ECLI:NL:PHR:2016:366

ECLI:NL:PHR:2016:366, Parket bij de Hoge Raad, 13-05-2016, 15/05533

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 13-05-2016
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 15/05533
Rechtsgebied Civiel recht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2016:2184
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 2 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 CELEX:32003R2201 EU:32003R2201

Samenvatting

Echtscheiding; IPR. Erkenning uitspraak rechter in Pennsylvania inzake het gezag over de kinderen en hun hoofdverblijfplaats. Is prorogatie aan de echtscheidingsrechter een naar internationale normen algemeen aanvaardbare bevoegdheidsgrond? Verordening Brussel IIbis en Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996.

Uitspraak

2. Bespreking van het cassatiemiddel

Het cassatiemiddel bevat drie onderdelen, uiteenvallend in verschillende subonderdelen, en is gericht tegen rov. 4.5-4.8 van de bestreden beschikking.

Het hof heeft in rov. 4.5 en 4.6 geoordeeld dat de bevoegdheid van de Court of Common Pleas om kennis te nemen van het verzoek van de man in de ‘motion for special relief’ van april 2013 en van diens verzoek tot wijziging van het gezag van 4 september 2013, heeft berust op een internationaal aanvaarde grondslag, te weten de gewone verblijfplaats van de kinderen in Pennsylvania in september 2011 ten tijde van het aanhangig maken van de echtscheidingsprocedure. Het hof heeft overwogen dat de Verordening Brussel II-bis uitgaat van het beginsel van perpetuatio fori, dit in tegenstelling tot het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996. Bij de huidige internationale stand van zaken moet worden geoordeeld dat in zaken van ouderlijke verantwoordelijkheid zowel toepassing van het beginsel van perpetuatio fori als het achterwege daarvan internationaal algemeen aanvaardbaar is, aldus het hof.

In rov. 4.7 en 4.8 heeft het hof geoordeeld dat zowel art. 12 lid 3 Brussel II-bis als art. 10 lid 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 de aanwijzing oplevert dat naar internationale maatstaven genomen aanvaarding van de bevoegdheid van de gerechten van een staat mogelijk is in zaken van ouderlijke verantwoordelijkheid. Het hof overweegt dat op grond van de begin 2012 als onderdeel van de echtscheidingsprocedure ondertekende verklaring van partijen en de daaropvolgende ‘Consent Order of Court’ van 1 februari 2012, sprake is van aanvaarding van rechtsmacht en derhalve van een internationaal aanvaarde bevoegdheidsgrond.

Het middel keert zich tegen deze twee zelfstandig dragende gronden voor het oordeel van het hof dat de bevoegdheid van de Court of Common Pleas berust op een internationaal aanvaardbare grondslag. De onderdelen I en II keren zich tegen de bevoegdheidsgrondslag op basis van de gewone verblijfplaats van de kinderen. Onderdeel III klaagt over de door het hof aanvaarde grondslag van prorogatie van bevoegdheid.

Onderdeel I klaagt dat het hof in rov. 4.6 is uitgegaan van een onjuiste peildatum, omdat het heeft overwogen dat de ‘motion for special relief’ van de man van april 2013 en diens verzoek tot wijziging van het gezag van 4 september 2013 moeten worden beschouwd als te zijn gedaan binnen de in 2011 door de vrouw aanhangig gemaakte echtscheidingsprocedure. Volgens subonderdeel I.1 is het hanteren van hetzelfde zaaknummer een administratieve handeling, zodat de vraag of het verzoek een nevenvoorziening is dan wel een zelfstandig verzoek niet uitsluitend aan de hand daarvan kan worden beantwoord. Subonderdeel I.2 klaagt dat het hof een autonoom begrip ‘aanhangigheid’ had moeten hanteren. Subonderdeel I.3 bouwt hierop voort.

Onderdeel II is gericht tegen rov. 4.5 en 4.6 en valt in drie subonderdelen uiteen. Subonderdeel II.1 klaagt dat de Amerikaanse rechter niet bevoegd was om kennis te nemen van het verzoek van de man tot wijziging van het gezag, omdat op de datum van indiening van dat verzoek (4 september 2013) de gewone verblijfplaats van de kinderen zich in Nederland bevond. Subonderdeel II.2 klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat in zaken van ouderlijke verantwoordelijkheid zowel de toepassing van het beginsel van perpetuatio fori als het achterwege laten daarvan, internationaal aanvaardbaar is. Subonderdeel II.3 bevat geen afzonderlijke klacht.

Alvorens de onderdelen I en II te bespreken die zijn gericht tegen de eerste zelfstandig dragende grond voor het aannemen van een internationaal aanvaardbare bevoegdheid (de gewone verblijfplaats van de kinderen en het beginsel van perpetuatio fori), merk ik het volgende op. In cassatie zijn geen klachten gericht tegen rov. 4.2 van de bestreden beschikking. Hierin heeft het hof overwogen dat de vraag naar de erkenning van de beslissingen van de Court of Common Pleas wordt beheerst door het commune Nederlandse internationaal privaatrecht, omdat tussen Nederland en de Verenigde Staten geen verdragen van toepassing zijn die betrekking hebben op de erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen inzake ouderlijke verantwoordelijkheid. Eveneens is in cassatie onbestreden dat het hof art. 431 lid 2 Rv van belang heeft geacht en dat voor de vraag of de beslissingen van de Court of Common Pleas voor erkenning in aanmerking komen, voldaan moet zijn aan de in de rechtspraak van de Hoge Raad gestelde voorwaarden voor de erkenning van vreemde vonnissen. Het hof heeft deze (vier) voorwaarden in rov. 4.2 vermeld en overwogen dat partijen van mening verschillen over (i) de voorwaarde dat de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is en (ii) de voorwaarde dat de erkenning van de buitenlandse beslissing niet in strijd is met de Nederlandse openbare orde. Thans gaat het in cassatie uitsluitend om de eerste voorwaarde inzake de internationaal aanvaardbare bevoegdheid. Voor de volledigheid wijs ik erop dat de erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen inzake ouderlijke verantwoordelijkheid in het commune Nederlandse internationaal privaatrecht – dus buiten de gelding van verdragen en verordeningen – niet wordt beheerst door art. 431 lid 2 Rv, omdat deze bepaling geen betrekking heeft op staatvonnissen, zoals rechterlijke beslissingen inzake ouderlijke verantwoordelijkheid. Voor de erkenning van beslissingen inzake ouderlijke verantwoordelijkheid onder de gelding van het commune internationaal privaatrecht geldt dat de weigeringsgronden neergelegd in art. 23 lid 2 HKV 1996 als richtsnoer kunnen dienen. Dit leidt ertoe (i) dat de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, moet berusten op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven aanvaardbaar is (vgl. art. 23 lid 2, onder a, HKV 1996), (ii) dat in de buitenlandse procedure de beginselen van behoorlijke rechtspleging in acht moeten zijn genomen (waaronder het horen van het kind, vgl. art. 23 lid 2, onder b, HKV 1996), (iii) dat de erkenning van de beslissing, gelet op het belang van het kind, niet in strijd is met de Nederlandse openbare orde (vgl. art. 23 lid 2, onder d, HKV 1996) en (iv) dat de beslissing inzake ouderlijke verantwoordelijkheid niet onverenigbaar mag zijn met een naderhand in Nederland genomen maatregel of (v) met een maatregel die naderhand in de staat van de gewone verblijfplaats van het kind is genomen, welke maatregel in Nederland voor erkenning in aanmerking komt (vgl. art. 23 lid 2, onder e, HKV 1996).

Eén van de voorwaarden voor erkenning is derhalve dat de buitenlandse rechter die de beslissing heeft gegeven, zijn bevoegdheid moet hebben gebaseerd op een internationaal aanvaarde grond. Deze bevoegdheidstoetsing wordt niet uitgevoerd aan de hand van het (proces)recht van de rechter die de beslissing heeft gewezen noch aan de hand van het recht van het land waar de erkenning wordt ingeroepen. Het gaat om de vraag of de bevoegdheid van de buitenlandse rechter is gebaseerd op een grond die in het internationale rechtsverkeer algemeen is aanvaard, zoals neergelegd in verdragen en/of verordeningen. Dergelijke internationale instrumenten kunnen, zelfs als zij nog niet in werking zijn getreden, uitdrukking geven aan een communis opinio over internationaal aanvaardbare bevoegdheidsgronden. Afhankelijk van het onderwerp waarop de te erkennen beslissing betrekking heeft, kunnen verdragen en/of verordeningen een concreet handvat bieden. Ter illustratie wijs ik op een arrest van de Hoge Raad van 27 mei 1988, waarin het betrof de erkenning van een buitenlandse echtscheidingsbeslissing en in dat kader de vraag rees of de rechter te Colorado rechtsmacht had om van de echtscheiding kennis te nemen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof ter beoordeling van die vraag terecht art. 2 van het Haags Echtscheidingsverdrag van 1 juni 1970 tot richtsnoer had genomen, ook al miste dat verdrag in die zaak rechtstreekse toepassing.

Onder het commune internationaal privaatrecht kunnen de bevoegdheidsregels van het HKV 1996 en de Verordening Brussel II-bis tot richtsnoer worden genomen om te bepalen of de buitenlandse rechter die een beslissing inzake ouderlijke verantwoordelijkheid heeft genomen, zijn bevoegdheid heeft gebaseerd op een internationaal aanvaardbare bevoegdheidsgrond.

De Verordening Brussel II-bis is gebaseerd op wederzijds vertrouwen in de rechtsstelsels van de lidstaten, hetgeen onder meer in de fase van de erkenning (en de tenuitvoerlegging) tot uitdrukking komt in art. 24 Brussel II-bis, waarin is opgenomen het verbod van toetsing van de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven (verbod van ‘révision au fond’). Art. 8 lid 1 Brussel II-bis bevat de algemene bevoegdheidsregel voor maatregelen inzake ouderlijke verantwoordelijkheid en kent bevoegdheid toe aan de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Art. 12 lid 1 Brussel II-bis kent, in afwijking van art. 8 Brussel II-bis, onder bepaalde voorwaarden bevoegdheid toe aan de echtscheidingsrechter. Hiermee wordt bereikt dat de echtscheidingsrechter (bevoegd op basis van art. 3 Brussel II-bis) ook kennis kan nemen van met de echtscheiding samenhangende kwesties inzake ouderlijke verantwoordelijkheid.

Ook het HKV 1996 bepaalt in art. 5 lid 1 dat voor het nemen van maatregelen inzake ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegdheid toekomt aan de rechter van de verdragsluitende staat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft. Wordt de gewone verblijfplaats van het kind verplaatst naar een andere verdragsluitende staat, dan is de rechter van de nieuwe gewone verblijfplaats bevoegd, aldus art. 5 lid 2 HKV 1996. Art. 10 HKV 1996 kent onder bepaalde voorwaarden bevoegdheid toe aan de echtscheidingsrechter voor het nemen van maatregelen inzake ouderlijke verantwoordelijkheid.

Uit het voorgaande volgt dat de bevoegdheid gebaseerd op de gewone verblijfplaats van het kind een internationaal aanvaarde bevoegdheidsgrond is. De rechter van de gewone verblijfplaats van het kind is immers het beste in staat zich een oordeel te vormen over de verzochte maatregelen inzake ouderlijke verantwoordelijkheid en over de belangen van het kind. De maatregelen zullen meestal ook in het land van de gewone verblijfplaats van het kind effect moeten sorteren. Bevoegdheid en toepasselijk recht lopen hier samen (‘Gleichlauf’): de rechter van het land van de gewone verblijfplaats van het kind past zijn eigen recht toe op de te nemen maatregelen (zie art. 15 HKV 1996).

Noch in het HKV 1996, noch in de Verordening Brussel II-bis is het begrip ‘gewone verblijfplaats’ nader gedefinieerd. De invulling daarvan is overgelaten aan de rechtspraak. Als gewone verblijfplaats geldt de plaats die een zekere integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt.De invulling die het begrip ‘gewone verblijfplaats’ voor de toepassing van de Verordening Brussel II-bis heeft gekregen, is ook maatgevend te achten voor de invulling van het begrip gewone verblijfplaats zoals neergelegd in de Haagse verdragen.

Over de aanvaarding van het beginsel van perpetuatio fori – de aangezochte rechter blijft bevoegd ook als in de loop van het rechtsgeding de omstandigheden wijzigen op grond waarvan de rechter zijn bevoegdheid heeft aangenomen – merk ik het volgende op. De Hoge Raad heeft ten aanzien van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961 geoordeeld dat het bij perpetuatio fori gaat om een beginsel en niet om een regel zonder uitzonderingen. In het geval van verandering van de gewone verblijfplaats van het kind moet voor de toepassing van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961 het beginsel van perpetuatio fori doorgaans wijken voor het belang van de minderjarige. Ook in het HKV 1996 wordt het beginsel niet gehanteerd (zie art. 5 lid 2 HKV 1996). Een voorstel om perpetuatio fori in het HKV 1996 op te nemen, kreeg tijdens de verdragsonderhandelingen onvoldoende steun. In het Toelichtend Rapport op het HKV 1996 valt hierover het volgende te lezen:

‘Where the change of habitual residence of the child from one State to another occurs at a time when the authorities of the first habitual residence are seised of a request for a measure of protection, the question arises as to whether these authorities retain their competence to take this measure (perpetuatio fori) or whether the change of habitual residence deprives them ipso facto of this jurisdiction and obliges them to decline its exercise. The Commission rejected by a strong majority a proposal by the Australian, Irish, British and United States delegations favourable to perpetuatio fori. Certain delegations explained their negative vote by their hostility to the very principle of perpetuatio fori in this field and wanted jurisdiction to change automatically in case of a change of habitual residence, while other delegations thought that it would be more simple for the Convention not to say anything on this subject thereby abandoning to the procedural law the decision on perpetuatio fori. The first opinion appeared to be the more exact in the case of a change of habitual residence from one Contracting State to another Contracting State. Indeed it is not acceptable that in such a situation, which is located entirely within the interior of the scope of application of the Convention, the determination of jurisdiction be left to the law of each of the Contracting States. Moreover this solution is one which currently prevails for the interpretation of the Convention of 5 October 1961. On the other hand, in the case of a change of habitual residence from a Contracting State to a non-Contracting State, Article 5 ceases to be applicable from the time of the change of residence and nothing stands in the way of retention of jurisdiction, under the national law of procedure, by the authority of the Contracting State of the first habitual residence which has been seised of the matter, although the other Contracting States are not bound by the Convention to recognise the measure which may be taken by this authority’.

De Verordening Brussel II-bis gaat daarentegen wel uit van het beginsel van perpetuatio fori. Art. 8 Brussel II-bis bepaalt immers dat de gewone verblijfplaats van het kind beoordeeld wordt op het moment dat de zaak aanhangig wordt gemaakt. Echter, art. 15 Brussel II-bis biedt de mogelijkheid de zaak te verwijzen naar een gerecht dat beter in staat is de zaak te behandelen, hetgeen zich zou kunnen voordoen indien de gewone verblijfplaats van het kind gewijzigd is. Dat art. 8 Brussel II-bis het beginsel van de perpetuatio fori huldigt, is niet zonder kritiek gebleven. Door vast te houden aan de bevoegdheid van de aangezochte rechter ondanks dat de gewone verblijfplaats van het kind in de loop van het geding is gewijzigd, kan het belang van het kind in het gedrang komen.

Ik keer terug naar de bespreking van het middel. Het echtscheidingsverzoek van partijen is bij de Court of Common Pleas ingediend in december 2011. Als onderdeel van de echtscheidingsprocedure is een ouderschapsplan opgesteld, waarin onder andere afspraken omtrent het gezag en de zorg over de kinderen zijn opgenomen en dat door de Court of Common Pleas is bekrachtigd. Een verzoek tot wijziging van het gezag kan vervolgens te allen tijde, dus ook jaren later, worden ingediend. De man heeft zijn verzoek tot wijziging van het gezag bij de Court of Common Pleas ingediend op 4 september 2013, welk verzoek heeft geleid tot de beslissing van 1 december 2014. In het Memorandum voorafgaand aan die beslissing valt het volgende te lezen:

‘A Custody Trial was held in this matter on July 30, October 30, and October 31, 2014. (…) The subject litigation commenced on September 4, 2013, when Father filed a Petition for Modification of a Custody Order’.

Hieruit blijkt dat de Court of Common Pleas 4 september 2013 heeft aangemerkt als het aanvangsmoment van de procedure naar aanleiding van het verzoek van de man. Op dat moment bevond de gewone verblijfplaats van de kinderen zich niet meer in de Verenigde Staten. De moeder was immers op 17 maart 2013 met de kinderen naar Nederland verhuisd met de intentie hier te blijven. De kinderen gingen in Nederland naar school, zodat hun sociale en familiale omgeving zich in Nederland bevond. Dat bij de Court of Common Pleas de verschillende verzoeken hetzelfde zaaknummer hebben gekregen, acht ik niet doorslaggevend voor de beoordeling van de vraag of de Court of Common Pleas op 4 september 2013 naar internationale maatstaven genomen bevoegd was. Voor zover onderdeel I klaagt dat het hof uitsluitend op grond van het zaaknummer tot het bestreden oordeel is gekomen, mist het onderdeel feitelijke grondslag. Het hof verwijst immers eveneens naar rov. 16 van de beslissing van Court of Common Pleas van 1 december 2014, waarin wordt overwogen dat de beschikking alle voorgaande in deze zaak gegeven beschikkingen inzake ouderlijk gezag vervangt. Voor zover het middel klaagt dat het hof ten onrechte 1 december 2011 als peildatum heeft genomen, treft het doel. Uit het voorgaande volgt dat 4 september 2013 heeft te gelden als aanvangsmoment van de procedure die heeft geleid tot de beslissing van de Court of Common Pleas van 1 december 2014.

De onderdelen I en II slagen derhalve voor zover zij betogen dat het hof is uitgegaan van een onjuiste peildatum en ten onrechte heeft aangenomen dat de rechtsmacht van de Court of Common Pleas heeft berust op perpetuatio fori als internationaal aanvaard beginsel. Of het slagen van deze onderdelen tot cassatie van de bestreden beschikking moet leiden, is afhankelijk van de vraag of onderdeel III slaagt. Onderdeel III is immers gericht tegen de tweede zelfstandige grond waarop het hof de bevoegdheid van de Court of Common Pleas internationaal aanvaardbaar heeft geacht.

Onderdeel III is gericht tegen rov. 4.7 en 4.8 en klaagt dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door aan te nemen dat sprake is van een internationaal aanvaarde bevoegdheidsgrond, omdat de vrouw de bevoegdheid van de Court of Common Pleas heeft aanvaard. Het onderdeel klaagt dat, indien het verzoek van de man van 4 september 2013 moet worden gekwalificeerd als nevenvoorziening, niet is voldaan aan de voorwaarden van een forumkeuze en dat forumkeuze ten aanzien van een zelfstandig verzoek voor een maatregel inzake ouderlijke verantwoordelijkheid geen internationaal aanvaarde bevoegdheidsgrond is.

Alvorens dit onderdeel te bespreken, merk ik het volgende op. Er bestond internationale weerstand om de bevoegdheid inzake echtscheiding en de bevoegdheid inzake ouderlijke verantwoordelijkheid aan elkaar te koppelen. De reden daarvan is gelegen in de eventuele botsing die zou kunnen ontstaan met het belang van het kind. Zou ook na het uitspreken van de echtscheiding de bevoegdheid van de echtscheidingsrechter ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid voortduren, dan zou het risico bestaan dat een rechter die geen nauwe band met het kind heeft, bevoegd zou zijn. In art. 10 HKV 1996 is een bepaling opgenomen die weliswaar de echtscheidingsrechter bevoegdheid geeft ter zake van ouderlijke verantwoordelijkheid, maar uitsluitend onder bepaalde voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat het belang van het kind met deze bevoegdheid is gediend en de bevoegdheid slechts gedurende de echtscheidingsprocedure geldt. Verzoeken inzake ouderlijke verantwoordelijkheid die buiten een echtscheidingsprocedure worden gedaan, vallen niet onder de reikwijdte van art. 10 HKV 1996. De accessoire bevoegdheid van de echtscheidingsrechter eindigt op grond van art. 10 lid 2 HKV 1996, zodra de echtscheiding is uitgesproken of het verzoek tot het nemen van een maatregel inzake ouderlijke verantwoordelijkheid is afgewezen en onherroepelijk is geworden, dan wel de procedure om een andere reden is afgesloten (bijvoorbeeld door intrekking van het verzoek of door overlijden van een echtgenoot). In het Toelichtend Rapport op het HKV 1996 wordt hierover opgemerkt:

‘It is the procedural law of the State whose authority is seised with the request for divorce which is applicable to the question of whether the proceedings have ended or whether the decision has become final.

This rule means that, once the proceedings have ended and the divorce has been pronounced, for example, it will no longer be possible to return before the divorce court to ask it to modify the measures for protection of the children which it had taken when it was still seised with the request for divorce. Only the authority which would normally have jurisdiction in application of Articles 5 to 9 of the Convention will thenceforth be able to decide. (…)’.

In de Verordening Brussel II-bis is de accessoire bevoegdheid van de echtscheidingsrechter opgenomen in art. 12 lid 1 en lid 2, waarvan de inhoud vrijwel overeenkomt met art. 10 HKV 1996. Volgens art. 12 lid 1, onder b, Brussel II-bis moet de bevoegdheid van de echtscheidingsrechter door de echtgenoten en door de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, zijn aanvaard op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt en door het belang van het kind worden gerechtvaardigd. Art. 10 HKV 1996 stelt wel de eis dat het belang van het kind met de prorogatie is gediend, maar het artikel stelt niet de eis dat de aanvaarding van de rechtsmacht reeds bij het aanhangig maken van de procedure moet zijn gedaan.

Naast de accessoire bevoegdheid van de echtscheidingsrechter voor het nemen van maatregelen inzake ouderlijke verantwoordelijkheid, kent de Verordening Brussel II-bis in art. 12 lid 3 nog een mogelijkheid van prorogatie, namelijk voor de bevoegdheid in zelfstandige procedures voor maatregelen inzake ouderlijke verantwoordelijkheid. Vereist is, kort gezegd, dat het kind een nauwe band met de lidstaat van de gekozen rechter heeft en de bevoegdheid van die rechter door alle partijen bij de procedure uitdrukkelijk dan wel op enige andere wijze ondubbelzinnig is aanvaard. Een geldige forumkeuze kan echter niet worden gedaan met betrekking tot eventuele toekomstige geschillen over ouderlijke verantwoordelijkheid. De aanvaarding dient te geschieden op het tijdstip waarop de procedure aanhangig wordt gemaakt.

In het HKV 1996 heeft art. 12 lid 3 Brussel II-bis geen equivalent. Uit het ontbreken van een dergelijke bepaling in het HKV 1996 blijkt dat deze forumkeuzemogelijkheid kennelijk naar internationale maatstaven (nog) niet algemeen aanvaard is.

Ik keer terug naar de bespreking van het onderdeel. In rov. 4.8 van de bestreden beschikking heeft het hof zowel in art. 12 lid 3 Brussel II-bis als in art. 10 lid 1 HKV 1996 een aanwijzing gezien dat naar internationale maatstaven forumkeuze in zaken van ouderlijke verantwoordelijkheid mogelijk is. Het hof heeft in rov. 4.7 gewezen op de door partijen begin 2012 ondertekende verklaring dat de Court of Common Pleas bevoegd is met betrekking tot alle zaken aangaande ouderlijk gezag. Voor zover het hof – in navolging van de rechtbank – heeft aangenomen dat sprake is van een forumkeuze in een zelfstandige procedure inzake ouderlijke verantwoordelijkheid en daarvoor aansluiting heeft gezocht bij de norm van art. 12 lid 3 Brussel II-bis, heeft het hof miskend dat de bevoegdheidsgrond van art. 12 lid 3 Brussel II-bis naar internationale maatstaven genomen niet algemeen aanvaard is. Het hof heeft miskend dat art. 10 HKV 1996 uitsluitend betrekking heeft op de internationaal aanvaarde accessoire bevoegdheid van de echtscheidingsrechter, terwijl art. 12 lid 3 Brussel II-bis ziet op de bevoegdheid in zelfstandige procedures. Het onderdeel slaagt derhalve op dit punt. Ten overvloede merk ik nog op dat onder de gelding van art. 12 lid 3 Brussel II-bis de door partijen begin 2012 ondertekende verklaring geen geldige forumkeuze zou opleveren in de procedure die door de man is ingeleid met zijn verzoek van 4 september 2013, nu de forumkeuze niet op dat moment is aangegaan.

Voor zover het hof heeft bedoeld dat in het onderhavige geval sprake is van een accessoire bevoegdheid van de echtscheidingsrechter op de voet van art. 10 HKV 1996, welke bevoegdheid naar internationale maatstaven wel algemeen aanvaard is, heeft het hof onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang. Het hof heeft immers slechts overwogen dat naar internationale maatstaven genomen aanvaarding van de bevoegdheid van de gerechten in zaken van ouderlijke verantwoordelijkheid mogelijk is zonder te toetsen of in het onderhavige geval voldaan is aan de voorwaarden die een overeenkomstige toepassing van art. 10 HKV 1996 met zich zou brengen. In zoverre slaagt het onderdeel.

Ik merk nog op dat, anders dan het middel (onder III.2.3) betoogt, op een verzoek dat aanhangig is gemaakt vóór het definitief worden van de echtscheiding daarna nog kan worden beslist, maar een nieuw verzoek kan dan niet meer worden gedaan. Of na de bekrachtiging van het ouderschapsplan door de Court of Common Pleas op 7 mei 2012 een nieuw verzoek voor een gezagsvoorziening moet worden gezien als een nevenvoorziening waarvan de bevoegdheid wordt bestreken door de door partijen overeengekomen forumkeuze, is een kwestie die beheerst wordt door het procesrecht van de Court of Common Pleas als aangezochte rechter. Kennelijk heeft het hof in rov. 4.6 van de bestreden beschikking het verzoek van de man van 4 september 2013 gezien als onderdeel van de echtscheidingsprocedure.

Nu het middel naar mijn mening slaagt voor zover het is gericht tegen de beide zelfstandige dragende gronden waarop het hof de bevoegdheid van de Court of Common Pleas internationaal aanvaardbaar heeft geacht, kan de bestreden beschikking niet in stand blijven. Dat de kinderen inmiddels sedert mei 2015 in de Verenigde Staten bij de man verblijven en in zoverre de vraag naar de erkenning van de beslissingen van de Court of Common Pleas veel van haar belang heeft verloren, doet hieraan verder niet af.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?