3.1. Ten laste van de verdachte is, onder 1 primair, bewezenverklaard dat:
“hij op 1 januari 2014 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet:
- heeft geslagen in het gezicht van voornoemde [slachtoffer] en vervolgens
- nadat voornoemde [slachtoffer] op de grond lag, met geschoeide voet is ingesprongen op en met geschoeide voet heeft geschopt tegen het hoofd van [slachtoffer].”
3.2. Het hof heeft dit bewezenverklaarde gekwalificeerd als:
“poging tot doodslag”.
3.3. Wat betreft het beroep van de verdediging op noodweer bevat het arrest de volgende overwegingen van het hof:
“Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Noodweer
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 8 mei 2015 het verweer gevoerd dat de verdachte ten aanzien van de eerste ten laste gelegde gevechtshandeling (het slaan in het gezicht) een beroep op noodweer toekomt.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Een beroep op noodweer kan slechts slagen in een situatie waarin de verdediging van — in dit geval — eigen lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, of tegen het onmiddellijk dreigend gevaar van een zodanige aanranding, noodzakelijk en geboden is. Bij de beantwoording van die vraag, komt mede betekenis toe aan de waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval.
Het hof stelt vast dat de verdachte in gevecht is geraakt met het latere slachtoffer [slachtoffer]. Uit de verklaringen van [betrokkene 1] (pp. 12 ev. dossier) en [betrokkene 2] (pp. 19 ev. dossier) leidt het hof af dat [slachtoffer] de verdachte als eerste een klap gegeven. Ook anderen verklaren dat de verdachte als eerste werd geslagen. Zo zegt [betrokkene 3] (pp. 26 ev. dossier) dat de verdachte “een klap kreeg van een jongen met een mannetje of zes, zeven achter hem” en zegt [betrokkene 4] (pp. 117 ev. dossier) dat hij zag dat de verdachte klappen kreeg van mensen uit die andere groep. Ook de verdachte zelf heeft verklaard (pp. 70 ev. dossier) dat hij uit het niets een klap op zijn gezicht kreeg, dat hij van de andere kant gelijk een tweede klap kreeg, dat hij veel pijn heeft in zijn mond en dat er een tand is afgebroken. Daarna heeft hij [slachtoffer] geslagen.
Het hof is van oordeel dat in het licht van het vorenstaande voldoende aannemelijk is geworden dat voor de verdachte een noodzaak bestond tot verdediging van zijn eigen lijf tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer]. Met het slaan van [slachtoffer] heeft de verdachte de grenzen van die noodzakelijke verdediging niet overschreden. Het onder 1, onder het eerste gedachtestreepje, bewezen verklaarde, te weten het slaan in het gezicht van [slachtoffer], is derhalve niet strafbaar en de verdachte zal daarom ter zake daarvan worden ontslagen van alle rechtsvervolging.”
3.4. Het bestreden arrest houdt met betrekking tot het beroep van de verdediging op noodweerexces het volgende in:
“Strafbaarheid van de verdachte
Noodweerexces
De raadsman van de verdachte heeft voorts het verweer gevoerd dat de verdachte ten aanzien van de tweede ten laste gelegde gevechtshandeling (het inspringen op en schoppen tegen het hoofd) een beroep op noodweerexces toekomt. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat bij de verdachte sprake is geweest van een voortdurende hevige gemoedsbeweging, veroorzaakt door de stress die hij ervoer als gevolg van een posttraumatisch stresssyndroom (hierna: PTSS). Hierdoor heeft een impulsdoorbraak plaatsgevonden en die heeft de ernstige agressie die in de tenlastelegging is vervat, tot gevolg gehad.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Uit voornoemde door het hof ter terechtzitting in hoger beroep van 1 december 2015 bekeken beelden, blijkt dat nadat de verdachte [slachtoffer] in het gezicht heeft geslagen, zoals hierboven is vermeld, [slachtoffer] op de grond valt en op zijn rug komt te liggen. Ongeveer twee seconden daarna loopt de verdachte naar [slachtoffer] toe, maakt een inspringende beweging en schopt tegen het hoofd van [slachtoffer] om direct daarna voor een tweede keer tegen het hoofd van [slachtoffer] te schoppen.
Het hof is van oordeel dat deze wijze van verdediging onder de gegeven omstandigheden als niet proportioneel dient te worden aangemerkt. De verdachte heeft hiermee de grenzen van de noodzakelijke verdediging in ruime mate overschreden. De vraag dient te worden beantwoord of die overschrijding het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, door de aanranding door [slachtoffer] veroorzaakt.
De verdachte heeft tijdens zijn verhoor bij de politie van 1 januari 2014 (pp. 70 ev. dossier) onder meer het volgende verklaard: Ik wilde het juist sussen. Ik heb twee klappen gehad van een negroïde jongen. Daarna raakte ik in paniek, want er kwamen 20 mensen op mij afgerend. Ik ben toen weggerend. Vanaf dat ik die twee klappen had gekregen, weet ik niet precies wat er is gebeurd. Ik was zo in de war in mijn hoofd. Ik was zo in paniek”. In zijn verhoor bij de politie van 9 januari 2014 (pp. 120 ev. dossier) heeft de verdachte onder meer verklaard: “Ik kan me de vechtpartij niet goed herinneren. Ik heb klappen gehad en kreeg pijn in mijn kies. Ik raakte in paniek. Ik raakte de volledige controle kwijt. Het laatste wat ik me kan herinneren zijn de klappen op mijn hoofd. Ik kreeg deze van een donkere jongen”.
In het rapport van het psychologisch onderzoek van de verdachte, opgemaakt door M.G. van der Meer, GZ-psycholoog, staat onder meer:
Bij betrokkene was ten tijde van het ten laste gelegde sprake van PTSS, wat vooral gekenmerkt werd door het vermijden van stimuli die doen denken aan het trauma. De gebeurtenissen waaraan betrokkene is blootgesteld worden gekenmerkt door seksueel misbruik en ernstige dreiging met geweld. Betrokkene heeft een copingmechanisme ontwikkeld om negatieve affecten, zoals angst, verdriet en boosheid, te onderdrukken. Betrokkene beschrijft een patroon waarbij hij bij vechtpartijen, waar vrienden zijn betrokken, wil sussen, ondanks dat het leidt tot veroordelingen en zelfs eenmaal een mes in zijn rug. Ten tijde van het ten laste gelegde wil betrokkene wederom de op handen zijnde vechtpartij sussen en krijgt twee klappen. Betrokkene voelde zich ernstig bedreigd, was in paniek en had het idee dat er “20 man ” op hem afkwam, waarna een impulsdoorbraak volgde met ernstige agressie, indien bewezen. Betrokkene heeft de situatie, mede op basis van zijn eerdere ervaringen, als zeer bedreigend ingeschat, waarbij de angst opliep en de eerder opgedane en onderdrukte negatieve affecten tot uiting kwamen. Geadviseerd wordt betrokkene verminderd toerekeningsvatbaar te achten daar de PTSS en met name de beperkte copingsmechanismen zijn gedragskeuzemogelijkheden in aanzienlijke mate beperkt hebben.
Beantwoording van vragen.
Bij onderzochte is ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde sprake van een ziekelijke stoornis, te weten een posttraumatische stressstoornis, die sinds het seksueel misbruik is ontstaan. De PTSS was gedeeltelijk van invloed op de gedragskeuzemogelijkheden van betrokkene.
Van der Meer voornoemd is ter terechtzitting in hoger beroep van 1 december 2015 als deskundige gehoord en heeft daar onder meer verklaard:
Bij betrokkene was sprake van PTSS. Er zijn ervaringen in zijn voorgeschiedenis waarbij sprake was van agressie. Er is sprake van een posttraumatische stressstoornis sinds zijn kindertijd. Naar mijn idee heeft het bedreigde gevoel van betrokkene ertoe geleid zulk geweld te gebruiken. Er is dan sprake van het doorbreken van onderdrukte affecten. In zijn voorgeschiedenis was al sprake van PTSS. Deze was wel degelijk aanwezig in het toepassen van het geweld, in het excessieve ervan. Patiënten met PTSS staan voortdurend onder stress, zijn hoogalert, kunnen snel schrikken en zijn prikkelbaar. Bij betrokkene zijn al die kenmerken aanwezig.
Als iemand PTSS heeft, is er een verhoogde alertheid op gevaar, overal kan mogelijk gevaar dreigen, en dat maakt het spanningsniveau hoger dan bij iemand zonder PTSS. In het geval van betrokkene had hij het idee dat er 20 man op hem afkwam, hij voelde zich zeer bedreigd. Hij was in paniek. In combinatie met PTSS kan er dan behoorlijke agressie komen. De PTSS, zijn eerdere ervaringen en de coping, namelijk het onderdrukken en vermijden van gevoelens, hebben mede het gedrag van betrokkene beïnvloed in de zin dat hij kwam tot excessief geweld.
Het hof acht op grond van het vorenstaande aannemelijk geworden dat de aanval door [slachtoffer] bij de verdachte een zo hevige gemoedsbeweging teweeg heeft gebracht dat hij is ingesprongen op en heeft geschopt tegen het hoofd van [slachtoffer]. Al heeft de verdachte daarmee de grenzen van een proportionele verdediging overschreden, hij kan te dien aanzien niet als een strafbare dader worden aangemerkt. Het hof honoreert het beroep op noodweerexces en zal de verdachte op die grond ten aanzien van het onder 1, onder het tweede gedachtestreepje bewezen verklaarde, ontslaan van alle rechtsvervolging.”
4. Het eerste middel bevat twee klachten. De eerste klacht is dat het hof heeft nagelaten zijn afwijking van een van de zijde van het openbaar ministerie ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt nader te motiveren.
4.1. Blijkens de inhoud van het requisitoir van de advocaat-generaal bij het hof – dat aan het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 8 mei 2015 is gehecht – is namens het openbaar ministerie in hoger beroep onder andere het volgende aangevoerd:
“In deze zaak zijn eigenlijk twee momenten te onderscheiden. Zo wordt dat ook in het vonnis omschreven:
1. Bij het verlaten van [betrokkene 5] verjaardag wordt één van de vrouwen uitgescholden en volgt er een vechtpartij waarbij [verdachte] en [slachtoffer] vechten; [verdachte] wordt aangevallen en reageert daarop.
2. Vechtpartij tussen [verdachte] en [slachtoffer] waarbij uiteindelijk de laatste op de grond belandt en [verdachte] tot tweemaal toe op hem springt/stampt/trapt tegen het hoofd.”
Van groot belang in deze zaak is dat betrokkenen door anderen uit elkaar worden gehaald en zij op enige afstand van elkaar staan. Dat is de scheiding, de break die in deze zaak van belang is voor de beoordeling van de feiten en de vraag of sprake is van noodweer.
De tenlastelegging ziet op het tweede moment en niet op het eerste deel. Zo heeft de officier van justitie dit ook uitdrukkelijk naar voren gebracht bij de behandeling van de strafzaak in eerste aanleg en in het schriftuur.
Het OM achtte het niet opportuun om verdachte te vervolgen voor wat er voor de break is gebeurd. Er zou sprake kunnen zijn van een noodweersituatie. Verdachte werd in zijn gezicht geslagen en hierop reageerde hij.
De feiten op de dagvaarding zien dus op het tweede moment nadat verdachte en aangever dus uit elkaar zijn gehaald en op afstand staan.”
4.2. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat de vaststellingen van het hof in het kader van het beroep op noodweer(exces) erop wijzen dat het hof bij zijn beoordeling hiervan feiten heeft betrokken uit de eerste vechtpartij, waarin de verdachte het slachtoffer ook een klap in zijn gezicht heeft gegeven, terwijl in het hiervoor weergegeven uitdrukkelijk onderbouwde standpunt tot uitdrukking is gebracht dat alléén de handelingen in het tweede deel van de vechtpartij – dus nadat de verdachte en het slachtoffer van elkaar gescheiden werden – zijn tenlastegelegd. Omdat het hof daardoor is afgeweken van het standpunt van het openbaar ministerie, door – zo begrijp ik de klacht – de eerste klap in het gezicht van het slachtoffer in zijn oordeel te betrekken, had het hof dat ingevolge art. 359 lid 2 Sv op straffe van nietigheid nader moeten motiveren.
4.3. Hoewel er door de verdachte meerdere klappen in het gezicht van het slachtoffer zijn gegeven, die alle door het hof zijn betrokken bij zijn motivering van het aannemen van het beroep op noodweer, lees ik uit de overwegingen van het hof niet dat het hof onder de in de tenlastelegging onder 1 primair genoemde klap, een klap uit de “eerste vechtpartij” tussen het slachtoffer en de verdachte heeft begrepen. Dat kan naar mijn mening uit de overweging van het hof in de hierboven onder 3.4 weergegeven passage van het arrest, dat “uit voornoemde door het hof ter terechtzitting in hoger beroep van 1 december 2015 bekeken beelden, blijkt dat nadat de verdachte [slachtoffer] in het gezicht heeft geslagen, zoals hierboven is vermeld, [slachtoffer] op de grond valt en op zijn rug komt te liggen”. De verwijzing “zoals hierboven is vermeld” slaat terug op de honorering van het beroep op noodweer ten aanzien van de onder 1 tenlastegelegde klap in het gezicht. Daar maak ik uit op dat het hof steeds de klap in het gezicht in de tweede fase van het gevecht, te weten de klap die ervoor zorgde dat het slachtoffer op de grond kwam te liggen, voor ogen heeft gehad. Dat betekent dat de klacht feitelijke grondslag ontbeert.
4.4. Voor zover het in het middel bedoelde standpunt van het openbaar ministerie zo moet worden begrepen, dat het hof de gang van zaken vóór de tweede vechtpartij in het geheel niet bij de beantwoording van de vraag of sprake was van een noodweersituatie mocht betrekken en dat hetgeen door het openbaar ministerie op de zitting van het hof hierover is aangevoerd moet worden aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, dat het hof bij verwerping nader had moeten motiveren, geldt het volgende.
4.5. De advocaat-generaal bij het hof heeft in hoger beroep bij requisitoir op de zitting van 8 mei 2015 nader toegelicht op welke wijze de tenlastelegging volgens het openbaar ministerie moest worden opgevat. Daarbij heeft zij slechts opgemerkt dat het moment waarop de verdachte en het slachtoffer na de eerste vechtpartij uit elkaar werden gehaald “van belang is voor de beoordeling van de feiten en de vraag of sprake is van noodweer”.
Dat de advocaat-generaal kennelijk van mening is dat er na de onderbreking van de vechtpartij geen noodweersituatie meer was, blijkt alleen uit de navolgende passage in het requisitoir:
“De rechtbank lijkt de Officier van Justitie te volgen maar dan volgt de rechtbank toch het verweer van de verdediging dat sprake is van een noodweersituatie. Dit terwijl er geen noodweersituatie meer was. Verdachte en slachtoffer waren uit elkaar gehaald. Op een of andere manier betrekt de rechtbank de gebeurtenissen van voor de break erbij.”
4.6. Ik ben van mening dat dit standpunt door de advocaat-generaal bij het hof in zijn requisitoir niet op zodanige wijze naar voren is gebracht, dat het hof zijn afwijking daarvan van een nadere motivering als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv diende te voorzien.
4.7. Maar ook als het door de advocaat-generaal in het requisitoir aangevoerde wel als uitdrukkelijk onderbouwd standpunt kan worden aangemerkt, dan nog ligt de verwerping van dit standpunt in de motivering van het hof besloten.
Het hof heeft bij de beantwoording van de vraag of voor de verdachte voorafgaand aan de onder 1 primair tenlastegelegde klap in het gezicht van het slachtoffer sprake was van een noodweersituatie, kennelijk geen hard onderscheid willen aanbrengen tussen de situatie voor het moment waarop het slachtoffer en de verdachte voor korte tijd van elkaar werd gescheiden en de situatie daarna. Daarbij heeft het hof de feiten als volgt vastgesteld:
(i) dat de verdachte bij de vechtpartijen tussen het slachtoffer en de verdachte als eerste klappen heeft gehad;
(ii) dat het slachtoffer bij het geven van deze klappen werd gesteund door vele anderen en
(iii) dat de verdachte als gevolg van de genoemde klappen veel pijn in zijn mond had (zie de hierboven onder 3.3 weergegeven passage van het arrest);
(iv) verder heeft het hof voor het bewijs gebruikgemaakt van een proces-verbaal van bevindingen dat inhoudt dat het slachtoffer ook nadat het slachtoffer en de verdachte uit elkaar werden gehaald weer als eerste naar de verdachte is toegelopen (zie het als tweede opgenomen bewijsmiddel in de bijlage bij het vonnis in eerste aanleg, dat het hof in zijn aanvulling op het besteden arrest heeft overgenomen);
(v) tot slot heeft het hof gewezen op de verklaring van de verdachte die inhoudt dat de verdachte na de eerste klappen van het slachtoffer in paniek en in de war raakte.
Wanneer de overwegingen van het hof over het verloop van de vechtpartijen in onderlinge samenhang worden bezien, kan daaruit in voldoende mate worden opgemaakt op welke gronden het hof heeft geoordeeld dat het door het openbaar ministerie voorgestelde onderscheid tussen de eerste vechtpartij en de tweede vechtpartij te kunstmatig is.
4.8. De eerste klacht faalt.
4.9. De tweede klacht houdt in dat het hof de honorering van het beroep van de verdediging op noodweer ontoereikend heeft gemotiveerd. Daarbij noemt de steller van het middel met name als bezwaar dat het hof bij zijn beoordeling van het genoemde noodweerberoep (deels) is afgegaan op enkele verklaringen van getuigen over de eerste klappen die de verdachte van het slachtoffer heeft gekregen, zonder dat het hof (expliciet) duidelijk heeft gemaakt of deze klappen bij de eerste vechtpartij of bij de tweede vechtpartij werden gegeven.
4.10. Dat ook de tweede klacht van het middel niet slaagt, volgt rechtstreeks uit de bespreking van de eerste klacht. Uit de feitelijke vaststellingen in het arrest kan in voldoende mate worden opgemaakt dat en waarom het hof heeft geoordeeld dat in de onderhavige zaak geen hard onderscheid kan worden aangebracht tussen de verschillende fasen van de vechtpartij waarin het slachtoffer en de verdachte verwikkeld waren. Nu deze vaststellingen onder meer inhouden dat het slachtoffer in het eerste deel van de vechtpartij door vele anderen gesteund werd, dat het slachtoffer, nadat de omstanders hem en de verdachte hadden gescheiden, weer als eerste naar de verdachte toeliep en dat de verdachte op dat moment veel pijn had en in paniek en in de war was, is het oordeel van het hof dat de verdachte heeft gehandeld in noodweer toereikend gemotiveerd en niet onbegrijpelijk.
4.11. De tweede klacht treft ook geen doel, zodat het middel in zijn geheel faalt.
5. Het tweede middel richt zich tegen de beslissing van het hof om de verdachte ter zake van het schoppen tegen het hoofd van het slachtoffer heeft ontslagen van alle rechtsvervolging wegens noodweerexces. Volgens de steller van het middel getuigt dit oordeel van hof van een onjuiste rechtsopvatting. Zo dit niet het geval is, dan heeft het hof zijn oordeel dat de verdachte wat betreft het schoppen tegen het hoofd van het slachtoffer niet strafbaar is ontoereikend gemotiveerd.
5.1. In de toelichting op het middel worden de volgende rechtsoverwegingen van de Hoge Raad uit het overzichtsarrest over noodweer en noodweerexces uit 2016 aangehaald:
“3.6.1. Noodweerexces kan in beeld komen bij een “overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging”, dus wanneer aan alle voorgaande eisen is voldaan behalve aan de proportionaliteitseis. Wat de subsidiariteitseis betreft, verdient opmerking dat voor een beroep op noodweerexces geldt dat er wel een noodzaak tot verdediging moet zijn of moet zijn geweest.
3.6.2. Voor noodweerexces geldt in alle gevallen dat van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging slechts sprake kan zijn indien:
a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden was, dan wel indien
b. op het tijdstip van de hem verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar was beëindigd en de noodzaak tot verdediging er dus wel was geweest (maar niet meer bestond), doch zijn gedraging niettemin het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.
3.6.3. Uit het wettelijke vereiste dat de gedraging het “onmiddellijk gevolg” moet zijn van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding, volgt dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging. Niet is uitgesloten dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging, maar aan het gevolgvereiste is niet voldaan indien de hevige gemoedsbeweging in essentie is terug te voeren op een eerder bestaande emotie, zoals een reeds bestaande kwaadheid jegens het slachtoffer.
Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval sprake is van het hier bedoelde "onmiddellijk gevolg", kan betekenis toekomen aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging. Voorts kan het tijdsverloop tussen de aanranding en de verdedigingshandeling van belang zijn.”
5.2. Door de steller van het middel wordt betoogd dat het hof bij zijn honorering van het beroep op noodweerexces van de verdediging in strijd heeft gehandeld met het door de Hoge Raad in deze overwegingen genoemde (dubbele) gevolgvereiste. Dit vereiste houdt in dat een beroep op noodweerexces alleen kan slagen als de verweten gedraging van de verdachte het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging die op haar beurt is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding en dus niet door een reeds eerder bestaande emotie. Volgens de steller van het middel ligt in de hierboven onder 3.4 aangehaalde overwegingen van het hof besloten, dat het hof het tenlastegelegde schoppen tegen het hoofd van de verdachte hoofdzakelijk acht te zijn veroorzaakt door een bij de verdachte geconstateerde posttraumatische stressstoornis.
5.3. Aan de steller van het middel moet worden toegegeven dat het hof in zijn overwegingen over het beroep op noodweerexces uitgebreid in gaat op de stressstoornis waaraan de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde feit leed. De overwegingen van het hof lijken dan ook op het eerste gezicht meer thuis te horen bij een beroep op niet-toerekenbaarheid in de zin van art. 39 Sr. Daar komt bij dat door de wijze waarop het hof het beroep van de verdediging op noodweerexces in het arrest heeft verwoord, namelijk dat de verdediging heeft gesteld dat “bij de verdachte sprake is geweest van een voortdurende hevige gemoedsbeweging, veroorzaakt door de stress die hij ervoer als gevolg van een posttraumatische stressstoornis” het erop lijkt dat het door de verdachte toegepaste (excessieve) geweld door deze stressstoornis en niet (voornamelijk) door de wederrechtelijke aanranding is veroorzaakt. Hoewel een beroep op noodweerexces volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad ook kan slagen als andere factoren dan een wederrechtelijke aanranding hebben bijgedragen aan het ontstaan van de hevige gemoedsbeweging, volgt uit diezelfde jurisprudentie dat primaire gewicht toch moet worden gelegd bij de vraag of de wederrechtelijke aanranding de betreffende gemoedsbeweging heeft veroorzaakt.
5.4. Daar staat echter tegenover dat het hof bij zijn vaststelling dat de verdachte met het schoppen tegen het hoofd van het slachtoffer de grenzen van een proportionele verdediging heeft overschreden, heeft overwogen dat vervolgens de vraag dient te worden beantwoord “of die overschrijding het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, door de aanranding door [slachtoffer] veroorzaakt”. Het hof heeft bovendien uitdrukkelijk geoordeeld dat het naar zijn oordeel voldoende aannemelijk is geworden “dat de aanval door [slachtoffer] bij de verdachte een zo hevige gemoedsbeweging teweeg heeft gebracht dat hij is ingesprongen op en heeft geschopt tegen het hoofd van [slachtoffer]”. Van een onjuiste rechtsopvatting is het hof dan ook niet uitgegaan.
5.5. De vraag is vervolgens of het hof zijn beslissing toereikend heeft gemotiveerd. Naar mijn mening is dat het geval. Uit zowel de door het hof aangehaalde verklaringen van de verdachte zelf als uit de door het hof aangehaalde rapportage met betrekking tot de stressstoornis van de verdachte blijkt dat de noodweersituatie waarin de verdachte zich heeft bevonden van doorslaggevende betekenis is geweest voor het ontstaan van de hevige gemoedsbeweging en het daaropvolgende (excessief) gewelddadige gedrag van de verdachte. De aangehaalde verklaringen van de verdachte zelf houden immers in dat de verdachte twee klappen kreeg van het slachtoffer en daarna in paniek raakte, terwijl het onderzoeksrapport van GZ-psycholoog Van der Meer onder meer inhoudt dat de verdachte zich door de twee klappen van het slachtoffer ernstig bedreigd voelde. Dat het hof daarbij (uitgebreid) is ingegaan op de posttraumatische stressstoornis van de verdachte, doet er niet aan af dat de geweldsuitbarsting van de verdachte het gevolg is geweest van het feit dat hij door het slachtoffer is aangevallen en in het nauw werd gebracht. Verdachtes posttraumatische stressstoornis kon door het hof worden aangemerkt als een “andere factor” die mede aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging heeft bijgedragen. Uit het voorbeeld dat de Hoge Raad in het hiervoor aangehaalde overzichtsarrest noemt, namelijk dat aan het gevolgvereiste niet is voldaan indien de hevige gemoedsbeweging in essentie is terug te voeren op een eerder bestaande emotie, zoals een reeds bestaande kwaadheid jegens het slachtoffer, leid ik af dat aan het gevolgvereiste niet is voldaan als de hevige gemoedsbeweging al vóór het geweldsincident bestond. Daarvan is in onderhavige zaak geen sprake. Daarom meen ik dat het hof voldoende gemotiveerd tot het oordeel is gekomen dat de hevige gemoedsbeweging waarin de verdachte bij het schoppen van het slachtoffer heeft gehandeld het onmiddellijke gevolg is geweest van een daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.
5.6. Het tweede middel faalt eveneens.
6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG