"Beroep op noodweer dan wel noodweerexces
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat verdachte ten aanzien van alle feiten heeft gehandeld uit noodweer dan wel noodweerexces. Op grond daarvan zou hij van alle rechtsvervolging ontslagen moeten worden.
Het hof overweegt als volgt.
Voor een geslaagd beroep op noodweer in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat het handelen van verdachte was geboden ter verdediging van zijn of eens anders lichaam tegen een ogenblikkelijke (dreigende) wederrechtelijke aanranding.
Parketnummer 08/910001-15, feiten 1 en 2
Naar het oordeel van het hof is uit de inhoud van het dossier niet aannemelijk geworden dat er op enig moment voor verdachte sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of dreiging daarvan, zodat niet aan de aan een noodweersituatie te stellen eisen is voldaan.
Gelet op de wisselende verklaringen van verdachte, hecht het hof geen geloof aan de verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep dat het, gelet op de verwondingen aan de handen van verdachte, niet anders kan dan dat [slachtoffer 1] toch een mes bij zich heeft gehad, waartegen verdachte zich (met een mes) mocht verweren. Verdachte heeft zelf eerder bij de politie verklaard dat [slachtoffer 1] geen mes bij zich had en ook overigens blijkt niet uit het dossier dat dat wel het geval was.
Daarbij komt dat toen [slachtoffer 1] zich in het trapportaal bevond, verdachte zelf de voordeur heeft geopend en vervolgens dat portaal heeft betreden, gewapend met een mes dat hij kort daarvoor uit de keukenlade had gepakt. Verdachte was op dat moment de agressor, gericht op confrontatie met de zich buiten de woning bevindende [slachtoffer 1] .
Nadat verdachte [slachtoffer 1] had gestoken en [slachtoffer 1] de trap afwankelde, zocht verdachte de confrontatie met [slachtoffer 2] die toen de trap opkwam naar het trapportaal. Ook ten aanzien van [slachtoffer 2] is niet aannemelijk geworden dat verdachte zich moest verdedigen tegen een (dreigende) aanval van [slachtoffer 2]. Het enkele feit dat [slachtoffer 2] een fietskettingslot met zich meevoerde maakt dat oordeel niet anders.
Nu verdachte noch ten aanzien van [slachtoffer 1] noch ten aanzien van [slachtoffer 2] een beroep op noodweer toekomt, omdat er geen sprake was van een noodweersituatie, wordt het beroep op noodweerexces eveneens verworpen."
Dat het hof niet duidelijk zou hebben gemaakt of het beroep op noodweer(exces) wordt verworpen omdat de feiten die daaraan ten grondslag zijn gelegd volgens het hof niet aannemelijk zijn, dan wel omdat die feiten een beroep op noodweer niet kunnen dragen, zoals de steller van het middel aan het hof verwijt, kan ik niet onderschrijven. Volgens het hof bestond voor verdachte geen noodweersituatie maar heeft verdachte zelf de confrontatie gezocht. Het één is zeer wel met het andere te verenigen. Het hof heeft aan de bewering van verdachte, dat [slachtoffer 1] in het bezit was van een mes, geen geloof gehecht. Van de kant van [slachtoffer 2] dreigde volgens het hof ook geen aanval op verdachte.
De steller van het middel voert ook nog aan dat het hof ten onrechte in het midden heeft gelaten wat de verdediging heeft aangevoerd over hetgeen onmiddellijk voor de bewezenverklaarde feiten is voorgevallen. De anderen zijn met geweld binnengedrongen in het gebouw door een portiekdeur te vernielen en dreigden de woning binnen te komen nadat zij daar ook een ruit hadden ingeslagen.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte gezegd dat hij op bezoek was, dat hij met anderen op een gegeven moment beneden stond en dat toen mensen aan kwamen rennen met iets in hun handen. Toen is verdachte met de anderen weer teruggegaan de woning in. Hun tegenstanders vernielden de ruiten van het trappenhuis waardoor zij de deur konden openen en daarna kwamen zij naar boven. Zij vernielden een ruit van de voordeur en gingen bij de voordeur tekeer. Verdachte was bang dat zij binnen zouden komen. Toen is hij met een mes gewapend naar buiten gegaan om ze tegen te houden. Zo raakte hij in handgemeen met [slachtoffer 1] . [slachtoffer 2] kwam de trap op met een fietskettingslot. Daar sloeg hij mee en raakte verdachte. Verdachte heeft hem toen in de schouder gestoken Tevoren was er ruzie geweest met [slachtoffer 2] en de zijnen. Daar was verdachte niet bij betrokken.
De advocaat van verdachte heeft zich beroepen op noodweer(exces) ten aanzien van alle feiten.
Als door of namens verdachte een beroep op noodweer(exces) wordt gedaan zal de rechter dat verweer moeten onderzoeken. Daarbij kan betekenis toekomen aan de inhoud en indringendheid van de argumenten die de verdediging heeft aangevoerd. De rechter zal moeten onderzoeken of de voorwaarden voor de aanvaarding van een beroep op noodweer zijn vervuld. Die houden naar luid van het eerste lid van artikel 41 Sr in dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding.
Over noodweerexces overwoog de Hoge Raad in 2016 het volgende:
"3.6.1. Noodweerexces kan in beeld komen bij een "overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging", dus wanneer aan alle voorgaande eisen is voldaan behalve aan de proportionaliteitseis. Wat de subsidiariteitseis betreft, verdient opmerking dat voor een beroep op noodweerexces geldt dat er wel een noodzaak tot verdediging moet zijn of moet zijn geweest.
Voor noodweerexces geldt in alle gevallen dat van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging slechts sprake kan zijn indien:
a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden was, dan wel indien
b. op het tijdstip van de hem verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar was beëindigd en de noodzaak tot verdediging er dus wel was geweest (maar niet meer bestond), doch zijn gedraging niettemin het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding."
Het hof heeft geen woord gewijd aan hetgeen zich in het portiek voor de woning heeft afgespeeld voordat verdachte de voordeur opende. Daarmee heeft het hof in het midden gelaten of de gebeurtenissen zoals de verdediging die heeft geschetst, zich inderdaad hebben voorgedaan, zodat in cassatie van de door de verdediging gestelde feiten moet worden uitgegaan. Het hof heeft er geen blijk van gegeven deze gebeurtenissen bij de beoordeling van het beroep op noodweer(exces) te hebben betrokken. Het hof heeft weliswaar aangenomen dat er geen sprake was van een noodweersituatie en daarom het beroep op noodweer(exces) verworpen, maar heeft daarbij geen acht geslagen op deze onmiddellijk aan de bewezenverklaarde feiten voorafgegane fase. Zonder nadere motivering is niet in te zien dat het inslaan van de ruit van de voordeur van de woning waarin verdachte en anderen zich hadden teruggetrokken, nadat eerder de portiekdeur was geforceerd, niet ook kan worden aangemerkt als een wederrechtelijke aanranding. Het oordeel van het hof dat "niet aannemelijk [is] geworden dat er op enig moment voor verdachte sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of dreiging daarvan" is daarom naar mijn oordeel ontoereikend gemotiveerd.
Het derde middel is terecht voorgesteld.
Het vierde middel klaagt over de beslissing van het hof over de kosten van rechtsbijstand van de in haar vordering niet ontvankelijk verklaarde benadeelde partij [benadeelde partij] . Ingevolge artikel 592a Sv moet de rechter een beslissing geven over de kosten die door de benadeelde partij en verdachte zijn gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog zijn te maken, ook als de benadeelde partij niet-ontvankelijk is verklaard in haar vordering, maar in de onderhavige zaak had het hof deze kostenveroordeling moeten motiveren. Daartoe stelt het middel dat de niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij "volstrekt voorzienbaar was gelet op de bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot zowel de zogeheten 'shockschade' als die met betrekking tot als (rechtstreekse) schade gevorderde kosten voor rechtsbijstand".
Het hof heeft in zijn arrest aldus geoordeeld over de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] :
"Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 21.749,27, waarvan € 1.737,- kosten rechtsbijstand. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.
Het hof is van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Kosten rechtsbijstand
Voor toewijzing van een vordering tot schadevergoeding als bedoeld in art. 51a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) komt alleen die schade in aanmerking die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit. De kosten van rechtsbijstand zijn niet als zodanige rechtstreekse schade aan te merken (vgl. HR 21 september 1999, NJ 1999, 801). Dat brengt mee dat dergelijke kosten ook niet in aanmerking kunnen worden genomen bij de oplegging van de in art. 36f, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) voorziene maatregel. Uit genoemd arrest volgt voorts dat indien een benadeelde partij dergelijke proceskosten als onderdeel van de schade in de zin van art. 51a Sv vordert, zij in zoverre in die vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Een redelijke uitleg van art. 592a Sv brengt wel mee dat bij de begroting van de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand van een benadeelde partij dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures (vlg. HR 29 mei 2001, NJ 2002, 123). Dat houdt in dat ter zake van de kosten als bedoeld in art. 56 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een vergoeding wordt toegekend op de voet van het in art. 56 e.v. Rv bepaalde en dat eventuele verdere, aangetoonde kosten van rechtsbijstand met inachtneming van het bepaalde in art. 57, zesde lid, Rv voor vergoeding in aanmerking kunnen komen.
Het hof zal in dit geval uitgaan van het liquidatietariefrechtbanken en hoven per 1 november 2004, zoals vastgesteld in overleg tussen vertegenwoordigers van de rechterlijke macht en de Nederlandse Orde van Advocaten en met ingang van 1 september 2008 aangepast aan de Wet afschaffing procuraat en invoering elektronisch berichtenverkeer. Het hof stelt daarbij naar redelijkheid en billijkheid het indienen van het verzoek tot schadevergoeding gelijk aan een conclusie na comparitie of enquête (0,5 punt) en - indien daar sprake van is - het bijwonen van de zitting bij de rechtbank en het hof gelijk aan het bijwonen van een enquête aan de zijde van de wederpartij (telkens 0,5 punt).
De raadsman is in eerste aanleg eenmaal ter zitting verschenen en in hoger beroep eenmaal.
Het verzoek tot schadevergoeding ad € 21.749,27 is ingediend door de raadsman van de benadeelde partij.
Het tarief is in casu tarief III, waar ieder punt wordt gewaardeerd op € 579,- zodat de kosten van rechtsbijstand worden bepaald op € 868,50."
De kosten van rechtsbijstand van de benadeelde partij zijn niet als rechtstreekse schade in de zin van artikel 51f Sv aan te merken. Deze kosten kunnen inderdaad ook niet betrokken worden bij de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel. De wettelijke voorschriften over de motivering van rechterlijke uitspraken strekken zich niet uit tot de in zo een uitspraak opgenomen beslissing over het bedrag van de kosten van de benadeelde partij, noch tot de vaststelling van wat tot die kosten moet worden gerekend. Maar de Hoge Raad heeft wel geoordeeld dat de beslissing om verdachte te veroordelen tot de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt in een geval waarin de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen, nadere motivering behoeft. In die zaak deed zich echter de eigenaardigheid voor dat het hof niet voldoende gebleken achtte dat de gestelde schade rechtstreeks door verdachtes bewezenverklaarde handelen was veroorzaakt. Het hof besliste dat daarom de benadeelde partij niet in haar vordering kon worden ontvangen. Dat in zo een geval de beslissing van het hof om toch de kosten voor rechtsbijstand van de benadeelde partij volkomen ten laste te laten komen van de verdachte een nadere motivering vergt lijkt mij alleszins redelijk.
Het eerste lid van artikel 237 Rv bepaalt dat de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld in de kosten wordt veroordeeld. Wel kan de rechter de kosten compenseren en de kosten die nodeloos werden aangewend of veroorzaakt voor rekening laten van de partij die deze kosten aanwendde of veroorzaakte. Wanneer de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard omdat de behandeling van de vorderingen een te zware belasting voor het strafproces zou betekenen, wil dat nog niet zeggen dat de benadeelde partij bij vonnis in het ongelijk is gesteld of dat kosten nodeloos zijn gemaakt. Kosten worden nodeloos gemaakt of veroorzaakt bijvoorbeeld als men een evident kansloos proces begint, kansloze stellingen en verweren poneert, een overbodig of prematuur proces aanlegt, te laat of ondeugdelijk stellingen, feiten of processtukken levert. Over de proceskosten bij bijzondere procedurele verwikkelingen, zoals bij incidenten, vorderingen tot voeging en tussenkomst in de civiele procedure, verzoeken tot vrijwaring, reconventie, geldt dat als uit de beslissing ten principale volgt dat de incidentele vordering terecht is voorgesteld de in de hoofdzaak in het ongelijk gestelde partij ook de kosten van het incident heeft te dragen, tenzij duidelijk is dat tussen het een en het ander geen verband bestaat. Het belang van de benadeelde partij bij voeging in het strafproces is er in gelegen dat schadevergoeding voor een strafbaar feit kan worden verkregen op een minder belastende, gecompliceerde en tijdrovende wijze dan via een civiele procedure. Ook als de strafrechter niet toekomt aan de beoordeling van de vordering van de benadeelde partij diende de voeging een gerechtvaardigd belang.
Het komt mij voor dat Borgers in zijn noot onder NJ 2011, 223, verwijzend naar de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot mr. Jörg in die zaak, een redelijk uitgangspunt formuleert voor de kostenverdeling. Uitgegaan dient te worden van de redelijkheid van de voeging door de benadeelde partij. Gaat het om een bij voorbaat kansloze vordering dan ligt het niet voor de hand de verdachte met de kosten van rechtsbijstand van de benadeelde partij op te zadelen. Zo een bij voorbaat kansloze vordering zal evenwel door de feitenrechter niet worden toegewezen. Daarbij past een kostenveroordeling voor de in het ongelijk gestelde benadeelde partij. Als de strafrechter de benadeelde partij echter niet-ontvankelijk verklaart omdat de behandeling van de vordering een te zware belasting van het strafproces vormt ligt het anders. De benadeelde partij mag proberen de strafrechter te laten beslissen op zijn vordering tot schadevergoeding. Er zijn immers nauwelijks vastomlijnde criteria aan te wijzen die de strafrechter gebruikt om invulling te geven aan zijn bevoegdheid de behandeling van de vordering toe te laten. De beslissing over de ontvankelijkheid van de benadeelde partij in haar vordering hangt af van waarderingen en wegingen van feitelijke aard. Maar als de strafrechter slechts vaststelt dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij een te zware belasting van het strafproces is en dat de benadeelde partij zich maar tot de civiele rechter moet wenden lijkt mij dat, in combinatie met de veroordeling voor het strafbaar feit dat ten grondslag lag aan de vordering van de benadeelde partij, voldoende motivering. NJ 2011, 223 betrof zo een eigenaardig gemotiveerde beslissing van het hof over de vordering van de benadeelde partij dat het alleszins gerechtvaardigd was om daar een nadere motivering te eisen. In de onderhavige zaak ligt mijns inziens de motivering al besloten in het arrest. Het hof heeft immers verdachte veroordeeld voor het feit dat aan de vordering van de benadeelde partij ten grondslag lag, maar heeft gemeend dat die vordering een te zware belasting voor het strafproces zou vormen. Daarom heeft de verdachte bij dit middel naar mijn mening geen belang.
7. Het derde middel komt mij gegrond voor te zijn. De overige middelen zijn naar mijn mening tevergeefs voorgesteld. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het de beslissingen betreft over de strafbaarheid van feit en dader ten aanzien van de bewezen verklaarde feiten onder parketnummer 08-910001-15 onder 1 en 2, de sanctiebepaling en de overige beslissingen die met de veroordeling voor die feiten samenhangen, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande beroep in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden