Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de door de benadeelde partij ingediende vordering tot schadevergoeding tot een bedrag van € 10.604,96, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het toe te wijzen bedrag bestaat uit een bedrag van € 605,07 ter zake van materiële schade en een bedrag van € 10.000,00 ter zake van immateriële schade. De gevorderde immateriële schade dient te worden gematigd, omdat het steken met het mes en het afbijten van een stuk van het oor niet als twee losstaande incidenten kunnen worden gezien en niet conform de bedragen in de twee bijgevoegde zaken bij elkaar opgeteld kunnen worden, omdat daar voor wat betreft de gevolgen sprake is van samenloop, aldus de officier van justitie.
De officier van justitie heeft verzocht de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren dan wel de vordering af te wijzen gelet op de door de verdediging bepleite vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging. Subsidiair is de raadsvrouw van mening dat de materiële kosten toegewezen kunnen worden en dat de verzochte immateriële schadevergoeding dient te worden gematigd tot een bedrag van € 6.000,00. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat er twee uitspraken ter onderbouwing van de steekwonden en het afbijten van een stuk van het oor zijn bijgevoegd, maar dat deze bedragen niet kunnen worden opgeteld, omdat de wijze van inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer dan tweemaal in plaats van eenmaal berekend wordt. Daar komt bij dat de steekwonden in de bijgevoegde zaak ernstiger waren dan in de onderhavige zaak, aldus de raadsvrouw.
Het oordeel van de rechtbank
Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij [betrokkene 2] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van de onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde feiten. De hoogte van die schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 11.724,96, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede vermeerderd met de kosten die - tot op heden - worden begroot op nihil.
De rechtbank ziet, gelet op de ernst van de door verdachte jegens de benadeelde partij gepleegde strafbare feiten, de door de benadeelde partij in de schriftelijke slachtofferverklaring voor hem beschreven gevolgen van deze feiten en het feit dat de benadeelde partij blijvend aangezichtsletsel heeft, geen aanleiding om de verzochte immateriële schadevergoeding te matigen. De rechtbank zal de vordering daarom tot voormeld bedrag toewijzen.
Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij zal de rechtbank overeenkomstig artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom ten behoeve van de benadeelde partij.
9. b DE BENADEELDE PARTIJ [betrokkene 1]
Voor aanvang van de terechtzitting heeft [betrokkene 1] zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte onder 3 ten laste gelegde feit. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 1.858,39, waarvan een bedrag van € 358,39 ter zake van materiële schade en een bedrag van € 1.500,00 ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de door de benadeelde partij ingediende vordering tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.626,70, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het toe te wijzen bedrag bestaat uit een bedrag van € 355,70 ter zake van materiële schade en een bedrag van € 1.271,00 ter zake van immateriële schade. De officier van justitie heeft de verzochte vergoeding voor belkosten gematigd tot een bedrag van € 63,41, omdat naar de mening van de officier van justitie over een lager bedrag dan gevraagd BTW kan worden toegekend. De gevorderde immateriële schade dient te worden gematigd, omdat de bij de vordering gevoegde zaak grotendeels te vergelijken is met de onderhavige zaak en de benadeelde partij het in de onderhavige zaak meer gevorderde niet nader heeft onderbouwd, aldus de officier van justitie.
De officier van justitie heeft verzocht de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren dan wel de vordering af te wijzen gelet op de door de verdediging bepleite vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging. Subsidiair is de raadsvrouw van mening dat de materiële kosten toegewezen kunnen worden en dat de verzochte immateriële schadevergoeding dient te worden gematigd tot een bedrag van € 800,00. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat de twee ter onderbouwing gevoegde uitspraken niet bij elkaar kunnen worden opgeteld, omdat de wijze van inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer dan tweemaal in plaats van eenmaal berekend wordt.
Het oordeel van de rechtbank
Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij [betrokkene 1] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het onder 3 primair bewezen verklaarde feit. De hoogte van die schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 1.858,39, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede vermeerderd met de kosten die — tot op heden - worden begroot op nihil.
De rechtbank ziet, gelet op de ernst van het door verdachte jegens de benadeelde partij gepleegde strafbare feit en de door de benadeelde partij in de schriftelijke slachtofferverklaring voor haar beschreven gevolgen, geen aanleiding om de verzochte immateriële schadevergoeding te matigen. De rechtbank zal de vordering daarom tot voormeld bedrag toewijzen.
Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij zal de rechtbank overeenkomstig artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom ten behoeve van de benadeelde partij.
9. c DE BENADEELDE PARTIJ [betrokkene 3]
Voor aanvang van de terechtzitting heeft [betrokkene 3] zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte onder 4 ten laste gelegde feit. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 1.028,42, waarvan een bedrag van € 178,42 ter zake van materiële schade en een bedrag van € 850,00 ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de door de benadeelde partij ingediende vordering tot schadevergoeding tot een bedrag van € 913,43, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het toe te wijzen bedrag bestaat uit een bedrag van € 163,43 ter zake van materiële schade en een bedrag van € 750,00 ter zake van immateriële schade. De officier van justitie heeft de verzochte vergoeding voor de trui en de schoenen gematigd, omdat deze een halfjaar oud waren en een afschrijving van 10% moet worden toegepast. De gevorderde immateriële schade dient te worden gematigd, omdat de bij de vordering ter onderbouwing gevoegde zaak niet helemaal te vergelijken is met de onderhavige zaak, aldus de officier van justitie.
De officier van justitie heeft verzocht de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren dan wel de vordering af te wijzen gelet op de door de verdediging bepleite ontslag van alle rechtsvervolging. Subsidiair kan de vordering zoals verzocht toegewezen worden, aldus de raadsvrouw.
Het oordeel van de rechtbank
Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij [betrokkene 3] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het onder 4 bewezen verklaarde feit. De hoogte van die schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 1.028,42, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede vermeerderd met de kosten die - tot op heden - worden begroot op nihil.
De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde bedragen voor de trui en de schoenen niet onevenredig hoog zijn. De rechtbank zal de gevorderde materiële schade daarom geheel toewijzen. De rechtbank ziet gelet op de ernst van het door verdachte jegens de benadeelde partij gepleegde strafbare feit eveneens geen aanleiding om de verzochte immateriële schadevergoeding te matigen. De rechtbank zal de vordering daarom tot voormeld bedrag toewijzen.
Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij zal de rechtbank overeenkomstig artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom ten behoeve van de benadeelde partij.”
73. Uit de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnotities blijkt dat de raadsman van de verdachte – voor zover hier van belang – het volgende heeft aangevoerd ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen:
“[betrokkene 3] stelt zich op het standpunt ten gevolge van het aan cliënt onder 4 ten laste gelegde feit schade te hebben geleden ten bedrage van in totaal € 1028,42. Indien uw Hof met betrekking tot het 4e feit - zoals door mij bepleit - besluit tot vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging, dan dient [betrokkene 3] niet-ontvankelijk te worden verklaard in de door hem ingediende vordering tot schadevergoeding. Indien u wel komt tot een bewezenverklaring, dan dient de vordering wat mij betreft ook niet-ontvankelijk te worden verklaard voor wat betreft het materiele deel van de verzochte schadevergoeding omdat er geen sprake is van het voor toewijzing vereiste rechtstreekse verband tussen het onder 4 ten laste gelegde feit en de geclaimde schade, afgezien wellicht van de gevorderde reiskosten. De genoemde kledingstukken zullen immers niet onbruikbaar zijn geworden door de kras zoals die is geconstateerd op de bovenarm van [betrokkene 3]. En daarmee komen we vervolgens direct op de reden de vordering van [betrokkene 3] ook bij een bewezenverklaring van feit 4 geheel niet ontvankelijk te verklaren voor wat betreft het immateriële deel van de verzochte schadevergoeding. Zoals blijkt uit de geneeskundige verklaring/letselbeschrijving opgenomen op p. 100 van het dossier, is op 13 augustus 2014 door de forensisch arts van de GGD geconstateerd dat op de buitenzijde van de rechter-bovenarm, twee centimeter boven de elleboog, een gebied met een doorsnee van ongeveer 2 centimeter oppervlakkig is bekrast. Ook zijn verspreid over de linker handrug vier puntvormige krasjes geconstateerd. Ik kan op grond van die geneeskundige verklaring niet anders concluderen dan dat er sprake is van zeer bescheiden letsel bij [betrokkene 3], welke gedachte wordt versterkt door de in de geneeskundige verklaring genoemde schatting van de genezingsduur: één week. Mijns inziens kan de geringe ernst van het door [betrokkene 3] opgelopen letsel niet rechtvaardigen dat aan hem ter zake een immateriële schadevergoeding wordt toegekend van welke hoogte dan ook, laat staan van de gevorderde hoogte. Zelfs de toekenning van een min of meer symbolische vergoeding van bij wijze van spreken € 50,- ligt wat mij betreft niet in de rede. i
Ik besef mij dat [betrokkene 3] op 9 augustus 2014 zonder meer een hele nare gebeurtenis heeft meegemaakt, maar een vergoeding daarvoor, voor zijn ingrijpen of de daarbij of daarna gevoelde emoties of het moeten zien wat er met [betrokkene 2] gebeurde leveren niet zonder meer een grond op voor toekenning van immateriële schadevergoeding. Ik wijs u er in dat kader op dat op grond van art. 6:106 BW vergoeding van niet fysiek letsel alleen mogelijk is als er sprake is van dusdanig geestelijk letsel dat dit kan worden aangemerkt als een aantasting van de persoon en dat daarvan slechts sprake is indien het geestelijk letsel een voldoende ernstig karakter heeft. Gevoelens van angst, schrik en machteloosheid vallen niet onder het bereik van dat wetsartikel. Om te kunnen komen tot het oordeel dat er bij de benadeelde partij sprake is van geestelijk letsel dat voor vergoeding in aanmerking komt, moet er tenminste sprake zijn van een aan de hand van objectieve maatstaven vast te stellen psychische schade. Zie in dit kader onder meer A-G Wuisman in de conclusie voor HR 29 juni 2012, LJN BW1519. Van dergelijk geestelijk letsel zal in de regel slechts sprake zijn indien wordt aangetoond dat sprake is van een in de psychiatrie bekend ziektebeeld (zie HR 22 februari 2002, NJ 2002, 240). Er is in casu dus geen sprake van schade die voor vergoeding in aanmerking komt, zeker niet daar waar het gaat. om niet-fysiek letsel. Geheel subsidiair verzoekt de verdediging uw Hof de gevorderde schadevergoeding gelet op het voorgaande in aanzienlijke mate te matigen.
De vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1]. Zij vordert een bedrag van € 1.858,39, bestaande uit een bedrag van € 358,39 ter zake van materiele schade en een bedrag van € 1.500,- ter zake van immateriële schade. Naar het oordeel van de verdediging dient ook deze benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering indien uw Hof komt tot een vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde feit dan wel ontslag van alle rechtsvervolging met betrekking tot dat feit.
Ook met betrekking tot deze vordering geldt dat indien uw Hof ondanks hetgeen daartoe is betoogd wel komt tot een bewezenverklaring van het derde feit en niet tot een ontslag van rechtsvervolging, de vordering integraal niet-ontvankelijk dient te worden verklaard voor wat betreft het materiele deel van de vergoeding omdat de gestelde schade niet is aan te merken als rechtstreekse schade. [betrokkene 1] vordert onder meer reiskosten om haar man te bezoeken in het ziekenhuis. Die kosten kunnen wat mij betreft niet worden beschouwd als rechtstreekse schade in de zin van art. 361 Sv, nu deze schade niet rechtstreeks aan [betrokkene 1] is toegebracht door het eventueel bewezen te verklaren feit. De reiskosten staan daarvoor in een te ver verwijderd verband daarmee, hetgeen ook geldt voor de gevorderde parkeerkosten en telefoonkosten. De vordering van [betrokkene 1] dient ook niet-ontvankelijk verklaard te worden voor wat betreft de gevorderde immateriële schade. Die is blijkens de onderbouwing van de vordering op dit punt niet zozeer het gevolg van het ‘sneetje rechts van haar wenkbrauw’, welke door haarzelf is verzorgd, niet groter was dan één centimeter en een geschatte genezingsduur van één week had, maar betreft kennelijk psychische schade in de vorm van shock-schade of affectieschade. Vergoeding van dergelijke schade komt echter blijkens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad niet voor vergoeding in aanmerking in het kader van het strafgeding. De zogenoemde shock-schade is in het civiele recht onder strikte voorwaarden wel toewijsbaar, maar zal op grond van de moeilijke bewijsbaarheid in het strafproces niet snel voor toewijzing in aanmerking komen, zo stelt Van Maurik in Tekst en Commentaar Strafrecht (aant. 3d onder art. 361 Sv).
Ik krijg overigens ook de indruk dat de verwijzing naar een uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem in de smartengeldgids een civiele zaak betreft. Zoals gesteld is voor vergoeding van immateriële schade als hier gevorderd gelet op HR 22 februari 2002, NJ 2002, 240 vereist dat sprake is van geestelijk letsel waardoor iemand in zijn persoon is aangetast en dat dat in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.
Aangezien de vordering van [betrokkene 1] voor wat betreft de gevorderde immateriële schade gelet op het voorgaande niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding, dient deze integraal niet ontvankelijk te worden verklaard (zie in dit kader ook nog HR 3 juli 2007, LJN BA5624, HR 10 april 2007, LJN AZ5670 en HR 11 maart 2014, HR:2014:528.
Tot slot de vordering van [betrokkene 2]. [betrokkene 2] vordert een schadevergoeding van € 11.724,96, waarvan een bedrag van € 574,96 ter zake van materiele schade en een bedrag van € 11.150,- ter zake van immateriële schade. Uiteraard dient ook de vordering van [betrokkene 2] niet-ontvankelijk te worden verklaard indien uw Hof komt tot een ontslag van alle rechtsvervolging met betrekking tot het onder 1 en 2 ten laste gelegde. Voor de hand liggend is dat een vrijspraak ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit leidt tot matiging van een eventueel toe te wijzen schadevergoeding. Indien uw Hof cliënt niet ontslaat van alle rechtsvervolging, heeft de verdediging geen opmerkingen met betrekking tot de gevorderde materiele schade. Voor wat betreft de gevorderde immateriële schade is dat anders. Er wordt een fors bedrag gevorderd. Slachtofferhulp Nederland probeert begrijpelijkerwijs het onderste uit de kan te halen voor [betrokkene 2] door de feiten 1 en 2 zonder meer bij elkaar op te tellen en € 6.000,- te rekenen voor feit 1 en dan nog eens ruim € 5.000, voor feit 2. Het toekennen van een schadevergoeding van € 6.000,- ter zake van de als gevolg van feit 1 geleden immateriële schade is naar Nederlandse maatstaven al fors om in het kader van een strafzaak toe te kennen ter zake van een poging tot doodslag. Om dan ook nog eens meer dan € 5000,- toe te kennen ter zake van immateriële schade geleden ten gevolge van de als feit 2 ten laste gelegde zware mishandeling (een handelen dat deel uitmaakte van hetzelfde feitelijke gebeuren, zoals ook door de officier van justitie in eerste aanleg is aangegeven), gaat dan naar het oordeel van de verdediging te ver, waarbij een rol speelt dat het ter zake van feit 2 gevorderde bedrag ook nog eens heel erg hoog is. De eventueel toe te kennen schadevergoeding aan [betrokkene 2] zou naar het oordeel van de verdediging hoe dan ook sterk gematigd dienen te worden voor wat betreft het immateriële deel daarvan en zou gelet op de gebruikelijk in zaken als deze toegekende vergoedingen in ieder geval een totaal van € 6.000,- niet te boven moeten gaan. De rest van de vordering dient niet-ontvankelijk te worden verklaard omdat deze een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, eenvoudigweg omdat in het kader van deze strafzaak niet zonder meer is vast te stellen dat [betrokkene 2] immateriële schade heeft geleden die te begroten is op een hoger bedrag. Opmerking verdient in dit kader tot slot dat een blijvende ontsiering van het oor, zoals ook in het kader van de vraag of feit 2 bewezen verklaard kan worden is betoogd, toch echt wel van een andere orde is dan bijvoorbeeld een groot litteken in het gelaat.”
