“1. (PROJECT SOLARIS):
Zij op of omstreeks 3 juli 2000 te Bilthoven, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
een factuur van [verdachte] gericht aan [G] BV ten bedrage van Fl.325.000,- (exclusief btw)(D-1427-2)
zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken en/of laten opmaken of vervalst en/of doen vervalsen en/of laten vervalsen, immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s) valselijk en/of in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven -
op/in die factuur vermeld dat door of namens [verdachte] werkzaamheden en/of diensten zijn verricht ten behoeve van/voor [G] BV, terwijl in werkelijkheid die werkzaamheden en/of diensten niet, althans niet in zijn geheel, door of namens [verdachte] zijn verricht ten behoeve van/voor [G] BV
en/of
op/in die factuur (een) factuurbedrag vermeld dat in werkelijkheid geenm althans niet volledig, betrekking heeft op de in die factuur vermelde werkzaamheden en/of diensten,
zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken;
2.(PROJECTEN HOLLANDSE MEESTER & SOLARIS & COOLSINGEL):
Zij in of omstreeks de periode van 1 januari 1998 tot en met 1 april 2008 te Capelle aan den IJssel en/of Hoevelaken en/of Den Haag en/of Bergschenhoek en/of 's-Gravenzande en/of Bilthoven en/of Amsterdam en/of Amstelveen en/of Heemstede en/of Bemmel en/of Buitenkaag, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft deelgenomen aan een organisatie,
te weten een samenwerkingsverband van natuurlijke personen en/of rechtspersonen, bestaande uit haar, verdachte, en/of [medeverdachte 1] en/of [betrokkene 6] en/of [medeverdachte 2] en/of [betrokkene 7] en/of [betrokkene 8] en/of [betrokkene 9] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [betrokkene 10] en/of [medeverdachte 6] en/of [betrokkene 11] en/of [H] BV en/of [I] BV en/of [J] BV (van 2 februari 1994 tot 14 augustus 2000 optredend onder de handelsnaam [K] BV) en/of [L] BV (van 14 augustus 2000 tot 5 april 2005 optredend onder de handelsnaam [K] BV) en/of [M] BV en/of [N] BV en/of [medeverdachte 7] (van 14 april 1999 tot 26 februari 2009 optredend onder de handelsnaam [O] BV) en/of [P] BV en/of een of meer andere(n) (rechts)perso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, namelijk onder meer:
-oplichting van Bouwfonds (artikel 326 WvSr)
-verduistering in diénstbetrekking bij Bouwfonds (artikel 322 WvSr)
-valsheid in geschrifte (artikel 225 WvSr)
-niet ambtelijke actieve en/of passieve omkoping (artikel 328ter WvSr)
-witwassen (artikel 420bis/420quater WvSr)
-opzetheling (artikel 416 WvSr)
3.(PROJECT EUROCENTER):
Zij in of omstreeks de periode van 24 februari 2006 tot en met 7 september 2007 te Bilthoven en/of Alphen aan den Rijn, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
een brief van [verdachte] gericht aan [Q] BV d.d. 28 december 2005 en/of een overeenkomst tussen [verdachte] en [Q] BV d.d. 28 december 2005 (D-1036)
en/of
een brief van [verdachte] gericht aan [Q] BV d.d. 10 augustus 2006 en/of een overeenkomst tussen [verdachte] en [Q] BV (D-1373)
en/of
zeven, althans een of meer, factu(u)r(en) van [Q] BV (telkens) gericht aan [verdachte] ten bedrage van in totaal circa Euro 250.000,- (exclusief btw) (D-0851 en/of D-0848 en/of D-0869 en/of D-0882 en/of D-0883 en/of D-0884 en/of D-1169-4),
zijnde (telkens) (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken en/of laten opmaken of vervalst en/of doen vervalsen en/of laten vervalsen, immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s) valselijk en/of in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven -
op/in die brie(f)(ven) en/of overeenkomst(en) vermeld dat door of namens [Q] BV werkzaamheden en/of diensten zijn/zouden worden verricht ten behoeve van/voor [verdachte] en/of die brie(f)(ven) en/of overeenkomst(en) gedateerd op respectievelijk 28 december 2005 en/of 10 augustus 2006, terwijl in werkelijkheid die werkzaamheden en/of diensten niet, althans niet in zijn geheel, door of namens [Q] BV zijn/zouden worden verricht ten behoeve van/voor [verdachte] en/of die brie(f)(ven) van 28 december 2005 en/of 10 augustus 2006 geantedateerd was/waren
en/of
op/in die brie(f)(ven) en/of overeenkomst(en) (een) factuurbedrag(en) vermeld die/dat in werkelijkheid geen, althans niet volledig, betrekking heeft/hebben op de in die brie(f)(ven) en/of overeenkomsten vermelde(n) werkzaamheden en/of diensten
en/of
op/in die factu(u)r(en) vermeld dat door of namens [Q] BV werkzaamheden en/of diensten zijn verricht ten behoeve van/voor [verdachte] en/of de factu(u)r(en) D-0882 en/of D-
0883 en/of D-0884 en/of D-1169-4 gedateerd op respectievelijk 24 februari 2006 en/of 5 juni 2006 en/of 13 september 2006 en/of 6 januari 2007, terwijl in werkelijkheid die werkzaamheden en/of diensten niet, althans niet in zijn geheel, door of namens [Q] BV zijn zouden worden verricht ten behoeve van/voor [verdachte] en/of die factu(u)r(en) van 24 januari 2006 en/of 5 juni 2006 en/of 13 september 2006 en/of 6 januari 2007 geantedateerd was/waren
en/of
op/in die factu(u)r(en( (een) factuurbedrag(en) vermeld die/dat in werkelijkheid geen, althans niet volledig, betrekking heeft/hebben op de in die factu(u)r(en) vermelde(n) werkzaamheden en/of diensten
zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken;
4.(PROJECT EUROCENTER):
Zij in of omstreeks de periode van 3 juni 2004 tot en met 28 februari 2007, te Bilthoven, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (van) een of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) tot een totaal bedrag van circa Euro 1.925.000, (exclusief btw), in elk geval enig(e) geldbedrag(en)
de werkelijke aard en/of de herkomst heeft verborgen en/of verhuld
door voor te wenden dat (een gedeelte van) dit/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) was/waren verkregen op basis van een (valse of vervalste) overeenkomst tussen [verdachte] en [R] BV (D-0069/D-1056) en/of drie, althans een of meer, (valse of vervalste) factu(u)r(en) van [verdachte] (telkens) aan [R] BV ten bedrage van in totaal circa Euro 1.850.000,- (exclusief btw) (D-1053 en/of D1052 en/of D-0900) en/of een (valse of vervalste) factuur van [verdachte] aan [N] BV ten bedrage van in totaal circa Euro 75.000,- (exclusief btw) (D-1037/D-0260)
en/of
door voor te wenden dat (een gedeelte van) dit/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) was/waren (door)betaald op basis van twee, althans een of meer, (valse of vervalste) factu(u)r(en) van [I] BV (telkens) aan [verdachte] ten bedrage van in circa totaal Euro 200.000,- (exclusief btw) (D-2801/D-0867/D-1629 en/of D-2886/D-1769), en/of twee, althans een of meer, (valse of vervalste) factu(u)r(en) van [S] /Ltd en/of [T] en/of [betrokkene 12] (telkens) aan [verdachte] ten bedrage van in totaal circa Euro 280.380,- (exclusief btw) (D-3207-2 en/of D-3209-1) en/of twee, althans een of meer, (valse of vervalste) brie(f)(ven) van [verdachte] (telkens) aan [Q] BV dan wel twee, althans een of meer, (valse of vervalste) overeenkomst(en) tussen [Q] BV en [verdachte] (D-1036 en/of D-1373) en/of zeven, althans een of meer, (valse of vervalste) factu(u)r(en) van [Q] BV (telkens) aan [verdachte] ten bedrage van in totaal circa Euro 250.000,- (exclusief btw) D-0851 en/of D-0848 en/of D-0869 en/of D-0882 en/of D-0883 en/of D-0884 en/of D-1169-4),
althans dit/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) voorhanden heeft gehad en/of heeft verworven en/of (een gedeelte van) dit/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) heeft overgedragen,
terwijl zij, verdachte, en/of haar mededaders) wisten, althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat die/dat voorwerp(en)/geldbedrag(en) (geheel of gedeeltelijk) onmiddellijk of middellijk afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
5. (PROJECT EUROCENTER/PHILIPS):
Zij in of omstreeks de periode van 1 januari 1998 tot en met 13 november 2007 te Eindhoven en/of Hoevelaken en/of Hoofddorp en/of Heemstede en/of Weert en/of Haelen en/of Roermond en/of Tilburg en/of Aerdenhout en/of Bloemendaal en/of Rosmalen en/of Den Bosch en/of Den Haag en/of Bilthoven en/of Haarlem en/of Alphen aan den Rijn en/of Capelle aan den IJssel en/of IJsselstein en/of Waddinxveen, in elk geval in Nederland, tezamen en in verengiging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft deelgenomen heeft deelgenomen aan een organisatie,
te weten een organisatieverband van natuurlijke personen en/of rechtspersonen, bestaande uit haar, verdachte, en/of [medeverdachte 1] en/of [betrokkene 6] en/of [betrokkene 13] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 8] en/of [betrokkene 14] en/of [betrokkene 8] en/of [betrokkene 15] en/of [betrokkene 16] en/of [betrokkene 17] en/of [medeverdachte 9] en/of [betrokkene 18] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [betrokkene 10] en/of [betrokkene 20] en/of [E] NV en/of [D] BV en/of [U] BV en/of [I] BV en/of [V] BV en/of [W] BV en/of [Q] BV en/of [R] BV en/of [X] BV (van 29 januari 2001 tot 10 april 2006 optredend onder de handelsnaam [Y] BV) en/of [Z] NV en/of [N] BV en/of [AA] BV en/of een of meer andere(n) (rechts)perso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, namelijk onder meer:
-oplichting van Stichting Philips Pensioenfonds en/of Philips Real Estate Investment Management BV en/of [BB] BV en/of Bouwfonds (artikel 326 WvSr);
-verduistering in dienstbetrekking bij Stichting Philips Pensioenfonds en/of Philips Real Estate Investment Management BV en/of [BB] BV en/of Bouwfonds (artikel 322 WvSr);
-valsheid in geschrifte (artikel 225 WvSr);
-niet ambtelijke actieve en/of passieve omkoping (artikel 328ter WvSr);
-witwassen (artikel 420bis/420quarter WvSr);”
8. Voor de beoordeling van het middel is het standaardarrest van de Hoge Raad over daderschap van de rechtspersoon van belang:
“3.3. Blijkens de wetsgeschiedenis kan een rechtspersoon (in de zin van art. 51 Sr) worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend. Ook in de rechtspraak is die toerekening erkend als grondslag voor het daderschap van de rechtspersoon (vgl. onder meer HR 23 februari 1993, NJ 1993, 605 en HR 13 november 2001, NJ 2002, 219).
Vervolgens rijst de vraag wanneer een (verboden) gedraging in redelijkheid aan een rechtspersoon kan worden toegerekend.
Het antwoord op die vraag is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een algemene regel laat zich dus bezwaarlijk formuleren. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is nochtans of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon.
Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon zal sprake kunnen zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:
- het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon,
- de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon,
- de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf,
- de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging. Daarbij verdient opmerking dat laatstbedoelde criteria - die zijn ontwikkeld in HR 23 februari 1954, NJ 1954, 378 en die naar het geval dat in die zaak aan de orde was, plegen te worden aangeduid als "ijzerdraadcriteria" - weliswaar zijn ontwikkeld met het oog op het functionele daderschap van een natuurlijke persoon (dus met het oog op de strafrechtelijke aansprakelijkheid van een natuurlijk persoon voor een gedraging van een andere natuurlijke persoon), maar dat zij in voorkomende gevallen tevens kunnen fungeren als maatstaven voor de toerekening van een gedraging van een natuurlijk persoon aan een rechtspersoon (vgl. HR 14 januari 1992, NJ 1992, 413).”
9. In de bestreden overweging wordt in ieder geval niet uitdrukkelijk aangeknoopt bij de door de Hoge Raad geformuleerde criteria voor het daderschap van de rechtspersoon. Ligt in het oordeel van het hof besloten dat het hof die criteria niet heeft miskend? De kern van de overweging van het hof is dat de rechtspersoon geen dader is, omdat een ander (te weten de vertegenwoordiger van de rechtspersoon ter zitting van het hof) alle strafbare handelingen heeft verricht en de rechtspersoon uitsluitend als middel daarbij heeft gebruikt. Valt daar nu in te lezen dat het niet redelijk is de strafbare feiten aan de rechtspersoon toe te rekenen omdat de gedraging niet heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon? De daarbij vereiste souplesse is mij gelet op het navolgende te groot.
10. De enkele omstandigheid dat - zoals het hof overweegt - alle strafbare handelingen zijn verricht door een natuurlijk persoon sluit het daderschap van de rechtspersoon niet uit. Integendeel. Het daderschap van de rechtspersoon kan onder meer worden bepaald door handelingen van natuurlijke personen. Zij maken een vals geschrift op of hebben dergelijke geschriften voorhanden en de vraag is dan vervolgens of die gedragingen van de natuurlijke persoon of personen in redelijkheid aan de rechtspersoon kunnen worden toegerekend. Aan dit deel van de motivering van het hof komt dus geen bepalende betekenis toe.
11. Ligt dat anders indien alle strafbare handelingen door een natuurlijke persoon zijn verricht en die natuurlijke persoon de rechtspersoon enkel heeft gebruikt als middel om de strafbare gedragingen te kunnen plegen. Impliceert dat (exclusieve) gebruik als middel door een natuurlijke persoon dat de gedraging niet plaatsvindt in de sfeer van de rechtspersoon? Zonder nadere motivering die ontbreekt, is mij dat te algemeen. Bij delicten als flessentrekkerij en faillissementsfraude is het niet ongebruikelijk rechtspersonen te kopen en te misbruiken, maar zal na een veroordeling van een natuurlijke persoon de slotsom niet spoedig zijn dat daardoor het daderschap van de rechtspersoon wegvalt.
12. Deze problematiek wordt uitdrukkelijk aan de orde gesteld door Kesteloo onder de titel: rechtspersoon dader of instrument? Hij wijst er allereerst op dat wanneer een rechtspersoon alleen wordt misbruikt het weinig zin heeft de rechtspersoon een boete op te leggen, omdat dan slechts de rechtspersoon wordt getroffen en niet de daadwerkelijke pleger. Deze praktische benadering knoopt aan bij het belang om te vervolgen en niet bij de vraag of de rechtspersoon dader is. Daderschap van een misbruikte rechtspersoon sluit Kesteloo niet uit. Hij schrijft namelijk voorts nog dat de rechtspersoon in een dergelijk geval wel als medepleger van het delict kan worden aangemerkt en de natuurlijke persoon als feitelijk leidinggever aan deze verboden gedraging. Het praktische belang is inderdaad niet alles bepalend. Dat geldt ook in het onderhavige geval waarin ik overigens moeite heb om te begrijpen dat het openbaar ministerie er inderdaad belang bij heeft dat verdachte na verwijzing door de Hoge Raad alsnog wordt veroordeeld.
13. De motivering van het hof lijdt daarenboven aan het manco dat deze geschiedt aan de hand van vaststelling in (formeel) een andere strafzaak te weten de strafzaak tegen de natuurlijke persoon (de vertegenwoordiger van verdachte). Daarover wordt echter niet geklaagd. De inrichting van de cassatieschriftuur is overigens opmerkelijk nu daarin niet de vrijspraak van het impliciet primaire tenlastegelegde plegen door een rechtspersoon centraal wordt gesteld, maar alleen het medeplegen. Ik meen echter dat hetgeen hierboven heb opgemerkt over het plegen van de rechtspersoon eveneens van toepassing is op het medeplegen.
14. De slotsom is dat het recht verkeerd is toegepast nu de criteria van daderschap van de rechtspersoon uit het oog zijn verloren dan wel dat de motivering van de vrijspraak niet zonder meer begrijpelijk is.
15. Het middel slaagt. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
16. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het hof, teneinde deze op het bestaande beroep opnieuw te berechten en af te doen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden