“A.
Met betrekking tot het onder 1 bewezenverklaarde overweegt het hof als volgt.
Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof vast dat de verdachte de in de bewezenverklaring opgenomen voorwerpen voorhanden heeft gehad. Op de speciekuip en de spatels zaten resten van amfetamine en ook de broek van de verdachte vertoonde sporen van amfetamine.
A.1.
Door de verdediging is aangevoerd dat de handelwijze van de verdachte, te weten het rondrijden met vervoeren van voorwerpen die afkomstig waren van het produceren van amfetamine (afval), niet valt te kwalificeren als voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet. Hooguit is sprake van nabereidingshandelingen die niet strafbaar zijn gesteld in artikel 10a van de Opiumwet.
Het hof overweegt als volgt.
Artikel 10a van de Opiumwet luidt als volgt:
1. Hij die om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 voor te bereiden of te bevorderen:
1° een ander tracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen,
2° zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit tracht te verschaffen,
3° voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit,
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.
(...)
Naar het oordeel van het hof is de handelwijze van de verdachte te typeren als het verwijderen van drugsafval. Het is een feit van algemene bekendheid dat bij de bereiding van synthetische drugs afval vrij komt, onder meer in de vorm van gebruikte materialen. Het zich ontdoen van die materialen maakt onderdeel uit van een productieproces, dat dankzij de verwijdering van afval kan doorlopen c.q. worden voortgezet. Degene die dergelijke materialen of voorwerpen, die kennelijk gebruikt zijn bij de productie van verdovende middelen, voorhanden heeft, bijvoorbeeld zoals in dit geval om zich van die voorwerpen te ontdoen, maakt zich naar het oordeel van het hof schuldig aan overtreding van artikel 10a van de Opiumwet, te weten het bevorderen van een aldaar bedoeld feit.
Het verweer wordt verworpen.
A.2.
Door en namens verdachte is voorts aangevoerd dat hij geen opzet heeft gehad als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet, omdat hij niet op de hoogte was van het feit dat de voorwerpen in zijn auto betrekking hadden op de productie van amfetamine. De verdachte had zulks ook niet hoeven vermoeden, omdat:
- de medeverdachte [betrokkene 1] tegen verdachte had gezegd dat de spullen afkomstig waren van stukadoorswerkzaamheden;
- de verdachte niet bekend is met de geur van amfetamine; en
- de spullen in de kuip voor de verdachte niet zichtbaar waren, omdat deze in plastic zakken/vuilniszakken waren verpakt.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof heeft onder 4 bewezen geacht dat de verdachte beschikte over een aantal pillen bevattende MDMA. Hieruit leidt het hof af dat de verdachte bekend is met deze harddrug. Dit vergt naar het oordeel van het hof een bijzondere behoedzaamheid bij het aannemen van goederen die naar de uiterlijke verschijningsvorm geschikt zouden kunnen zijn voor de productie van synthetische drugs. Dit geldt te meer nu de verdachte deze goederen heeft aangenomen van een persoon van wie hij wist dat het een gebruiker van harddrugs is, die op dat moment ook speed bij zich had en van wie de verdachte had gezien dat hij de hele avond al aan het snuiven was.
Op de speciekuip zaten resten van een wit poeder/pasta. Bovendien hing er een penetrante geur, welke door de verbalisant werd herkend als amfetamine. Ook al zou de verdachte niet bekend zijn geweest met de geur van amfetamine, zoals door de verdediging naar voren is gebracht, een penetrante geur afkomstig van de voorwerpen die hij van [betrokkene 1] had aangenomen (aangemerkt als afval), had de verdachte moeten alarmeren. Blijkens de foto op pagina's 149 en 150 waren, naast voornoemde resten, in ieder geval de flessen met chemicaliën voor de verdachte zichtbaar, alsmede de slang van een overhevelingspomp.
Uit deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, leidt het hof af dat de verdachte ernstige redenen had om te vermoeden dat hij afval van een productieproces van synthetische drugs voorhanden had. Met zijn handelwijze heeft de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de goederen in zijn auto betrekking hadden op de productie van harddrugs en dat hij met het vervoeren/wegbrengen van het afval afkomstig van dat productieproces het strafbare feit van artikel 10 vierde lid van de Opiumwet bevorderde.
Het hof hecht, mede gelet op het voorgaande, geen geloof aan de verklaring van de verdachte dat hij dacht dat de voorwerpen gebruikt waren bij stukadoorswerkzaamheden.”
10. Voorafgaand aan de beoordeling van het middel merk ik op dat het hof ten laste van de verdachte niet bewezen heeft verklaard dat hij voorbereidingshandelingen heeft verricht maar dat hij bevorderings-handelingen heeft verricht. Hieraan doet niet af dat het hof de bewezen-verklaarde feiten heeft gekwalificeerd als “voorbereiden of bevorderen”. Het hof hoefde tussen beide alternatieven niet te kiezen nu die keuze niet van betekenis is voor de toepasselijke strafmaxima.
11. Het middel keert zich tegen een overweging van het hof die erop neerkomt dat het zich ontdoen van afvalmateriaal dat vrijkomt bij de bereiding van synthetische drugs, onderdeel uitmaakt van een productieproces dat wordt bevorderd in de zin van art. 10a Opiumwet op de grond dat het productieproces dankzij de verwijdering van dat afval kan worden voortgezet.
12. Artikel 10a Opiumwet (Ow) luidde ten tijde van het bewezenverklaarde feit, en ook nu, als volgt:
“Hij die om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10, voor te bereiden of te bevorderen:
1°. een ander tracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen,
2°. zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit tracht te verschaffen,
3°. voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
13. Artikel 10a Ow is in de literatuur vooral bekend als bepaling waarin voorbereidingshandelingen strafbaar zijn gesteld. Voor een beperking van het toepassingsbereik van die bepaling tot uitsluitend voorbereidings-handelingen biedt de tekst van artikel 10a Ow echter geen aanleiding. Naar de letter van de wet is in het bijzonder ook strafbaar hij die voorwerpen, vervoermiddelen of stoffen voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een feit bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 Ow. In artikel 10, vierde en vijfde lid, Ow is strafbaar gesteld – kort gezegd – het opzettelijk aanwezig hebben of vervaardigen (vierde lid) of het opzettelijk in- of uitvoeren (vijfde lid) van harddrugs.
14. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat uit de “wettekst, wetsgeschiedenis en ratio volgt […] dat voorbereidingshandelingen en bevorderingshandelingen gericht zijn op een feit wat nog begaan zal dienen te worden en derhalve niet op ‘nabereidingshandelingen’, zoals in de onderhavige zaak.”
15. Inderdaad is de redactie van art. 10A Ow ingericht op een (strafbaar) feit dat nog begaan zal worden, maar dan in het bijzonder voor wat betreft het onder 1 bedoelde “trachten te bewegen”. De redactie van art. 10A Ow onder 3, waarop de bewezenverklaring in de onderhavige zaak is toegesneden, dwingt echter niet tot een zodanig beperkte actieradius van die bepaling, en evenmin doet de parlementaire geschiedenis van de wet dat.
16. In de parlementaire geschiedenis van artikel 10a Ow heeft weliswaar de nadruk gelegen op de strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen, maar daarbij is tevens een onderscheid gemaakt en gehandhaafd tussen voorbereidingshandelingen en bevorderings-handelingen. De aandacht is uitgegaan naar de gevolgen die de als zelfstandig misdrijf strafbaar gestelde gedragingen zouden hebben voor de omvang van de “uitbreiding van de strafbaarheid”. De betreffende uiteenzettingen van regeringswege hebben telkens in het bijzonder betrekking op de voorbereidingshandelingen:
“Op grond van het vorenstaande hebben wij dan ook het denkbeeld, om bij (bepaalde) misdrijven, omschreven in de Opiumwet, samenspanning strafbaar te stellen, niet overgenomen. Wel menen wij dat er aanleiding is om bepaalde voorbereidings- (of bevorderings-)handelingen die volgens de bestaande wet op zich zelf geen voltooid misdrijf of strafbare poging daartoe opleveren als zelfstandig delict strafbaar te stellen. Een en ander komt dus neer op een uitbreiding van de strafbaarheid in die zin dat bepaalde voorbereidingshandelingen die verband houden met de handel in verdovende middelen (als bedoeld in lijst I bij die wet) of die deze handel beogen te bevorderen niet langer straffeloos zullen zijn. Daardoor zal de politie in een eerder stadium kunnen optreden en dit optreden ook kunnen richten tegen hen die thans, als organisator of financier van die handel, achter de schermen blijven.”
17. De uitbreiding van de strafbaarheid waarop hier in de memorie van toelichting wordt gewezen, heeft in dit onderdeel betrekking op de strafbaarheid van voorbereidingshandelingen, niet op de strafbaarheid van bevorderingshandelingen. Ik meen dat deze passage illustratief is voor de wijze waarop de strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen tijdens de parlementaire geschiedenis van artikel 10a Ow de strafbaarstelling van bevorderingshandelingen enigszins heeft overschaduwd. Voor zover de parlementaire geschiedenis dus aanknopingspunten bevat voor strafbaar-stelling van wat ik zal samenvatten als de ‘voorfase’, is daarmee geen uitsluitsel gegeven over het toepassingsbereik van de strafbaarstelling van bevorderingshandelingen.
18. De vergelijking die in de toelichting op het middel wordt gemaakt met de strafbaarstelling van medeplichtigheid in artikel 48 Sr en van medeplegen gaat niet volledig op. Inderdaad is voor de bewoordingen van artikel 10a Ow aangesloten bij de tekst van artikel 48 Sr, en overigens ook bij die van artikel 47, eerste lid onder 1°, artikel 96, tweede lid, en artikel 134bis Sr. Een en ander doet echter niet af aan het zelfstandig karakter van de in artikel 10a Ow. Ik citeer wederom uit de memorie van toelichting:
“Opgemerkt wordt nog eens, dat het trachten te bewezen een geheel zelfstandig misdrijf is waarbij noch een der vereisten voor strafbare poging is gesteld noch rekening wordt gehouden met de uitslag der handelingen. Men denke bijvoorbeeld aan het geval dat iemand wordt benaderd om als tussenpersoon bij de handel in verdovende middelen op te treden.”
19. Eisen die betrekking hebben op medeplichtigheid en medeplegen, waarop in de toelichting op het middel een beroep worden gedan, zijn daarom niet zonder meer van toepassing op de strafbaarstelling van bevorderingshandelingen. Een gedraging kan ook worden bevorderd zonder dat daaraan voorafgaand is afgesproken dat voor de verwerking van het afval zal worden gezorgd. Dat kan bijvoorbeeld ook indien iemand daartoe tijdens de productie van verdovende middelen bereid wordt gevonden of zich daartoe bereid verklaart. Ook “handelingen die die verdachte na afloop van door anderen gepleegde strafbare feiten heeft verricht” – waarbij met de door anderen gepleegde strafbare feiten in de onderhavige zaak zal zijn gedoeld op de productie van MDMA/XTC – kunnen worden aangemerkt als bevorderingshandelingen omdat die een zelfstandig karakter hebben en niet samenvallen met de eisen die aan medeplegen worden gesteld.
20. Enige steun voor deze interpretatie van artikel 10a Ow meen ik te vinden bij Keijzer die de strafbaarstelling – die zich toen nog in de fase van de parlementaire voorbereiding bevond – in zijn monografie over strafbare voorbereidingshandelingen, samenvatte als “een uitbreiding van de strafbaarheid – niet alleen naar voren maar ook in de breedte”. Als voorbeeld geeft hij “het voorhanden hebben van ene lijst van adressen van drugsdealers om daarmede van dienst te zijn wie erom zou komen vragen om met die dealers handel te drijven.” Ook dat is een gedraging die niet tot de voorfase beperkt hoeft te zijn.
21. Het bovenstaande brengt mij tot het standpunt dat het oordeel van het hof, dat het zich ontdoen van afvalmateriaal dat vrijkomt bij de bereiding van synthetische drugs, onderdeel uitmaakt van een productieproces dat wordt bevorderd in de zin van art. 10a Opiumwet omdat het productieproces dankzij de verwijdering van dat afval kan doorlopen c.q. wordt voortgezet, geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en evenmin onbegrijpelijk is. De motiveringsklacht dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed, is niet nader onderbouwd en ligt in feite in het verlengde van de rechtsklacht, zodat deze klacht niet afzonderlijk behoeft te worden besproken.
22. Het middel faalt.
23. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.
24. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,