1. Blijkens een akte van 25 mei 2016 heeft mr. M.P. de Klerk, advocaat te ‘s-Gravenhage, namens [benadeelde partij] (slachtoffer) beroep in cassatie ingesteld in de strafzaak tegen W.F.U. Doest.
2. In de strafzaak tegen de voornoemde persoon heeft het gerechtshof Den Haag, bij arrest van 10 mei 2016, de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Rotterdam van 13 mei 2015, waarbij, behalve een veroordeling van de verdachte tot onder meer een gevangenisstraf en de tbs-maatregel, een beslissing is gegeven ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij], als benadeelde partij. Deze vordering, ten bedrage van in totaal € 2330,20 is toegewezen tot een bedrag van € 1000,--, vermeerderd met de wettelijke rente.
3. Namens [benadeelde partij] heeft mr. M.P. de Klerk, advocaat te Den Haag een schriftuur ingediend, houdende een middel van cassatie.
4. In de strafzaak tegen de verdachte is noch door de verdachte, noch door het openbaar ministerie beroep in cassatie ingesteld. Dat betekent dat de schriftuur die namens de benadeelde partij is ingediend niet voor bespreking in aanmerking komt; de indiening van een schriftuur, op de voet van art. 437 lid 3, is gekoppeld aan een door een van de andere partijen, de verdachte of het openbaar ministerie, ingesteld – en ontvankelijk te achten – cassatieberoep. Uit eigen hoofde kan de benadeelde partij in de zaak waarin zij zich heeft gevoegd geen beroep in cassatie instellen. Dat betekent dat in het huidige cassatieberoep de indiener niet-ontvankelijk verklaard zou moeten worden.
5. Niettemin heeft de opsteller van de schriftuur zich de moeite getroost om met een veelheid aan argumenten te betogen dat het cassatieberoep tóch toegelaten zou moeten worden door de Hoge Raad.
6. Het gestelde in de schriftuur stuit echter af op de overwegingen van de Hoge Raad in zijn arrest van 26 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7011, NJ 2003/557. Ik citeer daaruit:
“De huidige wet bevat geen regeling ten aanzien van het instellen van beroep in cassatie door een benadeelde partij indien haar vordering door de appèlrechter in het strafgeding niet-ontvankelijk is verklaard dan wel afgewezen en noch de verdachte noch het openbaar ministerie cassatieberoep heeft ingesteld. Het al dan niet openstellen van zo een beroep in cassatie door een benadeelde partij valt buiten de rechtsvormende taak van de Hoge Raad.”
7. Kortom, ook al zou men vanwege de bestaande disharmonie in de rechtsmiddelenregeling met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij sympathie voelen voor het standpunt in de cassatieschriftuur, dan nog kan de Hoge Raad daaraan niets veranderen. Het scheppen van rechtsmiddelen valt – in ieder geval strafzaken - buiten de rechtsvormende taak van de Hoge Raad. Het betreft hier een algemeen uitgangspunt dat de Hoge Raad hanteert en er is geen grond aan te nemen dat de Hoge Raad hierin verandering zal aanbrengen.
8. Het ligt dus niet op de weg van de rechter maar op die van de wetgever om op dit punt de processuele mogelijkheden van de benadeelde partij uit te breiden. Met het oog daarop is het verheugend – maar voor de insteller van het cassatieberoep wellicht een schrale troost – dat de ontwerp-wetgever in het kader van de Modernisering van het Wetboek van Strafvordering heeft aangekondigd in het kader van die operatie wel zelfstandig cassatieberoep mogelijk te willen maken. In de zogenaamde Contourennota die door de Minister van V en J aan de Tweede Kamer is aangeboden valt te lezen, op p. 118-119:
“Wel ben ik van plan de cassatiemogelijkheden van de benadeelde partij uit te breiden. In de huidige regeling komt de benadeelde er op dit punt slecht van af. Berusten de verdachte en het OM beiden in het arrest van het gerechtshof, dan staat de benadeelde partij in het geheel geen rechtsmiddel open tegen deze uitspraak, ook niet wanneer zijn vordering is afgewezen of niet-ontvankelijk is verklaard. Is de vordering niet ontvankelijk verklaard, bijvoorbeeld omdat deze de behandeling van het strafgeding onevenredig zou belasten, dan kan de benadeelde zijn vordering nog wel voorleggen aan de civiele rechter. Dit laatste is echter niet mogelijk bij een afwijzing van de vordering. De zaak van de benadeelde stopt dan in de fase van het hoger beroep, zonder dat hij de gelegenheid heeft de beslissing over zijn vordering aan de Hoge Raad voor te leggen. Ook het OM kan geen hulp bieden. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad mag het OM het rechtsmiddel van de cassatie namelijk niet (louter) gebruiken om namens de benadeelde partij een beslissing over diens vordering aan de orde te stellen. Ook in een ander opzicht is de huidige regeling nogal grillig. Wordt bijvoorbeeld door de verdachte cassatieberoep ingesteld en is dit cassatieberoep ontvankelijk, dan kan de benadeelde partij met dit cassatieberoep „meeliften‟ en de beslissing over zijn vordering in cassatie aan de orde stellen. Hij kan er dan bijvoorbeeld over klagen dat het hof ten onrechte heeft beslist dat niet aan het relativiteitsvereiste is voldaan. Is daarentegen het cassatieberoep van de verdachte niet-ontvankelijk, bijvoorbeeld omdat artikel 80a RO wordt toegepast, dan staat de benadeelde partij met lege handen. Op deze manier is het lot van de benadeelde partij ten onrechte volledig afhankelijk geworden van de kwaliteit van de schrifturen die namens de verdachte of het OM zijn ingediend, ongeacht de kwaliteit en de gegrondheid van de middelen van de benadeelde partij. Vanwege deze redenen zal ik de benadeelde de mogelijkheid geven zelfstandig cassatie in te stellen indien zijn vordering geheel of gedeeltelijk is afgewezen, ongeacht of de verdachte dan wel het OM in cassatie is gegaan.”
9. Ten aanzien van de huidige situatie meen ik dat gelet op de grenzen aan de rechtsvormende taak van de Hoge Raad voor het openstellen van cassatieberoep nog steeds geen mogelijkheid bestaat. Ik teken daarbij aan dat, zoals ook de opsteller van de schriftuur als rechtskundig raadsman bekend zal zijn, degene die een eis tot schadevergoeding wil indienen tegen de verdachte niet bij uitsluiting is aangewezen op de weg van voeging in het strafproces, maar ook de civiele rechter kan adiëren, en alsdan de daaraan gekoppelde rechtsmiddelenregeling kan benutten.
10. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG