7. Het hof heeft overwogen dat niet kan worden vastgesteld wie de bestuurder van de Audi is geweest op het moment dat de Audi achteruit inreed op de overdwars op de weg staande Volvo met daarin agent Q118. Wel is komen vast te staan dat de verdachte één van de drie inzittenden van de Audi was. Voorts staat in cassatie vast dat de verdachte zich samen met de andere twee verdachten schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde voorafgegane diefstallen met braak. Tot slot heeft het hof overwogen dat zowel het medeplegen van de bedreiging met geweld als het medeplegen van het geweld wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Daarbij heeft het hof de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking genomen:
(i) de verdachte en zijn medeverdachten hebben agent Q118 op een dreigende wijze aangekeken (tijdens het inhalen van de Volvo);
(ii) de verdachte en zijn medeverdachten zijn na het klemrijden alle drie uitgestapt en op agent Q118 afgerend;
(iii) de verdachte en zijn medeverdachten zijn vervolgens alle drie weer ingestapt in de Audi;
(iv) de Audi is daarna met opzet tegen de Volvo met daarin agent Q118 aangereden;
(v) vervolgens hebben verdachte en zijn medeverdachten gezamenlijk hun weg in de Audi vervolgd.
8. Hieruit heeft het hof de gevolgtrekking gemaakt dat de verdachte in elk geval heeft deelgenomen aan de bedreiging met geweld, daar hij terzake van de bedreiging zelf uitvoeringshandelingen heeft verricht (ik begrijp: het dreigend kijken en het uitstappen en dreigend op agent Q118 afrennen). Het middel klaagt hier verder niet over. Voorts trekt het hof hieruit ook de conclusie dat de verdachte - voor zover hij zelf al niet de bestuurder van de Audi was - in elk geval als inzittende van de Audi met voornoemd geweld heeft ingestemd en dat de rollen van de bestuurder en de twee overige inzittenden onderling inwisselbaar zijn geweest. In andere woorden, het hof schaart ook de geweldshandeling gepleegd door de bestuurder van de Audi onder het medeplegen en neemt daarmee aan dat de verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet heeft gehad op de aanmerkelijke kans dat zijn medeverdachte op de agent in zou rijden. De eerste deelklacht van het middel moet hierop stranden. Ten eerste omdat het middel kennelijk gebaseerd is op de veronderstelling dat voor medeplegen nodig is dat de verdachte zelf de geweldshandeling heeft gepleegd - quod non - en ten tweede omdat het van weinig realiteitszin bij de steller van het middel getuigt aan te nemen dat alleen een verdachte met een rijbewijs, respectievelijk voldoende rijvaardigheid het bewezenverklaarde gevaarzettende verkeersgedrag kan vertonen en de bewezenverklaarde geweldshandeling kan plegen.
9. Voorts is ook niet onbegrijpelijk het in de overwegingen van het hof besloten liggende oordeel dat de vereiste bewuste en nauwe samenwerking tussen de bestuurder en zijn bijrijders ook door andere factoren wordt ingevuld. Dat de verdachte samen met zijn twee mededaders is uitgestapt en dreigend op de agent Q118 is afgerend duidt er mijns inziens op dat het opzet van de verdachte er mede op gericht was de agent Q118 te doen stoppen respectievelijk te intimideren teneinde de (verdere) vlucht na de gepleegde inbraken veilig te stellen. Verdachtes handelen past in het algemene beeld van drie daders die koste wat kost aan een mogelijke achtervolging en inrekening door de politie wensten te ontkomen. Hierbij mag niet onvermeld blijven dat de daders de inbraken gezamenlijk hebben gepleegd, gezamenlijk in de gestolen (!) Audi op de vlucht zijn geslagen, zelf de confrontatie met de agent Q118 hebben opgezocht door hem te gaan achtervolgen, hem klem te rijden en gezamenlijk dreigend op hem af te rennen, na de confrontatie met de agent Q118 gezamenlijk de vlucht hebben hervat, onderweg een stopteken van het arrestatieteam hebben genegeerd, doorgereden zijn naar België, daar de Audi hebben verlaten, zich lopend hebben opgesplitst waarna de drie verdachten uiteindelijk toch door de (achtervolgende) politie zijn aangehouden. Dit duidt niet op een scenario waarin de verdachte tegen wil en dank slechts als passagier in de Audi heeft gezeten.
10. Tegen deze achtergrond getuigt het kennelijke oordeel van het hof, dat het betrekkelijk onverschillig is wie er achter het stuur heeft gezeten nu de verdachten voldoende nauw en bewust met elkaar hebben samengewerkt en dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat de bestuurder van de Audi de Volvo met daarin agent Q118 aan zou rijden op de koop heeft toegenomen, dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting omtrent medeplegen, noch is het onbegrijpelijk. Met name niet - en ik merk het nog maar even op - nu de bestuurder van de Audi de Volvo eerst al bijna van de weg had gereden en vervolgens heeft klemgereden door voor de Volvo te gaan rijden en vol op de rem te gaan staan met het risico dat de agent Q118 niet op tijd had kunnen remmen en - met hoge snelheid - achterop de Audi zou zijn gebotst. Door als verdachte dan weer in de Audi in te stappen neem je het zeer gevaarzettende rijgedrag met de daarbij horende risico’s en mogelijke geweldshandelingen mijns inziens op de koop toe. Daar hoort ook bij dat de omstandigheid dat de agent Q118 aan deze intimidatie heeft geprobeerd te ontkomen door te trachten zijn Volvo in een slip te keren waardoor de Volvo dwars op de weg is komen te staan, onder het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte en zijn medeverdachten kan worden geschaard. Bovendien valt niet in te zien welk juridisch relevant verschil ten aanzien van de geweldscomponent valt te bespeuren tussen het met flinke kracht inrijden op een recht, dan wel overdwars op de weg stilstaande auto. Voor zover de steller van het middel lijkt te suggereren dat de agent Q118 het aan zijn eigen verkeersgedrag te danken heeft dat hij het slachtoffer is geworden van het door de verdachte en zijn medeverdachten gepleegde geweld gaat mij dat te ver.
11. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Toepassing van art. 80a RO laat zich denken.
12. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
13. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG