ECLI:NL:PHR:2016:570

ECLI:NL:PHR:2016:570, Parket bij de Hoge Raad, 29-03-2016, 15/01433

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 29-03-2016
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 15/01433
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2016:1395
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854

Samenvatting

Klimop-zaak. Onder meer bewijsklachten m.b.t valsheid in geschrift (art. 225 Sr) en medeplegen van witwassen (art. 420bis Sr), alsmede strafmotiveringsklachten. HR: art. 81.1 RO.

Uitspraak

13. Het eerste middel faalt.

14. Het tweede middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring van medeplegen van witwassen (feit 5 primair).

15. De bewezenverklaring van dit feit in het bestreden arrest luidt als volgt:

“Hij in de periode van 3 juni 2004 tot en met 28 februari 2007, in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, van geldbedragen tot een totaal bedrag van Euro 1.925.000 (exclusief btw), de werkelijke aard of de herkomst heeft verborgen of verhuld, doordat die geldbedragen waren verkregen op basis van:

-een valse overeenkomst tussen [medeverdachte 10] en [R] BV (D-0069/D-1056), en - drie valse facturen van [medeverdachte 10] aan [R] BV ten bedrage van in totaal circa Euro 1.850.000 (exclusief btw) (D-1053 en D1052 en D-0900), en

- een valse factuur van [medeverdachte 10] aan [N] BV ten bedrage van in totaal circa Euro 75.000 (exclusief btw) (D-1037/D-0260),en doordat een gedeelte van die geldbedragen was doorbetaald op basis van:

- twee valse facturen van [I] BV aan [medeverdachte 10] ten bedrage van in circa totaal Euro 200.000 (exclusief btw) (D-2801/D-0867/D-1629 en D-2886/D-1769), en

- twee valse facturen van [S] /Ltd. aan [medeverdachte 10] ten bedrage van in totaal circa Euro 280.380 (exclusief btw) (D-3207-2 en D-3209-1), en

- twee valse brieven van [medeverdachte 10] aan [Q] BV (D-1036 en D-1373), en

- valse facturen van [Q] BV aan [medeverdachte 10] ten bedrage van in totaal circa Euro 250.000 (exclusief btw) (D-0851 en/of D-0848 en/of D-0869 en/of D-0882 en/of D-0883 en/of D- 0884 en/of D-1169-4),

terwijl hij, verdachte wist dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;”

16. Naast de in de aanvulling opgenomen bewijsmiddelen heeft het hof in het arrest nog in het bijzonder het volgende overwogen:

“Het ten laste gelegde feit onder 5 (witwassen: wetenschap)

Standpunt verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor witwassen en daartoe - kort en zakelijk weergegeven - het navolgende aangevoerd. De verdachte ontkent niet dat de onderhavige facturen vals zijn, noch dat hij (met uitzondering van de [betrokkene 12] -facturen van het ten laste gelegde feit 4) daarvan kennis had. De verdachte begreep echter niet dat hij met zijn handelingen bijdroeg aan het verdelen van verduisterde gelden, bovendien was zijn rol van ondergeschikte aard. Aldus is er geen sprake van opzet bij het witwassen. De verdachte ging de gang van zaken weliswaar steeds vreemder vinden maar kreeg - omdat het om gerespecteerde mensen ging - geen argwaan. Daar komt bij dat hij door de medeverdachte [medeverdachte 1] werd ‘gecompartimenteerd’, het een uiterst geraffineerde vorm van verduistering betrof en veel betrokken partijen geen vermoeden hadden. De verdachte ging er voorts van uit dat de gelden die van [R] BV ( [R] ) en de medeverdachte [medeverdachte 2] werden ontvangen (weliswaar ontvangen op basis van, op zichzelf genomen, valse facturen) een legitieme herkomst hadden en het gebruik van de valse facturen om deze gelden weer door te betalen een legitiem zakelijk doel diende. Alsdan ontbreekt bij de verdachte het opzet tot witwassen (par. 150 t/m 153 pleitnotities).

Beoordeling

Het hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte heeft gefungeerd als betaalkantoor, waarbij de verdachte uit de (vooruit)betaling van € 1.850.000 steeds op aanwijzingen van de medeverdachte [medeverdachte 1] valse facturen heeft geaccepteerd en betaald.

De medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij met de betaling van € 1.850.000 door [R] bij de verdachte een ‘potje’ heeft gevormd om verschillende betalingen te doen. Door valse facturen te versturen aan [R] en de medeverdachte [medeverdachte 2] en daarmee een substantieel bedrag te ontvangen (in opdracht van de medeverdachte [medeverdachte 1] ) en vervolgens valse facturen te accepteren en te betalen, heeft de verdachte gelden witgewassen, omdat hij op deze wijze de werkelijke aard en de herkomst van de gelden heeft verhuld. Immers, de gelden werden - anders dan de valse facturen pretenderen - niet verkregen voor werkzaamheden door [medeverdachte 10] . Door vervolgens deze gelden door te betalen aan derden (Idlewild, de medeverdachte [betrokkene 12] en [Q] ) heeft de verdachte (wederom) de werkelijke aard van deze geldbedragen verborgen en/of verhuld. Immers, met behulp van valse stukken (opdrachtbevestigingen en facturen) werd voorgewend dat deze betalingen werden gedaan voor bepaalde werkzaamheden in Eurocenter, terwijl deze werkzaamheden nimmer zijn verricht.

De verdachte wist dat hij valse facturen opmaakte en accepteerde en wist derhalve ook dat hij, door aldus te handelen, het zicht op de aard en herkomst van de geldbedragen heeft bemoeilijkt. Uit al zijn handelingen volgt dat, zonder redelijke economische grond, met geld is geschoven op een manier die geschikt was het spoor aan de waarneming te onttrekken. Het ‘compartimenteren’ door de medeverdachte [medeverdachte 1] maakt dat niet anders. Immers, de verdachte wist binnen de beperkte informatie die hij kreeg dat hij valse stukken opmaakte en accepteerde. De stelling van de raadsman dat [medeverdachte 2] (op basis van valse facturen) werden ontvangen desondanks een legitieme herkomst hadden en het gebruik van de valse facturen om deze gelden weer door te betalen een legitiem zakelijk doel diende, is eenvoudigweg onhoudbaar, alleen al vanwege de geheimzinnigheid waarmee dit alles werd omgeven.

Het ten laste gelegde feit onder 5 (witwassen: voorafgaand delict)

Standpunt verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting van 29 oktober 2014 (in aanvulling op zijn pleitnotities, par. 154 t/m 156: valsheid als gronddelict) betoogd dat er een gelijkenis is met de situatie welke ten grondslag heeft gelegen aan het arrest van de Hoge Raad van 28 oktober 2014 (ECLI: NL: HR:2014:3046 ) De Hoge Raad heeft in dat arrest geoordeeld dat geld dat afkomstig is van hawallah-bankieren nog niet van misdrijf afkomstig 's omdat dit geen voorafgaand aan de witwashandeling gepleegd misdrijf betreft.

Beoordeling

Het hof verwerpt het verweer. Naar het oordeel van het hof gaat de raadsman uit van een onjuiste lezing van het arrest. De Hoge Raad heeft immers geoordeeld dat vermogensbestandsdelen in beginsel slechts worden aangemerkt als "afkomstig (...) uit enig misdrijf' in de zin van de art. 420bis en 420quarter Sr indien zij afkomstig zijn van een misdrijf gepleegd voorafgaand aan het voorhanden hebben daarvan (vgl. r.o. 2.4). In de onderhavige zaak is daarvan sprake, omdat de verdachte de gelden heeft verkregen op basis van een valse overeenkomst (met [R] ) en op basis van die overeenkomst verstuurde valse facturen. Er is derhalve sprake van geldbedragen die afkomstig zijn uit voorafgaand gepleegde misdrijven.”

17. In feitelijke aanleg heeft de verdediging terecht als uitgangspunt gekozen dat verdachte heeft bijgedragen aan het verdelen van gelden uit de door [medeverdachte 1] gepleegde verduistering. In cassatie wordt niet bestreden dat verdachte wist dat het om van misdrijf afkomstig geld ging, maar de pijlen worden gericht op het voorafgaande delict. Het bewezenverklaarde witwassen, kent bij verdachte zowel een door valsheid verhulde ingang als een door valsheid verhulde uitgang. Verdachte krijgt het verduisterde geld namelijk door valse facturen onder zich en doet vervolgens op grond van (andere) valse facturen eveneens betalingen. Al met al is er sprake van een bijna ideaal typische verschijningsvorm van witwassen. Immers, door valsheid bij ingang en uitgang heeft verdachte verborgen of verhuld dat het om geld uit misdrijf (verduistering) ging.

18. De stellers van het middel gaan aan de haal met de overwegingen van het hof over het voorafgaande delict (gronddelict) als reactie op de stelling van de verdediging in de pleitnota dat het voorafgaande delict valsheid in geschrift van verdachte (bij de verkrijging aan de ‘ingang’) is. Primair stel ik mij op het standpunt dat de reactie van het hof op het verweer in minder gelukkige bewoordingen is vervat omdat het hof in de geciteerde bewijsoverwegingen lijkt uit te gaan van valsheid in geschrift bij de verkrijging/ingang als gronddelict, maar dat zulks niet wegneemt dat het gronddelict het misdrijf van [medeverdachte 1] (verduistering) betreft. Het hof heeft zich laten meeslepen door het verweer en heeft toen de vraag beantwoord of er wel van witwassen door verdachte sprake kan zijn indien het geld is verkregen door valsheid in geschrift, het delict dat door verdachte zelf is gepleegd. Ik wijs er ook op dat de bewezenverklaring uitsluit dat de valsheid bij de ingang het gronddelict is. Immers, gelet op de plaats van het woord ‘doordat’ in de bewezenverklaring is de werkelijke aard en herkomst van het geld zowel verborgen of verhuld door de valsheid bij de verkrijging aan de ingang als door de valsheid bij de doorbetaling aan de uitgang. Zo bezien, mist het middel feitelijke grondslag.

19. Indien anders dan ik meen de overwegingen van het hof zo moeten worden gelezen dat de bedragen door verdachte zijn verkregen uit door hem zelf gepleegde valsheid in geschrift als gronddelict van het witwassen, geldt nog het volgende. Het hof heeft op goede grond overwogen dat de initiële valsheid in geschrift hier is voorafgegaan aan het voorhanden hebben van het geld. Het door de verdediging in feitelijke aanleg bedoelde arrest van de Hoge Raad is alleen al om die reden niet van toepassing. Het is bovendien niet van toepassing omdat de bewezenverklaarde gedraging hier niet voorhanden hebben is, maar verbergen of verhullen. Hoe dan ook resteert als verbergen of verhullen het doorbetalen van een gedeelte van de geldbedragen op basis van valse facturen. Ik zie niet in dat het voor de ernst en de aard van het onderhavige delict verschil maakt dat deze kennelijk door de stellers van het middel voorgestane benadering wordt gevolgd.

20. Het tweede middelfaalt.

21. Het derde middel klaagt over de motivering van het bewezenverklaarde opzet in feit 8 (voorhanden hebben van een seinpistool) alsmede de strafbaarheid van verdachte ter zake.

22. Ik zie geen aanleiding om diep en aan de hand van uitvoerige verwijzing naar rechtspraak en literatuur op het middel in te gaan. Verwerping van het middel ligt voor de hand. In cassatie wordt het oordeel van het hof dat verdachte een seinpistool voor handen had niet betwist en evenmin wordt betwist dat hij wist dat hij dat pistool voorhanden had. In feitelijke aanleg is onder meer door het horen van deskundigen de vraag aan de orde geweest of er sprake was van een vrijgesteld wapen van voor 1945. Het hof is ervan uitgegaan dat van een vrijstelling geen sprake is, omdat het pistool wordt gekenmerkt door een daarop in 1955 aangebracht stempel. In cassatie wordt de aanwezigheid van het kenmerk niet betwist en evenmin dat de noodzakelijke vrijstelling ontbrak.

23. Naar aanleiding van een gevoerd verweer heeft het hof onder meer geoordeeld: “Voor de vereiste bewustheid is het niet relevant of de verdachte moet hebben gezien of een bepaald kenmerk op het wapen aan te treffen was op grond waarvan de verdachte had kunnen zien dat het wapen niet onder de vrijstelling zou vallen.” Het oordeel van het hof dat er op neer komt dat voor het bewijs van opzet niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte wist dat er op het wapen een kenmerk zat waardoor geen vrijstelling geldt, is juist. Indien aannemelijk wordt dat verdachte geen wetenschap had van het kenmerk en evenmin behoefde te weten dat het wapen een bepalend kenmerk bezat, is niet strafbaarheid van de verdachte wegens afwezigheid van alle schuld (avas) mogelijk. Het hof heeft hetgeen is aangevoerd niet opgevat als een beroep op avas en dat is niet onbegrijpelijk. De term avas valt niet en er wordt geen invulling gegeven aan de normatieve kant. In feitelijke aanleg is niet aangevoerd dat verdachte zich (bijvoorbeeld door een deskundige of de politie) te raadplegen ervan heeft vergewist of hij het wapen zonder vergunning voorhanden mocht hebben.

25. Het vierde en vijfdemiddel klagen over de motivering van de straf.

26. Het bestreden arrest bevat een zeer uitvoerige strafmotivering en in dat kader onder meer de volgende overwegingen die voor de beoordeling van de middelen van belang zijn:

De rechtbank Haarlem heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft voorts acht geslagen op het uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 15 april 2014 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Het hof hanteert als uitgangspunt voor de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf de door het LOVS in 2012 vastgestelde oriëntatiepunten die van toepassing zijn op fraudezaken. Uit de bewezen verklaarde feiten volgt dat de verdachte voor bijna drie miljoen euro heeft witgewassen en valse facturen heeft opgesteld en voorhanden heeft gehad. Een gevangenisstraf van aanzienlijke duur is derhalve op zijn plaats, waarbij het hof voorts de volgende factoren betrekt.

De verdachte heeft een reeks van valse overeenkomsten en facturen opgesteld en geaccepteerd, en de daarmee samenhangende geldstromen beheerd. Hij heeft daarvoor een ruime vergoeding ontvangen. De omvang van dit voordeel is, bij gebrek aan een (volledig bewaard gebleven) deugdelijke administratie, moeilijk te becijferen. Het loopt uiteen van bijna € 1 miljoen die in de ontnemingsprocedure is gevorderd, tot (na diverse correcties) maximaal € 225.064 zoals bij pleidooi verdedigd. Uit het dossier blijkt echter wel dat de verdachte het afgesproken (wisselend) percentage waar mogelijk probeert te verhogen, en zijn inkomsten in ieder geval zelf goed bijhoudt.

Door mee te werken aan het witwassen (met het opstellen en accepteren van valse overeenkomsten en facturen) werd de werkelijke aard van de geldstromen verhuld en werd(en) de uiteindelijk gerechtigde(n) bewust buiten beeld gehouden. Het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer moet kunnen worden gesteld in de juistheid van geschriften en daarop gestoelde betalingen, is daarbij in ernstige mate geschaad.

Anders dan de verdediging stelt had de verdachte daarin geen beperkte rol, maar juist een centrale, faciliterende rol. Opvallend is ook het kennelijke gemak waarmee de verdachte overging tot deze handelingen, terwijl hij zich zeer wel bewust was van de onjuistheid van de door hem opgestelde en gehanteerde stukken. De verdachte is ook niet op enig moment - uit eigen beweging - gestopt, maar heeft meegewerkt tot het moment van de landelijke invallen. Dat de verdachte niet wist (omdat de medeverdachte [medeverdachte 1] hem, zoals ook zijn medeverdachten, slechts beperkt informeerde), acht het hof daarbij niet van belang. Het hof acht immers bewezen dat de verdachte wist dat de gelden afkomstig waren uit enig misdrijf.

Bij het bepalen van de straf slaat het hof acht op de lange periode (medio 2000 tot eind 2007) waarin de verdachte heeft meegewerkt aan strafbare feiten.

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte dat wat resteert aan zijn vermogen ter beschikking heeft gesteld aan de benadeelde partijen, de Belastingdienst en het UWV (par. 335, pleitnoties). Ter terechtzitting van 16 februari 2014 heeft de advocaat-generaal medegedeeld dat het openbaar ministerie akkoord is gegaan met de vaststellingsovereenkomst die door de verdachte en de benadeelde partijen is gesloten. Het hof neemt daar notie van en merkt daarbij wel op dat de vordering van het UWV, naar blijkt uit het vonnis van de rechtbank Midden Nederland van 5 maart 2014 (met kenmerk ECLI:NL:RBMNE:2014:1004) voortkomt uit niet opgegeven werkzaamheden voor de medeverdachte [medeverdachte 1] in het kader van de door de verdachte genoten arbeidsongeschiktheidsuitkering.

Het hof onderkent dat de media-aandacht voor de verdachte bepaald belastend is geweest. Echter, deze aandacht is het direct gevolg van de aard en (ongekend) grote omvang van de gepleegde fraude waaraan de verdachte een belangrijke bijdrage heeft geleverd, over een lange periode: Alsdan ziet het hof geen aanleiding dit te verdisconteren in de op te leggen straf.”

(…)

27. Bij de beoordeling van beide middelen dient het volgende te worden vooropgesteld. In cassatie kan niet worden onderzocht of de juiste straf is opgelegd en evenmin of de straf beantwoordt aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren. De keuze van de factoren die voor de strafoplegging van belang zijn, is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, terwijl deze keuze geen motivering behoeft. De “LOVS-oriëntatiepunten” vormen geen recht in de zin van art. 79 Wet RO, reeds omdat deze oriëntatiepunten niet afkomstig zijn van een instantie die de bevoegdheid heeft rechters te binden wat betreft het gebruik dat zij maken van de hun door de wetgever gelaten ruimte. Derhalve kan in cassatie niet met vrucht over een onjuiste toepassing ervan worden geklaagd. Hoewel de feitenrechter niet is gebonden aan de “LOVS-oriëntatiepunten” en de uitleg van de oriëntatiepunten aan hem is voorbehouden, kan in cassatie wel worden getoetst of de uitleg van de oriëntatiepunten en de toepassing ervan door het hof begrijpelijk is.

28. Kennelijk stoelt het vierde middel vooral op het zogenaamde ‘verbazingscriterium’: de door het hof opgelegde straf is hoger dan geëist. Het verschil tussen eis en opgelegde straf is beperkt en de wet schrijft niet voor een verschil te verantwoorden. Als desondanks wordt aangenomen dat de strafoplegging gerelateerd aan de eis opmerkelijk is, meen ik dat de strafmotivering daarvoor een niet onbegrijpelijke verklaring geeft. Ik volsta met te wijzen op enkele accenten die het hof aanbrengt: de omvang van het voordeel, de centrale en faciliterende rol van verdachte en de lange periode.

29. Het vijfde middel klaagt over de verwerping van het verweer ertoe strekkende bij de straftoemeting rekening te houden met de media-aandacht.

30. In de toelichting op het middel wordt verwezen naar de zogenoemde Eindhovense kopschopperszaak en wordt kennelijk gedoeld op de volgende overweging van uw Raad:

“4.5.2. Het Hof heeft vastgesteld - wat in cassatie ook niet bestreden is - dat de uitzending van de beelden en de daardoor veroorzaakte media-aandacht en onder meer op internet ontketende hetze ernstige nadelige gevolgen voor de minderjarige verdachte en zijn omgeving hebben gehad en hebben geleid tot een inbreuk op het recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer. Met die gevolgen heeft het Hof bij de strafoplegging ten gunste van de verdachte rekening kunnen en mogen houden.”

31. De motivering van de straf zou onbegrijpelijk zijn gelet op dit (hierboven geciteerde) arrest en in het licht van het verweer van de raadsman in feitelijke aanleg waarin is gesteld dat de media-aandacht bepaald belastend voor verdachte is geweest en dat niet anders kan worden begrepen dan dat ongeclausuleerd verstrekken van het dossier door het OM aan een benadeelde partij “een bijdrage heeft geleverd aan de inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van verzoeker.”

32. Reeds gelet op de vooropstellingen onder 27 hierboven treft het middel geen doel. Het hof heeft voorts nog een niet onbegrijpelijke waardering van de media-aandacht gegeven. Uit de geciteerde overweging van de Hoge Raad valt geen verplichting af te leiden om ingeval er belastende media-aandacht is daarmee ten voordele van de verdachte rekening te houden.

33. Ook het vierde en vijfde middel treffen geen doel.

34. Alle middelen kunnen worden afgedaan met behulp van de aan artikel 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

35. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?