ECLI:NL:PHR:2016:572

ECLI:NL:PHR:2016:572, Parket bij de Hoge Raad, 29-03-2016, 15/01520

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 29-03-2016
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 15/01520
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2016:1385
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001903

Samenvatting

Klimop-zaak. Bewijsklachten en klacht over afwijzing van een verzoek tot toevoeging van stukken aan het strafdossier. HR: art. 81.1 RO.

Uitspraak

11. Het eerste middel faalt.

12. Het tweede middel klaagt over schending van de artikelen 358, derde lid, Sv jo 359, tweede lid, Sv omdat is verzuimd te beslissen op het in de woorden van de steller van het middel ‘uitdrukkelijk voorgedragen verweer’ dat er geen sprake was van leidinggeven aan een criminele organisatie.

13. Blijkens de toelichting op het middel is het verweer gevoerd in het kader van het onder 7 tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit. Het hof heeft anders dan de rechtbank het leiddinggeven (aan de organisatie) bewezen verklaard. Het middel lijdt aan het euvel dat het verweer zich richt tegen een onderdeel van de bewezenverklaring en daarom is van een verweer als bedoeld in artikel 358, derde lid, Sv geen sprake. Reeds om die reden faalt het middel.

14. Overigens spitst de klacht zich er kennelijk op toe dat - zoals de steller van het middel meent - in het arrest zelf een nadere (bewijs)overweging moet worden gewijd aan het leidinggeven. Een dergelijke overweging is nergens te vinden en pas bij de strafmotivering wordt duidelijk dat het hof verdachte aanmerkt als leidinggevende, aldus nog steeds de steller van het middel. De bewezenverklaring die is aangevuld met bewijsmiddelen voor het leidinggeven, wordt hierbij volledig over het hoofd gezien. Die aanvulling bevat toereikend bewijs voor het feitelijk leidinggeven en nu dat noch in het middel noch in de toelichting daarop wordt betwist, volsta ik met die constatering en ik acht mij niet gehouden de klacht te beoordelen of bij de motivering van de straf de juiste maatstaf is gebezigd voor het feitelijk leidinggegeven. Dat is voor de motivering van de bewezenverklaring immers niet doorslaggevend.

15. Het tweede middel treft geen doel

16. Het derde middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring nu als bewijsmiddel is gebruikt de verklaring van de getuige [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris, terwijl die verklaring niet aan het dossier is toegevoegd en de inhoud niet is meegedeeld. Ook dit middel lijdt aan een euvel. Immers, (1) niet meegedeeld wordt op welke verklaring van de getuige precies wordt gedoeld, (2) voor de bewezenverklaring van welk feit of welke feiten die bewezenverklaring is gebruikt en (3) of het verzuim om de inhoud van het bewijsmiddel mee te delen de rechtbank of het hof betreft en op welke zitting het verzuim betrekking heeft. Oplossing van dit niet wenselijke zoekplaatje is dat kennelijk wordt gedoeld op de verklaring van de getuige tegenover de rechter-commissaris van 8 oktober 2012 die als bewijsmiddel 13 in het bijzonder voor feit 7 is gebruikt en waarvan de zakelijke inhoud niet is meegedeeld ter terechtzitting van het hof.

17. Allereerst stel ik mij op het standpunt dat ook zonder bewijsmiddel 13 de bewezenverklaring van feit 7 toereikend is gemotiveerd en verdachte geen belang heeft bij het middel. Voor zover daarover anders wordt gedacht geldt nog het volgende.

18. In de aanvulling op het arrest heeft het hof nog de volgende bewijsoverweging opgenomen:

“De in deze aanvulling gebezigde bewijsmiddelen bestaande uit verklaringen die de getuige [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris heeft afgelegd in zaken van medeverdachten, zijn gevoegd in de zaak van de verdachte op de terechtzitting van 19 november 2012.”

19. Deze feitelijke vaststelling van het hof was kennelijk noodzakelijk, omdat uit de processen-verbaal van de zittingen van het hof niet of onvoldoende bleek dat de verklaringen van [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris aan het dossier van verdachte waren toegevoegd. Het wekt dus geen verwondering dat het de steller van het middel eenvoudig valt omstandig naar voren te brengen dat uit de processen-verbaal van de zitting van het hof niet valt af te leiden dat van een voeging van de bedoelde verklaringen sprake is geweest. Dat gebrek is echter hersteld door de overweging in de aanvulling met bewijsmiddelen.

20. Het proces-verbaal van de zitting van het hof van 20 mei 2014 houdt onder meer in:

“De advocaten-generaal en de raadsman delen mede geen vragen te hebben aan de verdachte en geven te kennen er geen behoefte aan te hebben dat stukken worden voorgehouden.”

21. Gelet op het voorgaande kan het er voor worden gehouden dat de verklaring van de bedoelde getuige moet worden geacht te zijn voorgehouden als bedoeld in art. 301 Sv dat ingevolge art. 415 Sv in hoger beroep in dit geval van toepassing is.

22. Het derde middel is kansloos.

23. Het vierde middel betreft de afwijzing van een verzoek tot toevoeging van stukken aan het strafdossier in de zaak van verdachte. Het gaat om de stukken die zich bevonden in de zogenaamde kast van Van Selm, een registeraccountant van de belastingdienst. De klacht is dat het hof het verzoek “ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd althans onbegrijpelijk heeft verworpen”. Voorts wordt geklaagd dat het hof heeft verzuimd bepaald een beslissing te nemen “op het door de verdediging uitdrukkelijk voorgedragen standpunt met betrekking tot deze stukken, hetgeen (substantiële) nietigheid met zich meebrengt.”

24. De toelichting op het middel in de cassatieschriftuur bevat een aantal citaten kennelijk ter onderbouwing van het feit dat er een verzoek tot voeging van die stukken is gedaan. Uit de citaten blijkt mijns inziens niet dat er enig verzoek tot voeging van de ‘kast van [...]’ in het strafdossier is gedaan. Ik stel voorop dat het hof niet gehouden is te beslissen op verzoeken in een appelschriftuur of een aanvulling (van 20 september 2012) daarop, tenzij die verzoeken eveneens ter terechtzitting ter beslissing door het hof zijn gedaan. Ik stel bovendien vast dat de verdediging wel eigen opvattingen heeft geuit over het dossier Van Selm, maar dat niet blijkt van een verzoek tot voeging in het strafdossier.

25. Het proces-verbaal van de zittingen van het hof van 30 januari 2014 en 11 februari 2014 houdt voor zover van belang het volgende in:

“De raadsman van de verdachte verklaart, door de voorzitter daar naar gevraagd, dat hij ten eerste verzoekt tot heroverweging van alle afwijzende beslissingen op de verzoeken die hij bij gelegenheid van de regiezitting van 19 november 2012 heeft geformuleerd, omdat toen nog niet bekend was dat stukken waren gepostdateerd, en voorts om toewijzing van de in zijn e-mailbericht van 2 december 2013 geformuleerde verzoeken.”

(…)

Voor het overige behoeven de beslissingen op destijds ingediende onderzoekswensen geen heroverweging, nu het hof de andere onderzoekswensen (zijnde het horen van de getuigen Willemsen en Minderman) had toegewezen.

(…)

Wijst af het verzoek tot het instellen van een onderzoek naar het dossier van [...];”

26. Voor zover in de toelichting op het middel wordt gesteld dat de door de raadsman ter zitting verzochte heroverweging betrekking heeft op een eerder gedaan verzoek tot voeging van de ‘kast van [...]’ in het dossier mist dat feitelijke grondslag. Van een eerder verzoek is immers geen sprake. Zelfs in het geval er wel een verzoek tot voeging was gedaan, meen ik dat het middel niet kan slagen. Immers, van de verdediging had dan kunnen worden verwacht dat tijdens de nadere zittingen het hof erop attent was gemaakt dat het verzoek tot voeging over het hoofd is gezien of dat het verzoek verkeerd is begrepen door slechts te beslissen over het verzoek tot het instellen van een onderzoek naar het dossier van Van Selm.

27. Het bestreden arrest (p. 4 arrest) bevat nog de volgende overweging:

“Ook wordt gesteld dat stukken ontbreken in het dossier (Hoofdstuk 7, pleitnotities). De raadslieden halen echter voorbeelden aan van situaties die zien op een belastingonderzoek en waarvan verder niet op voorhand duidelijk is welke waarde daaraan moet worden gehecht in de strafzaak van de verdachte en ten aanzien van welke ten laste gelegde strafbare feiten.”

28. Het hof heeft hetgeen bij pleidooi (en ook al eerder en bij herhaling) is aangevoerd niet onbegrijpelijk opgevat als een standpunt dat wijst op een gebrek in het aanwezige dossier. De reactie van het hof daarop is niet onjuist, ontoereikend of onbegrijpelijk.

29. Het tweede klachtonderdeel wordt - als ik de steller van het middel goed begrijp - in die toelichting (p. 24 van de cassatieschriftuur) als volgt verwoord: “Het hof reageert niet op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat er sprake is van verzuimen in het voorbereidend onderzoek aangezien de sfeerovergang Belastingdienst/strafrecht blijkens e-mails en stuken zoals aangetroffen in het dossier niet juist zou zijn verlopen.” Van enig uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is reeds nu een ondubbelzinnige conclusie ontbreekt geen sprake.

30. Het vierde middel treft geen doel.

31. Het vijfde middel klaagt over schending van in het bijzonder de artikelen 261 en 348 Sv, “doordat het hof geen blijk heeft gegeven van een onderzoek naar de tenlastelegging (van feit 7), dan wel dat ter zake deze tenlastelegging geen beslissing in de zin van art. 348 Sv dient te volgen.”

32. Ook na lezing van de toelichting vind ik het middel moeilijk te doorgronden.

33. In het proces-verbaal van de zitting van het hof van 13 september 2013 valt te lezen:

“De raadslieden van de verdachte, mr. J.A. Meijer en mr. S.E. de Geus zijn evenmin ter terechtzitting aanwezig.

De voorzitter deelt mede de korte inhoud van een e-mailbericht van de raadsman van 10 september 2013, waarin deze mededeelt dat de verdediging op de zitting van heden niet aanwezig zal zijn.

Het hof hervat het onderzoek in de stand waarin het zich bevond ten tijde van de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting van 30 januari 2013.

De voorzitter deelt mede dat op de zitting van heden alleen de aangekondigde vordering tot wijziging van de tenlastelegging zal worden behandeld.

De advocaat-generaal vordert dat na te noemen, op schrift gestelde wijziging van de tenlastelegging zal worden toegelaten.

De voorzitter deelt mede dat mr. Meijer bij e-mailberichten van 10 en 12 september 2013 heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de vordering wijziging tenlastelegging die de verdediging in concept is toegezonden en die gelijkluidend is aan de thans gevorderde wijziging.

De voorzitter deelt als beslissing van het hof mede dat de vordering wordt toegewezen en beveelt dat de tenlastelegging wordt gewijzigd als omschreven in de vordering, die aan dit proces-verbaal is gehecht en waarvan de relevante inhoud als hier ingevoegd geldt.”

34. De wijziging van de tenlastelegging komt er in de kern op neer dat in de tenlastelegging is gehandhaafd dat het oogmerk van de criminele organisatie was het plegen van misdrijven, namelijk onder meer oplichting van Bouwfonds, verduistering in dienstbetrekking bij Bouwfonds, valsheid in geschrift, niet ambtelijke actieve en/of passieve omkoping, witwassen en opzetheling, maar dat de daarop volgende concretisering (‘bestaande die deelneming onder meer uit …’) is vervallen.

35. Bij pleidooi is - ik volg nu de woorden van de steller van het middel in de cassatieschriftuur - betoogd dat door de wijziging de tenlastelegging een zodanige algemeen geformuleerde delictsomschrijving oplevert dat dit het voor de verdediging haast onmogelijk maakt om verweer te voeren.

36. Kennelijk in verband hiermee heeft het hof in het bestreden arrest overwogen:

“Verder stellen de raadslieden dat het verdedigingsbelang is geschaad, omdat door het openbaar ministerie een vordering tot wijziging van de tenlastelegging (inzake art. 140 Sr) is gedaan (par. 154, pleitnotities). Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden, dat het verdedigingsbelang is geschaad door de enkele toepassing, door het openbaar ministerie, van een aan hem toekomende wettelijke bevoegdheid.”

37. De toelichting op het middel eindigt met de conclusie dat het hof - zeker gezien het bij pleidooi opgeworpen bezwaar en een beroep op een eerlijk proces en schending van zijn verdedigingsrechten - er blijk van had moeten geven dat het een onderzoek had gedaan naar de geldigheid van de tenlastelegging nadat deze was gewijzigd.

38. De vordering tot wijziging van de tenlastelegging is na de vaststelling dat de verdediging geen bezwaar had, toegewezen door het hof tijdens de zitting van 13 september 2013. In het algemeen kan er van uit worden gegaan dat het hof een vordering tot wijziging niet zal toelaten indien het resultaat daarvan een nietige dagvaarding is. Nu van de kant van de verdediging noch bij de gelegenheid van de behandeling van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging noch op enig ander moment naar voren is gebracht dat de dagvaarding nietig was, was het hof niet gehouden het resultaat van het onderzoek naar de geldigheid van de dagvaarding gelet op de artikelen 348, 358 en 359 Sv nader te verantwoorden. Ik zeg het zo duidelijk mogelijk: een gemotiveerde beslissing in het arrest dat de dagvaarding geldig is, is hier niet vereist en op de enkele stelling dat het voor de verdediging haast onmogelijk is verweer te voeren heeft het hof ten overvloede en overigens niet onbegrijpelijk gereageerd. Overigens is het onzinnig te stellen dat een dagvaarding ter zake van art. 140 Sr de delicten waarop het oogmerk van de organisatie gericht moet zijn concreet moet omschrijven. Het kenmerk van art. 140 Sr is nu juist dat dergelijke concrete delicten niet gepleegd behoeven te zijn.

39. Het vijfde middel faalt.

40. Het zesde middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring van feit 2, omdat uit de bewijsconstructie niet naar voren komt dat verdachte de valsheid in geschrift in vereniging met anderen heeft gepleegd.

41. Het bestreden arrest bevat de volgende bewezenverklaring:

“2. (PROJECT SOLARIS):

Hij in de periode van 8 oktober 1999 tot en met 10 december 1999 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, een turnkey-overeenkomst tussen Bouwfonds Vastgoedontwikkeling CV en [K] BV, handelend namens de nog op te richten [M] BV (D-0006/D-1270), zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers hebben verdachte en zijn mededaders valselijk en in strijd met de waarheid in die turnkey-overeenkomst opgenomen:

- dat [K] BV en/of de nog op te richten [M] BV, het project "Werken aan de Maas" (ook bekend onder de projectnaam "Solaris") tegen een vergoeding van FL. 127.500.000, waarin alle met het project gemoeide kosten zijn begrepen, overeenkomstig aan een aan die turnkey-overeenkomst gehechte stichtingskostenbegroting, "turnkey" zal opleveren aan Bouwfonds Vastgoedontwikkeling CV, en

- een vermeende bouwclaim d.d. 3 november 1999 van [N] BV (D-2409) en die turnkey-overeenkomst gedateerd op 8 oktober 1999, terwijl daarbij werd verzwegen dat:

- in werkelijkheid een aanzienlijk deel van genoemd overeengekomen bedrag van f 127.500.000 niet ter beschikking van [K] BV en/of de nog op te richten [M] BV zou komen of blijven, doch dat daarmee in opdracht van verdachte en [medeverdachte 1] in de overeenkomst verzwegen betalingen aan derden moesten worden gedaan, en

- die vermeende bouwclaim van [N] BV in het geheel niet bestond, en

- die turnkeyovereenkomst geantedateerd was,

zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;”

42. In de aanvulling van het bestreden arrest zijn de bewijsmiddelen 30-37 in het bijzonder ook gebezigd voor de bewezenverklaring van feit 2. De steller van het middel heeft gelijk dat uit deze bewijsmiddelen nog niet zonder meer kan volgen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift. Over het hoofd wordt echter gezien dat blijkens de aanhef van de aanvulling de voor het bewijs van feit 7 (leidinggeven aan een criminele organisatie) gebezigde bewijsmiddelen 1 t/m 29 tevens zijn gebruikt voor het bewijs van de overige feiten (en vice versa). Uit die bewijsmiddelen blijkt toereikend van de nauwe en bewuste samenwerking bij de verschillende delicten, in ieder geval in die zin dat verdachte onder meer met [medeverdachte 1] en [betrokkene 6] de valsheid in geschrift (functioneel) gepleegd heeft. Daaraan kan anders dan de steller van het middel kennelijk meent niet afdoen dat er andere (niet voor het bewijs gebezigde) verklaringen zijn die in andere richting kunnen wijzen. Voor de nadere toetsing daarvan is gelet op de selectie en waarderingsvrijheid van de feitenrechter in cassatie geen plaats.

43. Het zesde middel behoeft niet tot cassatie te leiden.

44. De middelen kunnen worden verworpen aan de hand van de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Afdoening met art. 80a RO laat zich eveneens denken. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

45. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?