen, die door de rechthebbende voor ramen en deuren waren bevestigd met de kennelijke bedoeling personen de onbevoegde toegang tot het pand te ontzeggen, leverde het onbruikbaar maken daarvan op. Het gooien van een zakje met verf naar de gouden koets waardoor verfspatten op de kleding van omstanders terecht zijn gekomen, werd beschouwd als het onbruikbaar maken van die kledingstukken. In een woning een hennepkwekerij opzetten en daartoe zeil over de vloerbedekking bevestigen, plastic tegen de muren nieten, gipsplaten op een kozijn schroeven, panelen tegen de muren schroeven, gaten in een muur en in de plafonds maken en aan de plafonds afzuigboxen en luchtslangen plaatsen, werd aangemerkt als het onbruikbaar maken van slaapkamers en een meterkast in die woning.

12. In de hiervoor onder 7 weergegeven overwegingen, in samenhang bezien met de bewezenverklaring en de gebezigde bewijsmiddelen, heeft het hof geoordeeld dat de verdachte een politiecel onbruikbaar heeft gemaakt door op de grond van die politiecel te urineren. Gelet op hetgeen hiervoor onder 10 is vooropgesteld, geeft dit oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. De verdachte heeft op de grond van de politiecel, waarin hij zich bevond, geürineerd en vervolgens heeft hij geweigerd de urine op te ruimen. De verbalisant die de politiecel van de verdachte controleerde heeft verklaard dat de politiecel na het vertrek van de verdachte niet meer kon worden gebruikt door andere arrestanten en dat de cel moest worden gereinigd. De omstandigheid dat als gevolg van het handelen van de verdachte reiniging van de politiecel was vereist, vindt bevestiging in de door de politie als benadeelde partij ingediende vordering betreffende schoonmaakkosten (“Schoonmaak/afroep, Weekend/code W4005”) à € 32,11. Het voegingsformulier houdt in dat extra schoonmaak nodig was, omdat de verdachte zijn cel met urine had besmeurd. Het hof heeft deze vordering volledig toegewezen. Voorts ligt in de overwegingen van het hof besloten dat het hof heeft vastgesteld dat de politiecel niet meer gebruikt kon worden voor het doel waarvoor deze was bestemd. Deze feitelijke vaststelling acht ik in het licht van het voorgaande niet onbegrijpelijk. Het spreekt vanzelf dat de eisen die aan de inrichting van een politiecel mogen worden gesteld in de weg staan aan het gebruik van een politiecel die is besmeurd met urine. In die zin kon het hof oordelen dat sprake was van het - tijdelijk - onbruikbaar maken van de desbetreffende politiecel. Aldus heeft het hof het in het middel bedoelde verweer op goede gronden en toereikend gemotiveerd verworpen. Gelet op hetgeen de raadsvrouwe van de verdachte ter onderbouwing van haar verweer heeft aangevoerd, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering.

13. De steller van het middel betoogt dat de politiecel ook ná het urineren door de verdachte door hem zelf kon worden gebruikt als cel. Nog daargelaten dat het hof daarover niets heeft vastgesteld, is een cel in de staat waarin de verdachte deze heeft gebracht onbruikbaar om te voldoen aan haar bestemming, te weten het onderbrengen van arrestanten in een ruimte die voldoet aan de eisen die aan een politiecel moeten worden gesteld. In dit verband is een vergelijking op haar plaats met het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 7 december 1999, NJ 2000/148 ten aanzien van het leegspuiten van brandblusapparaten. Ook in die zaak werd bij het oordeel dat sprake was van het onbruikbaar maken in aanmerking genomen dat door het leegspuiten de apparaten hun bestemming als veiligheidsvoorziening niet meer overeenkomstig de daaraan te stellen eisen konden vervullen.

14. Het middel faalt.

15. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

16. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Zie H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, derde deel, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1882, p. 30. Vgl. HR 14 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP2559, NJ 2004/576, rov. 3.3. Vgl. Noyon, Langemeijer & Remmelink (red.), Het Wetboek van Strafrecht (losbladig), Deventer: Kluwer, aant. 2 bij art. 350 Sr (bijgewerkt tot 1 mei 2007), waarin voor de betekenis van onbruikbaar maken wordt verwezen naar aant. 3 op art. 159 Sr (bijgewerkt tot 1 september 2004). Vgl. HR 19 oktober 1971, NJ 1972/33. Vgl. HR 19 mei 1998, NJ 1998/857, rov. 5.2. Vgl. HR 7 december 1999, NJ 2000/148, rov. 3. Vgl. HR 14 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP2559, NJ 2004/576, rov. 3 en HR 19 oktober 1971, NJ 1972/33. Vgl. HR 23 augustus 2008, nr. 02142/04 (niet gepubliceerd, art. 81 RO). Vgl. HR 19 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7262, NJ 2005/566 m.nt. Buruma (tweede klacht van het derde middel, art. 81 RO). Vgl. mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2015:1386) voorafgaand aan HR 1 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2447 (tweede middel; de Hoge Raad laat dit middel buiten bespreking). Zie het proces-verbaal van politie van 5 januari 2014, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], betreffende de aangifte van [verbalisant 2] namens de Politie Haaglanden. Dit proces-verbaal is deels als bewijsmiddel 1 voor het bewijs gebruikt. Vgl. HR 19 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7262, NJ 2005/566 m.nt. Buruma (tweede klacht van het derde middel, art. 81 RO). In die zaak was aangevoerd dat de desbetreffende kledingstukken toch gestoomd moesten worden.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JIN 2017/40 met annotatie van M.L.C.C. de Bruijn-Lückers
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?