DE BESLISSING
De rechtbank verklaart het beklag gegrond en gelast de teruggave van
• een personenauto van het merk Mercedes-Benz, type Glk 220 Cdi 4ma, voorzien van kenteken [AA-00-AA] , aan [klager] , beslagene/klager.”
De Rechtbank heeft vastgesteld dat er sprake is van een conservatoir beslag ex art. 94a Sv (en vervolgens bepaald dat die inbeslagneming onrechtmatig is geschied). Het middel keert zich tegen deze vaststelling.
Kennelijk heeft de Rechtbank haar oordeel gebaseerd op het stuk ‘Kennisgeving van inbeslagneming (artikel 94a Sv)’. Alleen in dit stuk heb ik een aanwijzing aangetroffen dat het om beslag in de zin van art. 94a Sv zou gaan. In bedoelde kennisgeving staat vermeld dat het gaat om conservatoire inbeslagneming, maar als grondslag voor het beslag is vermeld: ‘Wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen’. Dit is opmerkelijk aangezien dit één van de beslaggronden ex art. 94 Sv betreft.
Uit andere stukken van het geding blijkt het volgende. In het proces-verbaal van bevindingen van 13 februari 2015, opgemaakt door de politie, is vermeld dat de desbetreffende personenauto op grond van art. 94 Sv in beslag is genomen. Voorts is er een ‘Bewijs van ontvangst’ betreffende de inbeslaggenomen goederen d.d. 3 november 2014, waarin geen melding wordt gemaakt van de beslaggrond. Bij klaagschrift van 8 januari 2015 verzoekt de klager om teruggave van de inbeslaggenomen personenauto. In het klaagschrift betwist de klager de wetmatigheid van de inbeslagneming. Daartoe wordt aangevoerd dat de klager niet de beschikking heeft over de stukken in de strafzaak waaruit blijkt op welke gronden de inbeslagneming heeft plaatsgevonden. Daarnaast wordt de rechtmatigheid van (het voortduren van) het beslag aan de orde gesteld. De conclusie OM, getiteld: ‘Beklag over inbeslagneming (art. 552a Sv) c.q. beklag teruggave of bewaring t.b.v. rechthebbende (art. 116, lid 3 Sv)’, opgemaakt op 4 maart 2015 door G.H.M. Broeren, senior parketsecretaris, vermeldt duidelijk dat het hier beslag ex. art. 94 Sv betreft. De officier van justitie heeft aangegeven - met verwijzing naar art. 94 Sv - dat bezwaar tegen teruggave bestaat in verband met de waarheidsvinding, het aantonen van wederrechtelijk verkregen voordeel en de eventuele verbeurdverklaring/onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen goed.
Aan het vorenstaande kunnen sterke aanwijzingen worden ontleend dat het hier (eerder) art. 94 Sv beslag betreft. De vermelding van art. 94a Sv in de kennisgeving van inbeslagneming duidt mogelijk op een (kennelijke) verschrijving. Ook bij de behandeling in raadkamer komt naar voren dat de officier van justitie, gelet op zijn betoog, er van uitgaat dat het beslag is gebaseerd op art. 94 Sv. Mede naar aanleiding van het betoog van de officier van justitie lijken ook de klager en zijn raadsman daarvan uit te zijn gegaan, nu de raadsman heeft aangevoerd dat geen verbeurdverklaring valt te verwachten en dat geen nader onderzoek aan de auto nodig is (m.b.t. de waarheidsvinding). Voorts heeft de raadsman nog aangevoerd dat hij geen reden ziet om het beslag te laten voortduren; dan had het openbaar ministerie maar conservatoir beslag moeten leggen op de auto.
Gelet op de stukken van het geding en in het licht van hetgeen is aangevoerd door de partijen had de Rechtbank mijns inziens niet kunnen volstaan met de enkele vaststelling dat het onderhavige beslag in het kader van 94a Sv is gelegd. Temeer nu de klager in zijn klaagschrift de wettelijke grondslag van de inbeslagneming aan de orde heeft gesteld, had de Rechtbank ervan blijk moeten geven onderzoek te hebben gedaan naar de juridische grondslag van het beslag en haar oordeel dienaangaande nader dienen te motiveren.
Het oordeel van de Rechtbank dat sprake is van conservatoir beslag ex art. 94a Sv is, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk, nu de Rechtbank niet ervan blijk heeft gegeven bij haar oordeel te hebben betrokken dat en waarom geen sprake is van art. 94 Sv beslag. De beslissing van de Rechtbank is derhalve ontoereikend gemotiveerd.
Het middel klaagt daarover terecht.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzen of terugwijzen als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden