(BW5136)
- “meermalen bijeenkomsten heeft bijgewoond waarbij de gewelddadige jihad werd gepropageerd en het martelaarschap werd verheerlijkt, waarbij werd opgeroepen om ongelovigen te haten, en waarbij beeldmateriaal is vertoond waarop zelfmoordaanslagen en liquidaties te zien zijn;
- geschriften heeft verzameld, met anderen heeft besproken en/of heeft geciteerd waarin verzet en/of geweld tegen de democratie en het omverwerpen van tot de democratische rechtsorde behorende structuren wordt gepropageerd;
- pogingen heeft ondernomen om anderen voor de jihad te werven;
- in chatgesprekken heeft gesproken over de noodzaak met name genoemde politici te slachten, en in zulke chatgesprekken anderen heeft opgeroepen om een training in Afghanistan en Pakistan te volgen zoals hijzelf had gedaan;
- zich verheugd heeft betoond bij het vooruitzicht politieambtenaren, ministers, soldaten en officieren te mogen afslachten, en heeft laten weten nog heel wat mensen op zijn dodenlijstje te hebben.”
(BW5178)
- “met enige regelmaat bijeenkomsten bijwoonde waarbij de gewelddadige verspreiding van de islam werd gepropageerd en waarbij beeldmateriaal van onthoofdingen werd vertoond;
- zelf voor zulke bijeenkomsten wel eens beeldmateriaal meebracht van het afslachten van vrouwen en kinderen en van het opblazen van Russische tanks, teneinde het gedachtegoed van de jihad uit te dragen;
- actief heeft willen bijdragen aan het propageren van de islam door aan bedoelde bijeenkomsten deel te nemen en mee te werken aan de verspreiding van een geschrift met radicale inhoud, getiteld ‘How to catch a wolf’, waarin tot de gewapende jihad wordt opgeroepen.”
(BW5132)
- “meermalen bijeenkomsten heeft bijgewoond waarbij over de gewelddadige verspreiding van de islam werd gesproken;
- zich tijdens zulke bijeenkomsten en ook overigens heeft ingespannen om het door hem aangehangen gedachtegoed betreffende de islam en de verspreiding daarvan op anderen over te brengen;
- tijdens zulke bijeenkomsten om geld heeft gevraagd ter ondersteuning van gezinsleden van gedetineerde geestverwanten;
- voorts heeft het Hof vastgesteld dat in het pand dat de verdachte tezamen met anderen bewoonde documenten en beeldmateriaal aanwezig was met betrekking tot de gewelddadige jihad.”
(BW5161)
- “meermalen bijeenkomsten heeft bijgewoond waarbij over de gewelddadige verspreiding van de islam werd gesproken en waarbij beeldmateriaal is vertoond waarop onthoofdingen en liquidaties te zien zijn;
- geschriften heeft verzameld en documenten van internet heeft gedownload met betrekking tot de gewelddadige jihad;
- aan elektronisch berichtenverkeer heeft deelgenomen waarin die gewelddadige jihad wordt gepropageerd; en ook
- beeldmateriaal en vlaggen heeft verzameld die met de gewelddadige jihad in verband te brengen zijn.”
23. In beide laatste gevallen zijn er wel aanwijzingen in de richting van deelname en ondersteuning zoals het bijwonen van de genoemde bijeenkomsten. In BW5132 wordt onder meer het werven van geldelijke steun genoemd. De steller van het middel wijst er op dat de vergelijking die het hof met deze vaststelling in BW5132 maakt, mank gaat. Ik ga er hier maar vanuit dat het hof een vergelijking heeft gemaakt, maar wijs er overigens op dat mij daarvan niet is gebleken. Inderdaad gaat het in BW5132 niet om geldelijke steun aan de organisatie, maar het geld is bestemd voor ondersteuning van gezinsleden van gedetineerde geestverwanten. Dat het hof voor het verschil geen oog heeft gehad, zie ik niet in. In BW5161 valt op dat het nader omschreven downloaden en e-mailen onvoldoende is. Het gedrag van verdachte in de onderhavige zaak is daarmee min of meer vergelijkbaar.
24. Het komt mij gelet op deze rechtspraak voor dat de beslissing van het hof om het viermaal in veertien maanden verlenen van financiële steun niet aan te merken als deelneming aan een terroristische organisatie niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en evenmin onbegrijpelijk is. Het is mede afhankelijk van feiten en omstandigheden waaronder de hoogte van donatie die het hof overigens bij de motivering van de vrijspraak niet met zoveel woorden heeft genoemd.
25. Het laatste klachtonderdeel betreft de begrijpelijkheid van de vrijspraak door het hof in het licht van de vaststellingen van het hof in het kader van het derde feit. Er is inderdaad vrijgesproken van deelneming al dan niet op de wijze zoals bedoeld in art. 140, vierde lid, Sr en dus ook van deelneming in mogelijk andere vormen van deelname en ondersteuning dan financiële steun. Het hof heeft bij de vrijspraak in aanmerking genomen dat verdachte in de tenlastegelegde periode en daaraan voorafgaand veel interesse heeft gehad in en onderzoek heeft gedaan naar de gewapende strijd en diverse terroristische organisaties, wier gedachtengoed en doelstelling zij wellicht ook aanhing en wilde ondersteunen. Het komt mij voor dat het hof hiermee te kennen heeft gegeven wel degelijk ook rekening te hebben gehouden met hetgeen in het kader van het derde feit uitdrukkelijk en met zoveel woorden is vastgesteld. Dat het hof die interesse en dat onderzoek echter niet van voldoende gewicht heeft geoordeeld om het aan te merken als deelneming aan een criminele organisatie acht ik mede in het licht van de hierboven al besproken rechtspraak in de Hofstadzaak niet onbegrijpelijk.
26. Het middel faalt.
27. Deze conclusie strekt ertoe dat de verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het cassatieberoep en dat het beroep van het openbaar ministerie wordt verworpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden