ECLI:NL:PHR:2016:323

ECLI:NL:PHR:2016:323, Parket bij de Hoge Raad, 26-01-2016, 14/04337

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 26-01-2016
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 14/04337
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2016:1008
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 2 zaken
4 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854 BWBR0011823 BWBR0011825

Samenvatting

Behulpzaam zijn bij het indienen van een op valse gegevens gebaseerde aanvraag tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning, kan worden beschouwd als het verlenen van hulp bij het verschaffen van wederrechtelijk verblijf ex art. 197a lid 2 Sr. De opvatting dat het behulpzaam zijn bij het indienen van een op valse gegevens gebaseerde aanvraag tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning niet kan worden beschouwd als het verlenen van hulp bij het verschaffen van "wederrechtelijk" verblijf, gelet op de consequenties die het vreemdelingenrecht verbindt aan het enkele aanvragen van een verblijfsvergunning, is onjuist. Onder "het zich verschaffen van verblijf" ex art. 197a.2 Sr dient mede te worden begrepen het indienen van een aanvraag voor een verblijfsvergunning met het oog op het voortzetten van het verblijf in Nederland (vgl. HR 7 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1001, NJ 1998/558).

Uitspraak

4. Het eerste middel

Het middel klaagt over de verwerping van het Hof van het ter zitting gevoerde verweer inhoudende dat de handelingen van de verdachte waren gericht op het verkrijgen van een verblijfsvergunning door de betrokken vreemdelingen en dus op hun rechtmatig verblijf hier te lande c.q. in de EU.

Ten laste van de verdachte heeft het Hof onder 1 bewezenverklaard dat:

“hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2009 tot en met 25 mei 2012 te Amsterdam vreemdelingen, te weten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4] en [betrokkene 5] en [betrokkene 6] uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland of hen daartoe middelen of inlichtingen heeft verschaft,

immers heeft hij, verdachte, valse authentieke akten, te weten samenlevingscontracten, afgegeven aan voornoemde [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4] en [betrokkene 5] en [betrokkene 6] ter verkrijging van hun recht op een verblijfsvergunning, terwijl hij, verdachte, wist dat dat verblijf wederrechtelijk was, terwijl hij, verdachte, daarvan een gewoonte heeft gemaakt,

immers heeft hij, verdachte,

a) (zaaksdossier 1)

- voornoemde [betrokkene 1] voorgehouden dat hij, verdachte, in ruil voor een bedrag van 7500 (zegge: zevenduizendvijfhonderd) euro, een huwelijkspartner, te weten een vrouw, genaamd [betrokkene 7] , geboren op [geboortedatum] 1991, Spaanse nationaliteit, zijnde een burger van de Europese Unie, en een verblijfsvergunning zou verzorgen voor [betrokkene 1] ,

- een ontmoeting verzorgd tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 7] ,

- [betrokkene 1] geadviseerd foto's te maken van zichzelf samen met voornoemde [betrokkene 7] , en

- [betrokkene 1] geadviseerd zich bij de gemeente in te schrijven samen met voornoemde [betrokkene 7]

en

c) (zaaksdossier 4)

- tegen betaling van een geldbedrag van 950 (zegge: negenhonderdvijftig) euro, een vals samenlevingscontract op naam van [betrokkene 2] en [betrokkene 8] , zijnde een burger van de Europese Unie, opgesteld voor, en overhandigd aan, [betrokkene 2] , en

- aanvraagformulieren van de IND ten behoeve van een aanvraag van een verblijfsvergunning en een daaropvolgend bezwaarschrift voor voornoemde [betrokkene 2] ingevuld respectievelijk ingediend, terwijl hij, verdachte, wist dat het onderliggende samenlevingscontract vals was

en

d) (zaaksdossier 5)

- tegen betaling van een geldbedrag van 900 (zegge: negenhonderd) euro, een vals samenlevingscontract op naam van die [betrokkene 3] en [betrokkene 9] , geboren op [geboortedatum] 1972, Duitse nationaliteit, zijnde een burger van de Europese Unie, opgesteld voor, en overhandigd aan, voornoemde [betrokkene 3] , en

- een aanvraagformulier van de IND ten behoeve van een aanvraag van een verblijfsvergunning voor voornoemde [betrokkene 3] ingevuld,

terwijl hij, verdachte, wist dat het onderliggende samenlevingscontract vals was en

e) (zaaksdossier 6)

- tegen betaling van een geldbedrag van 1050 (zegge: duizendvijftig) euro, een vals samenlevingscontract op naam van die [betrokkene 4] en [betrokkene 10] , geboren op [geboortedatum] 1962, Britse nationaliteit, zijnde een burger van de Europese Unie, opgesteld voor en overhandigd aan voornoemde [betrokkene 4] , en

- een bezwaarschrift voor voornoemde [betrokkene 4] ingediend

terwijl hij, verdachte, wist dat het onderliggende samenlevingscontract vals was en

f) (zaaksdossier 7)

- tegen betaling van een geldbedrag van 450 (zegge: vierhonderdenvijftig) euro, een bezwaarschrift voor voornoemde [betrokkene 5] ingediend, terwijl hij, verdachte, wist dat het onderliggende samenlevingscontract vals was

en

g) (zaaksdossier 8)

- tegen betaling van een geldbedrag, een vals samenlevingscontract op naam van die [betrokkene 6] en [betrokkene 11] , geboren op [geboortedatum] 1981, Franse nationaliteit, zijnde een burger van de Europese Unie, opgesteld voor, en overhandigd aan, voornoemde [betrokkene 6] , en

- aanvraagformulieren van de IND ten behoeve van een aanvraag van een verblijfsvergunning en een daaropvolgend bezwaarschrift voor voornoemde [betrokkene 6] ingevuld respectievelijk ingediend, terwijl hij, verdachte, wist dat het onderliggende samenlevingscontract vals was”

Het Hof heeft een door de verdediging gevoerd verweer als volgt samengevat en verworpen:

Bewijsverweren en nadere bewijsoverwegingen

De wederrechtelijkheid van het verblijf van de vreemdelingen

De raadsvrouw heeft - naar het hof begrijpt met betrekking tot feit 1 – onder verwijzing naar bepalingen in de Vreemdelingenwet 2000 en het Vreemdelingenbesluit 2000 betoogd dat de in de tenlastelegging genoemde vreemdelingen - met uitzondering van [betrokkene 1] - na hun inreis in Nederland drie maanden rechtmatig in Nederland verbleven omdat zij naar Nederland kwamen om met hun partner, een EU- onderdaan, samen te leven (artikel 8.7 lid 4 juncto artikel 8.11 lid 2 Vreemdelingenbesluit 2000), dat hun verblijf vervolgens door het indienen van een aanvraag voor een verblijfsvergunning rechtmatig bleef (artikel 8.13 lid 2 Vreemdelingenbesluit 2000 juncto artikel 8 Vreemdelingewet 2000) - althans vanaf het indienen van de aanvraag rechtmatig was - en dat het handelen van de verdachte erop was gericht het verblijf van de vreemdelingen (ook) na de eerste drie maanden rechtmatig te doen zijn, zodat niet kan worden bewezen dat de verdachte behulpzaam was bij het wederrechtelijk verblijf van die vreemdelingen noch dat zijn opzet daarop was gericht.

Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de valse samenlevingscontracten inhoudelijk geen valse gegevens bevatten, omdat het niet ging om schijnrelaties maar om echte relaties tussen vreemdelingen en EU-onderdanen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt

De desbetreffende bepalingen van de Vreemdelingenwet 2000 en het Vreemdelingenbesluit 2000 hielden ten tijde van de tenlastegelegde periode, voor zover hier van belang, kort weergegeven het volgende in:

In afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, een bezwaarschrift of beroepschrift had (en heeft) een vreemdeling in Nederland rechtmatig verblijf indien bij of krachtens de Vreemdelingenwet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting achterwege diende te blijven totdat op de aanvraag was beslist (artikel 8 onder f-h Vreemdelingenwet 2000).

Indien een vreemdeling de ongehuwde partner was van een persoon die de nationaliteit bezit van een staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie of bij de Overeenkomst betreffende de Europese Ruimte, of van Zwitserland (hierna kortheidshalve te noemen: EU/EER- burgers), de vreemdeling met deze EU/EER-burger een deugdelijk bewezen duurzame relatie had en hem/haar naar Nederland begeleidde of zich bij hem/haar in Nederland voegde, had de vreemdeling rechtmatig verblijf in Nederland gedurende een periode van drie maanden na inreis indien hij beschikte over een geldig paspoort (artikel 8.7 lid 4 juncto artikel 8.11 lid 2 Vreemdelingenbesluit 2000). Na die drie maanden kon (en kan) het verblijf van de vreemdeling alleen rechtmatig zijn indien hij binnen een maand een aanvraag indiende voor een verblijfsvergunning én hij verbleef bij een EU/EER-burger die, kort gezegd, in Nederland werk had of kon bewijzen dat hij/zij werk zocht en een reële kans had op werk, of een opleiding volgde of ging volgen en/of voor zichzelf en zijn/haar familie beschikte over voldoende middelen van bestaan en een ziektekostenverzekering (artikel 8.13 lid 1 en 2 juncto artikel 8.12 lid 1 Vreemdelingenbesluit 2000).

Ten aanzien van de in de tenlastelegging genoemde vreemdelingen [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [betrokkene 4] , [betrokkene 5] en [betrokkene 6] - die zich naar eigen zeggen in Nederland wilden vestigen met hun partner, een EU- onderdaan - moet worden geconstateerd dat zij ten tijde van hun (eerste) aanvraag tot het verstrekken van een verblijfsvergunning reeds langer dan vier maanden in Nederland verbleven, terwijl die aanvraag bovendien ten aanzien van elk van hen is afgewezen omdat niet was aangetoond dat sprake was van een duurzame relatie. [betrokkene 1] , die sinds 2007 in Nederland verbleef, was nog doende een EU-burger als partner te regelen.

Reeds op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat alle in de tenlastelegging genoemde vreemdelingen wederrechtelijk in Nederland verbleven en -gelet op de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen- dat de verdachte bij dat wederrechtelijk verblijf behulpzaam was. Voor zover al niet kan worden aangenomen dat de verdachte moet hebben geweten van de wederrechtelijkheid van het verblijf van de vreemdelingen, heeft te gelden dat hij zich kennelijk in het geheel niet heeft vergewist van hun verblijfsrechtelijke status - niet blijkt dat hij terzake enig onderzoek heeft gedaan of vragen heeft gesteld, terwijl hij ten aanzien van een aantal vreemdelingen heeft verklaard te hebben geweten dat sprake was van een schijnrelatie - en derhalve willens en wetens de aanmerkelijke kans op de koop heeft toegenomen, dat zij niet rechtmatig in Nederland verbleven.

De stelling dat het handelen van de verdachte niettemin gericht was op het verkrijgen van een verblijfsvergunning door de vreemdelingen en dus op hun rechtmatig verblijf hier, wordt gepasseerd, nu het aanvragen van een verblijfsvergunning op basis van een vals samenlevingscontract niet kan leiden tot een rechtsgeldige verblijfstitel - ook al zou het om “echte” relaties en niet om schijnrelaties gaan, hetgeen ook voor de verdachte duidelijk moet zijn geweest. De omstandigheid dat de IND in een aantal gevallen in een later stadium - nadat de eerste aanvraag voor een verblijfsvergunning was afgewezen - alsnog is overgegaan tot de verstrekking van een verblijfsdocument omdat in dat latere stadium wél sprake was van een duurzame relatie doet daar niet aan af. De door de raadsvrouw genoemde jurisprudentie brengt het hof evenmin tot een ander oordeel.

Bij deze stand van zaken hoeft hetgeen door de raadsvrouw is betoogd ten aanzien van de invloed van het gebruik van valse voorwendselen op het begrip wederrechtelijk verblijf (pleitnota onder nr. 12 en 13) geen verdere bespreking.”

’s Hofs verwerping van het verweer berust op de rechtsopvatting dat het behulpzaam zijn bij het indienen van een op valse gegevens gebaseerde aanvraag tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning kan worden beschouwd als het verlenen van hulp bij het verschaffen van wederrechtelijk verblijf. De steller van het middel betwist deze opvatting. Hij meent – kort gezegd - dat het verkrijgen van een verblijfsvergunning maakt dat het verblijf in Nederland rechtmatig is en dat daaraan niet afdoet dat die vergunning is verkregen door het verstrekken van valse gegevens. De hulp was derhalve niet gericht op het verschaffen van wederrechtelijk verblijf.

De tenlastelegging en bewezenverklaring zijn toegespitst op de delictsomschrijving van art. 197a, tweede lid, Sr. Dit artikellid luidt als volgt:

“Hij die een ander uit winstbejag behulpzaam is bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, een andere lidstaat van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen of een staat die is toegetreden tot het in het eerste lid genoemde protocol, of hem daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaft, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

Art. 197a Sr is in het Wetboek van Strafrecht gevoegd bij de Wet van 24 februari 1993, Stb. 141, ter uitvoering van de op 19 juni 1990 te Schengen tot stand gekomen Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de Staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten Akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controle van de gemeenschappelijke grenzen (Trb. 1990, 145), verder: de Uitvoeringsovereenkomst. Art. 27, eerste lid, Uitvoeringsovereenkomst houdt in:

“De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich ertoe te voorzien in passende sancties jegens eenieder die een vreemdeling uit winstbejag helpt of poogt te helpen het grondgebied van een der Overeenkomstsluitende Partijen binnen te komen of aldaar te verblijven, zulks in strijd met de wetgeving van deze Partij betreffende de binnenkomst en het verblijf van vreemdelingen.”

Het op 31 december 1993 in werking getreden art. 197a Sr luidde, voor zover hier van belang:

“1. Hij die een ander uit winstbejag behulpzaam is bij het zich verschaffen van toegang tot of verblijven in Nederland of enige staat welke gehouden is mede ten behoeve van Nederland grenscontrole uit te oefenen, of hem daartoe uit winstbejag gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaft terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat de toegang of dat verblijf wederrechtelijk is, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vijfde categorie.

2.(…)”

Art. 27, eerste lid, Uitvoeringsovereenkomst werd in 2004 ingetrokken door art. 5 Richtlijn 2001/90/EG van 28 november 2002 (Pb. L 328/17). Voor het artikellid kwam art. 1, eerste lid van de Richtlijn in de plaats, dat luidde:

“Iedere lidstaat neemt passende sancties tegen:

a) eenieder die een persoon die geen onderdaan is van een lidstaat, opzettelijk helpt om het grondgebied van een lidstaat binnen te komen of zich daarover te verplaatsen op een wijze die in strijd is met de wetgeving van die staat met betrekking tot de binnenkomst of doorreis van vreemdelingen;

b) eenieder die een persoon die geen onderdaan is van een lidstaat, uit winstbejag opzettelijk behulpzaam is bij het verblijven op het grondgebied van een lidstaat op een wijze die in strijd is met de wetgeving van die staat met betrekking tot het verblijf van vreemdelingen.”

Bij Wet van 9 december 2004, Stb 645, die mede strekte tot implementatie van de genoemde Richtlijn en op 1 januari 2005 in werking trad, werd art. 197a Sr gewijzigd, waardoor het tweede lid van dat artikel kwam te luiden zoals het thans nog steeds luidt.

Art. 27, eerste lid, Uitvoeringsovereenkomst sprak van behulpzaamheid bij het “verblijven” in onder meer Nederland. Hetzelfde geldt voor art. 1, eerste lid en onder b, Richtlijn (de Engelse tekst spreekt van “to reside”). Ook in art. 197a, eerste lid, Sr (oud) was de behulpzaamheid gericht op het “verblijven”. De genoemde wet van 9 december 2004 veranderde dit in het “zich verschaffen van verblijf”. Noch in de MvT, noch elders in de wetsgeschiedenis wordt deze wijziging toegelicht. Zo deze verandering van terminologie een inhoudelijke wijziging is beoogd, kan dat in elk geval niet zijn dat het nog slechts gaat om het verschaffen van verblijf aan iemand die nog geen verblijf in het desbetreffende land heeft. “Zich verblijf verschaffen” in Nederland is, zo leert een vergelijking met het eerste lid van art. 197a Sr (en met art. 197b Sr), wat anders dan het zich verschaffen van toegang tot Nederland. Belangrijker nog is dat het artikellid Richtlijnconform moet worden uitgelegd en in de Richtlijn wordt als gezegd gesproken van “verblijven”. De conclusie moet dan ook zijn dat “zich verblijf verschaffen” een voortdurende bezigheid is, net zoals “iemand onderdak verschaffen” dat is. Ook behulpzaamheid die gericht is op de voortzetting van het verblijf in Nederland valt derhalve onder art. 197a, tweede lid, Sr. Het is daarbij het voorgezette verblijf dat in de zin van dit artikellid “wederrechtelijk” moet zijn.

Art. 1, eerste lid, Richtlijn 2001/90/EG heeft, net zoal het geval was met art. 27, eerste lid, Uitvoeringsovereenkomst, betrekking op verblijf dat “in strijd is met de wetgeving van [de desbetreffende] staat met betrekking tot het verblijf van vreemdelingen”. Richtlijnconforme interpretatie brengt hier mee dat het verblijf in Nederland in de zin van art. 197a Sr wederrechtelijk is als aan de hier te lande geldende vreemdelingenwetgeving geen recht op verblijf kan worden ontleend.

Art. 8 Vreemdelingenwet 2000 luidt voor zover hier van belang:

“De vreemdeling heeft in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf:

a. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in art. 14;

b. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in art. 20 (…);

c. (enz.)”

Art. 11 Vreemdelingenwet bevat bepalingen over de aanspraken die de “vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft” kan maken op voorzieningen en uitkeringen. Een verblijfsvergunning kan worden ingetrokken als bij de aanvrage daarvan essentiële gegevens onjuist zijn verstrekt. Die intrekking kan met terugwerkende kracht geschieden.

Uit de tekst van art. 8 Vreemdelingenwet 2000 lijkt te volgen dat de vreemdeling aan wie een verblijfsvergunning is verstrekt, rechtmatig in Nederland verblijft zolang die verblijfsvergunning niet is ingetrokken en dat dit ook geldt – nu de wet geen uitzondering maakt – als de verblijfsvergunning door bedrog is verkregen. Of die conclusie dwingend is, kan hier in het midden blijven. Dit omdat de vraag of de vreemdeling rechtmatig in Nederland verblijft in de zin van onder meer art. 11 Vreemdelingenwet 2000, moet worden onderscheiden van de vraag of het verblijf “wederrechtelijk” is in de zin van art. 197a Sr. Uit het feit dat een verblijfsvergunning die door het verstrekken van onjuiste gegevens is verkregen, zonder meer en met terugwerkende kracht kan worden ingetrokken, volgt dat van een verblijf waarop de betrokkene recht heeft, geen sprake is. Een verblijf dat door een op bedrieglijke wijze verkregen verblijfsvergunning wordt ‘gedekt’, is met andere woorden niet een verblijf dat in overeenstemming is met onze vreemdelingenwetgeving en dus een verblijf dat daarmee (in de zin van Richtlijn2002/90/EG) “in strijd” is. Een ander uitleg van het bestanddeel wedererechtelijk in art. 197a Sr zou maken dat doel en strekking van de bedoelde Richtlijn wordt gemist.

In de lagere rechtspraak is in deze geest geoordeeld. En als ik het wel heb, is ook de Hoge Raad deze opvatting toegedaan. In HR 7 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1001, NJ 1998/558 oordeelde hij dat de bemiddeling bij schijnhuwelijken ten einde zo voor de illegaal in Nederland verblijvende partner een verblijfsstatus te krijgen, onder art. 197a Sr valt als die bemiddeling uit winstbejag geschiedt. Hoewel het in het arrest niet direct om de uitleg van het bestanddeel wederrechtelijk ging (het middel betoogde dat het feit dat de wetgever destijds voornemens was om aparte strafbepalingen te maken ten aanzien van het arrangeren van schijnhuwelijken, maakte dat toepassing van art. 197a Sr was uitgesloten), kan daaruit moeilijk een andere conclusie worden getrokken dan dat de Hoge Raad van oordeel is dat een onder valse voorwendselen verkregen verblijfsvergunning maakt dat het verblijf wederrechtelijk is in de zin van art. 197a Sr, althans dat de verkrijging van die verblijfsvergunning niet maakt dat de wederrechtelijkheid van het verblijf wordt weggenomen. Ik teken daarbij aan dat het feit dat de Hoge Raad niet ambtshalve casseerde destijds nog iets wilde zeggen, zeker als daarbij in aanmerking wordt genomen dat A-G Machielse het uitlegprobleem in zijn conclusie expliciet aan de orde had gesteld. “De bemiddelaar bevordert”, zo betoogde Machielse, ”dat de vreemdeling op valse titel in Nederland een verblijfsstatus verwerft en onder dat mom zijn verblijf kan continueren. Het illegaal verblijf wordt zo gecamoufleerd door een huwelijk dat achteraf nietig kan worden verklaard omdat het enkel is gesloten om toegang tot Nederland te krijgen. Door een schijnhuwelijk te sluiten wordt een verblijf in Nederland niet legaal. Er is en blijft sprake van wederrechtelijk verblijf.”

Uit het voorgaande volgt dat het middel berust op een onjuiste rechtsopvatting en om die reden faalt.

5. Het tweede middel

Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat aan de valsheid van de samenlevingscontracten niet afdoet dat in een aantal gevallen wellicht sprake was van een echte, duurzame relatie en geen schijnrelatie. Deze overweging is volgens de steller van het middel onbegrijpelijk, aangezien in het geval van een echte, duurzame relatie geen sprake kan zijn van een listige kunstgreep zoals onder 2 is bewezenverklaard.

Ten laste van de verdachte heeft het Hof onder 2 bewezenverklaard dat:

“hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2009 tot en met 25 mei 2012 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen, één of meer medewerkers van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) te bewegen tot de afgifte van documenten, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet, waaruit het rechtmatig verblijf als Gemeenschapsonderdaan blijkt, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - telkens opzettelijk listiglijk, tegen betaling van geldbedragen valse samenlevingscontracten op naam van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4] en [betrokkene 5] en [betrokkene 6] heeft opgemaakt”

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de bedoelde samenlevingscontracten inhouden dat zij door bepaalde notarissen zijn opgemaakt, terwijl dit in werkelijkheid niet het geval was. Het Hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk in zijn hiervoor weergegeven overwegingen met het bezigen van het begrip “vals samenlevingscontract” tot uitdrukking gebracht dat telkens sprake is van materiële valsheid.

Het middel faalt.

6. Het derde middel

Het middel klaagt dat het onder 5 bewezenverklaarde feit geen strafbaar feit oplevert, nu voor het zonder daartoe gerechtigd zijn “voeren” van de titel advocaat in de zin van art. 435 Sr onvoldoende is dat de verdachte enkel gezegd heeft dat hij advocaat is.

Ten laste van verdachte is onder 5 bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 1 januari 2009 tot en met 25 mei 2012 te Amsterdam zonder daartoe gerechtigd te zijn de titel van advocaat heeft gevoerd door tegen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4] en [betrokkene 5] en [betrokkene 6] te zeggen dat hij advocaat was, zulks terwijl hij nooit als zodanig bij de Landelijke Orde van Advocaten ingeschreven is.”

Het middel mist feitelijke grondslag voor zover daarmee betoogd wil zijn dat het Hof niet uit de bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden dat verdachte de titel van advocaat heeft “gevoerd” in de betekenis die daaraan in art. 435 aanhef en onder 3e Sr toekomt. Uit de bewijsmiddelen 11, 12, 23,, 26, 31, 36, 41, 44, 45, 46 en 47 blijkt zonder meer dat de verdachte niet alleen gezegd heeft dat hij advocaat was, maar zich ook als advocaat heeft voorgedaan en in die voorgewende hoedanigheid diensten heeft verricht waarvoor hij zich liet betalen.

Het middel mist ook feitelijke grondslag voor zover daarmee betoogd wil zijn dat het bewezenverklaarde feit niet als het strafbare feit van art. 435 aanhef en onder 3e Sr kan worden gekwalificeerd omdat enkel is bewezenverklaard dat de verdachte zei dat hij advocaat was. Het Hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de in de tenlastelegging en in de daarop gebaseerde bewezenverklaring voorkomende zinsnede dat de verdachte “zonder daartoe gerechtigd te zijn de titel van advocaat heeft gevoerd” mede feitelijke betekenis heeft.

Het middel faalt.

7. Alle middelen falen. Het tweede en het derde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

8. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?