74. Het hof heeft mede in reactie op de door de raadsman gevoerde verweren ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen het volgende overwogen:
“In aanvulling op hetgeen de rechtbank reeds heeft overwogen ten aanzien van de benadeelde partijen onder punt 9a, 9b en 9c overweegt het hof het volgende.
Het hof stelt voorop dat verdachte de agressor is geweest. De uit dit optreden voortvloeiende materiële en immateriële schade is naar het oordeel van het hof dan ook rechtstreeks aan verdachtes gedrag te wijten. Gelet op het letsel en de context waarbinnen dit letsel is toegebracht, acht het hof de door benadeelde partijen [betrokkene 3] en [betrokkene 1] gevorderde bedragen aan zowel materiële als immateriële schade volstrekt redelijk.
Ter zake van het door benadeelde partij [betrokkene 2] gevorderde bedrag aan immateriële schade merkt het hof voorts op dat de schade die [betrokkene 2] heeft geleden door respectievelijk het onder 1 en 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte wel degelijk te onderscheiden is. De blijvende schade aan het linkeroor en de gevolgen daarvan zijn van een geheel andere orde dan de schade die is veroorzaakt door het insteken op het lichaam met een mes. Gelet hierop ziet het hof geen aanleiding de door benadeelde partij [betrokkene 2] gevorderdere schadevergoeding te matigen en in die zin tot een andersluidend oordeel dan de rechtbank te komen.
De door de raadsman gevoerde verweren worden derhalve verworpen.”
75. Het derde middel bevat de klacht dat de beslissing van het hof ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] niet naar de eis der wet met reden is omkleed.
76. Het hof heeft de door [betrokkene 1] gevorderde materiële schadevergoeding van € 358,39 volledig toegewezen. Uit het schadeonderbouwingsformulier, dat zich bij de stukken bevindt, volgt dat dit bedrag is gebaseerd op de door [betrokkene 1] gemaakte reis-, parkeer- en telefoonkosten om haar man [betrokkene 2] in het ziekenhuis te kunnen opzoeken. In hoger beroep heeft de raadsman betoogd dat deze kosten niet kunnen worden beschouwd als rechtstreekse schade als bedoeld in art. 361, tweede lid, Sv, omdat deze schade niet rechtstreeks aan [betrokkene 1] is toegebracht door het bewezen verklaarde feit. Het hof is op dit aspect van het verweer niet ingegaan, maar heeft in dit verband slechts in algemene zin overwogen dat het hof de door [betrokkene 1] gevorderde bedragen aan zowel materiële als immateriële schade, gelet op het letsel en de context waarbinnen dit letsel is toegebracht, “volstrekt redelijk” acht. In het in zoverre door het hof bevestigde vonnis heeft de rechtbank overwogen dat de benadeelde partij [betrokkene 1] rechtstreeks schade heeft geleden tot ten gevolge van het onder 3 primair bewezen verklaarde feit. Dat oordeel acht ik niet zonder meer begrijpelijk. In het schadeonderbouwingsformulier worden de desbetreffende kosten immers gerelateerd aan de misdrijven waarvan haar echtgenoot het slachtoffer is geworden en niet aan het onder 3 jegens de benadeelde partij begane feit. Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.
77. De door [betrokkene 1] gedane vordering tot vergoeding van immateriële schade van € 1500,- is door het hof eveneens geheel toegewezen. Het verweer van de verdediging in hoger beroep komt er in de kern op neer dat de gestelde immateriële schade kennelijk psychische schade in de vorm van shockschade of affectieschade betreft en dat vergoeding van dergelijke schade volgens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad niet in aanmerking komt in het kader van het strafgeding, zodat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering. Het hof heeft hierop geoordeeld dat de verdachte de agressor is geweest en dat de uit zijn optreden voortvloeiende materiële en immateriële schade rechtstreeks aan zijn gedrag is te wijten. Gelet op het letsel en de context waarbinnen dit letsel is toegebracht, acht het hof de gevorderde bedragen “volstrekt redelijk”.
78. In het schadeonderbouwingsformulier is de vordering tot immateriële schadevergoeding namens [betrokkene 1] als volgt onderbouwd:
“Benadeelde is psychisch ernstig beschadigd door het gebeuren. Niet alleen is zij zelf gewond geraakt, zij heeft gezien dat haar man door verdachte werd gestoken en gebeten. Zij heeft geprobeerd tussen beide te komen maar kon niet verhinderen dat haar echtgenoot zeer ernstig gewond moest worden afgevoerd naar het ziekenhuis. Zij was ervan overtuigd dat hij het niet zou overleven en heeft die overtuiging gehad totdat haar echtgenoot van de IC af mocht.
Dit heeft ervoor gezorgd dat zij in een soort van shocktoestand heeft geleefd en zij grote delen van wat er gebeurd is, ‘kwijt’ is. Zij is angstig geworden en kon de eerste dagen alleen functioneren met behulp van anderen. Bovendien zag en ziet zij wat het gebeuren met haar man, maar ook met haar kinderen heeft gedaan.”
79. Deze beschrijving duidt in het bijzonder op schade die is veroorzaakt door de confrontatie van [betrokkene 1] met het misdrijf dat haar man is aangedaan, waarbij is verwezen naar de shocktoestand waarin de benadeelde partij heeft verkeerd. Van shockschade is sprake wanneer bij iemand door het waarnemen van het ongeval of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen hiervan, een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het ongeval is gedood of verwond. Hierdoor ontstane schade komt slechts op grond van het bepaalde in art. 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, BW voor vergoeding in aanmerking indien het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Het hof heeft geen blijk gegeven te hebben onderzocht of aan de vereisten voor de toekenning van schadevergoeding in verband met shockschade is voldaan. Het oordeel van het hof dat de vordering tot vergoeding van deze schade voor toekenning in aanmerking komt, is niet voldoende met redenen omkleed, omdat het hof het bestaan van geestelijk letsel niet in rechte heeft vastgesteld. Indien het hof bij de vaststelling van het bedrag aan immateriële schade niet het oog heeft gehad op shockschade, acht ik het oordeel ten aanzien van het bedrag aan immateriële schade evenmin zonder meer begrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat de raadsman van de verdachte het gevorderde gemotiveerd heeft betwist en dat de rechtbank in het in zoverre bevestigde vonnis in dit opzicht slechts heeft verwezen naar de in de slachtofferverklaring beschreven gevolgen die het jegens de benadeelde partij gepleegde strafbaar feit voor haar heeft gehad, terwijl het hof in dit verband ermee heeft volstaan te overwegen dat het de gevorderde bedragen, gelet op het letsel en de context waarbinnen dit letsel is toegebracht, “volstrekt redelijk” acht.
80. Het middel slaagt.
81. Het vierde middel behelst de klacht dat de beslissing van het hof ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 3] niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.
82. Het hof heeft het door de benadeelde partij [betrokkene 3] gevorderde bedrag aan materiële schadevergoeding van € 178,42 volledig toegewezen. De steller van het middel richt zijn pijlen op de toewijzing van dit bedrag voor zover het gaat om de vervangingskosten van een trui en een paar schoenen. In hoger beroep is door de verdediging betoogd dat de genoemde kledingstukken niet onbruikbaar zijn geworden door de kras zoals die is geconstateerd op de bovenarm van de benadeelde partij [betrokkene 3], zodat geen sprake is van rechtstreekse schade.
83. In de overwegingen van het hof ligt als zijn oordeel besloten dat de gevorderde materiële schadevergoeding rechtstreeks is voortgekomen uit de jegens [betrokkene 3] gepleegde mishandeling. Het hof heeft bij de beantwoording van de vraag of de schade rechtstreeks is toegebracht door het bewezen verklaarde feit kennelijk niet alleen acht geslagen op de gedraging die in de bewezenverklaring als zodanig is verwoord, maar ook op uit de bewijsvoering blijkende gedragingen die de schade hebben veroorzaakt. Daarmee heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het oordeel van het hof evenmin onbegrijpelijk is. Door het hof is immers vastgesteld dat [betrokkene 3] de verdachte heeft geprobeerd vast te houden en dat de verdachte een draai heeft gemaakt met de hand met daarin het mes. Uit de bewijsvoering blijkt dat [betrokkene 3] de verdachte vast had, zag dat de punt van een mes uit de vuist van de verdachte stak en dat het shirt van [betrokkene 2] onder het bloed zat. [betrokkene 2] had verklaard dat het bloed eruit gutste toen de verdachte hem met een steekvoorwerp in zijn borst stak. Uit de bewijsvoering volgt voorts dat de verdachte [betrokkene 3] vervolgens met het mes in zijn rechterbovenarm heeft geraakt. Tegen die achtergrond is het kennelijke oordeel van het hof ten aanzien van de schade aan de trui en schoenen van de verdachte niet onbegrijpelijk. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden.
84. Ook het door de benadeelde partij [betrokkene 3] gevorderde bedrag aan immateriële schadevergoeding van € 850,- is door het hof geheel toegewezen.
85. Over de gestelde immateriële schade van [betrokkene 3] is in het schadeonderbouwingsformulier naar voren gebracht dat [betrokkene 3] angstig is geworden, niet alleen over straat durft, aan slapeloosheid lijdt en last heeft van herbelevingen. Door zijn slaaptekort kan hij minder verdragen en heeft hij concentratieproblemen. Hij heeft weken in onzekerheid verkeerd over de vraag of hij mogelijk was besmet met HIV en hepatitis en voelde zich voorts beroerd door de medicatie die hij moest gebruiken. De ambulante zorg op maat die hij al kreeg, is geïntensiveerd.
86. In hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte onder meer aangevoerd dat om te kunnen komen tot het oordeel dat sprake is van geestelijk letsel dat voor vergoeding in aanmerking komt, sprake moet zijn van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Een dergelijk vereiste geldt echter alleen als het gaat om psychische schade in de vorm van shockschade. Uit de omschrijving van de geleden immateriële schade zoals weergegeven in het schadeonderbouwingsformulier blijkt niet dat een vergoeding van dergelijke shockschade wordt gevorderd, terwijl ik in het bestreden arrest evenmin kan lezen dat het hof het oog heeft gehad op de vergoeding van shockschade. Het hof was dan ook niet gehouden om het bestaan van geestelijk letsel vast te stellen.
87. In hoger beroep is ook betoogd dat vergoeding van immateriële schade niet in de rede ligt, gelet op het bescheiden letsel bij [betrokkene 3] en de geschatte genezingsduur van een week. Ook over de motivering van de verwerping van dit verweer wordt in cassatie geklaagd. Het hof heeft overwogen dat de verdachte de “agressor” was en dat gelet op het letsel en de context waarin dit is toegebracht, de gevorderde immateriële schade “volstrekt redelijk” is. Hoewel het hof zijn oordeel daarmee summier heeft gemotiveerd, acht ik het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk en meen ik dat het hof niet tot een nadere motivering was gehouden. De vergoeding van immateriële schade wordt vastgesteld naar billijkheid. De rechter kan daarbij rekening houden met alle omstandigheden die hij van belang acht, dus ook de context waarin het feit zich heeft afgespeeld. De onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten kleuren deze context in. Hoewel de ernst van het fysieke letsel een omstandigheid is die de rechter bij het bepalen van een billijke schadevergoeding in de regel in acht zal nemen, betekent dit niet zonder meer dat er niet of nauwelijks ruimte is voor de toekenning van een vordering tot immateriële schadevergoeding wanneer het fysieke letsel beperkt is. Mede in het licht van de hiervoor samengevatte onderbouwing van de schade in het schadeonderbouwingsformulier, acht ik het oordeel van het hof ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
88. Het middel faalt.
89. Het vijfde middel behelst de klacht dat de beslissing van het hof ten aanzien van de vordering tot immateriële schade van de benadeelde partij [betrokkene 2] niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.
90. In hoger beroep is door de verdediging betoogd dat de gevorderde immateriële schadevergoeding dient te worden “gematigd”, omdat de gevorderde bedragen voor de feiten erg fors zijn, de feiten 1 en 2 zien op hetzelfde feitencomplex en een blijvende ontsiering van het oor niet gelijkgesteld kan worden aan bijvoorbeeld een groot litteken in het gelaat. Het hof heeft geoordeeld dat het, gelet op het letsel en de context waarin dit letsel is toegebracht, de gevorderde materiële en immateriële schadevergoeding “volstrekt redelijk” acht en dat de blijvende schade aan het linkeroor en de gevolgen daarvan van een geheel andere orde zijn dan de schade die is veroorzaakt door het insteken op het lichaam met een mes.
91. Gelet op de hoogte van het toegekende bedrag, is het oordeel van het hof summier gemotiveerd. Mijn ambtgenoot Vegter heeft terecht de principiële vraag aan de orde gesteld of het wenselijk is dat in strafzaken zulke hoge bedragen worden toegewezen met weinig onderbouwing en onderzoek. De vraag rijst of in de onderhavige zaak het oordeel van het hof ten aanzien van de gevorderde vergoeding van immateriële schade de toets in cassatie kan doorstaan.
92. Voor zover het middel klaagt dat het hof er geen blijk van heeft gegeven andere gevallen te hebben betrokken bij de vaststelling naar billijkheid van de aan [betrokkene 2] toe te kennen immateriële schadevergoeding, faalt het. In het schadeonderbouwingsformulier wordt verwezen naar uitspraken waarin soortgelijke bedragen zijn toegekend in vergelijkbaar geachte gevallen, terwijl de rechtbank daarnaar heeft verwezen.
93. Het middel bevat voorts de klacht dat het hof heeft miskend dat de twee bewezen verklaarde feiten zien op hetzelfde feitencomplex, zodat de bedragen die zijn gebaseerd op andere gevallen niet zonder meer bij elkaar op kunnen worden geteld.
94. Voor zover het middel de klacht bevat dat het hof heeft miskend dat letsel aan het oor verschilt van letsel aan het gelaat, faalt het. Het hof heeft immers in zijn motivering betrokken dat de immateriële schade ten aanzien van de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten te onderscheiden is. In dit verband heeft het hof overwogen dat de blijvende schade aan het linkeroor van een geheel andere orde is dan de schade die voortkomt uit het steken met het mes. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat ook in het schadeonderbouwingsformulier van de benadeelde partij [betrokkene 2] onderscheid wordt gemaakt tussen de gevolgen van de beide feiten. Zo komt daarin naar voren dat de benadeelde partij meermalen aan zijn oor is geopereerd en dat hij de rest van zijn leven een aanzienlijk kleinere en anders gevormde linker oorschelp zal hebben. Het bestreden oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Voor een verdere toetsing in cassatie is geen plaats.
95. Het middel faalt.
96. Het derde middel slaagt. De overige middelen falen. Het eerste, vierde en vijfde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.
97. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
98. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend voor zover het hof daarin de hoogte van de toegewezen vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] en de hoogte van de betalingsverplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [betrokkene 1] heeft bepaald op een bedrag van € 1.858,39 en tot zodanige beslissing op de voet van art. 440 Sv als de Hoge Raad passend voorkomt.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG