7. De toelichting op het middel behelst de klacht dat uit het “uitleveringsverzoek niet blijkt op welke wijze het vermoedelijke handelen van [de opgeëiste persoon] wordt gekwalificeerd, en of hij ervan wordt verdacht te zijn opgetreden als dader, als medeplichtige of als een andere hulppersoon.”
8. Als ik de klacht goed begrijp, dan wordt bedoeld dat voor zover de uitlevering van de opgeëiste persoon als “pleger” is verzocht dit niet wordt ondersteund door de uiteenzetting van de feiten terwijl als de uitlevering van de opgeëiste persoon is verzocht als “deelnemer” aan die feiten, niet kan blijken dat dit strafbaar is naar Nederlands recht. Ik sluit ook niet uit dat slechts wordt geklaagd over het ontbreken van de dubbele strafbaarheid omdat tot besluit in de toelichting wordt opgemerkt dat “uit de uiteenzetting der feiten niet [kan] worden afgeleid dat de concrete materiële feiten waarvoor de uitlevering van [de opgeëiste persoon] is verzocht, feiten zijn die ook naar Nederlands recht strafbaar zijn en dat daarop een maximale gevangenisstraf van tenminste één jaar is gesteld.”
9. De rechtbank heeft in haar beslissing onder 2.3.2.3 zeer overzichtelijk en in klare taal de feiten samengevat zoals die kunnen worden opgemaakt uit de uiteenzetting van de feiten zoals die is vervat in het aanhoudingsbevel dat aan de beslissing van de rechtbank is gehecht. Uit die samenvatting blijkt dat [de opgeëiste persoon] ervan wordt verdachte als medepleger betrokken te zijn bij, kort gezegd, de invoer in Zwitserland van cocaïne uit Nederland, witwassen en de aanwezigheid van 200 gram cocaïne in een door hem bewoonde kamer. Het behoeft geen betoog dat die feiten en het medeplegen ervan naar Nederlands recht strafbaar zijn.
10. Het middel faalt in alle onderdelen en kan worden afgedaan met de aan artikel 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
11. Het tweede middel behelst de klacht dat de stukken ongenoegzaam zijn omdat zich daarbij geen origineel exemplaar of geautoriseerd afschrift bevindt van het aanhoudingsbevel.
12. Bij de stukken bevinden zich meerdere, gelijkluidende versies van het aanhoudingsbevel dat op 30 juli 2015 is gedateerd en afgegeven door de Staatsanwaltschaft van het kanton Bern. Al die versies zijn duidelijk kopieën en dus niet aan te merken als het origineel terwijl nergens in de stukken is aangegeven dat het een authentiek afschrift van het aanhoudingsbevel betreft.
13. Met betrekking tot de authenticiteit van de stukken heeft de rechtbank in haar uitspraak het volgende overwogen:
“Bij de stukken bevindt zich een kopie van het uitleveringsverzoek met twee bijlagen. Op het uitleveringsverzoek is een (gekopieerd) stempel zichtbaar van AIRS en een (gekopieerd) stempel met de tekst ‘ZYLAB GESCAND’. De bijlagen betreffen een kopie van het Duitstalige aanhoudingsbevel van 30 juli 2015 en een kopie van de Engelse vertaling daarvan. Het uitleveringsverzoek vermeldt het volgende:
Nous vous transmettons, ci-joint, en deux exemplaires, le mandat d’árrêt précité (…)
Daaruit volgt dat bij het originele uitleveringsverzoek het originele Duitstalige aanhoudingsbevel was gevoegd. De kopie van het gescande Duitstalige aanhoudingsbevel is dus een ‘authentiek afschrift’ in de zin van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder a, van het Europees Verdrag betreffende uitlevering (EUV).”
14. Het is nu de vraag of de overweging van de rechtbank, dat de “kopie van het gescande Duitstalige aanhoudingsbevel” een authentiek afschrift is, zonder toelichting die ontbreekt, begrijpelijk is. De rechtbank wijst op “een kopie van het uitleveringsverzoek met twee bijlagen”. Hieruit volgt dat de rechtbank bij de stukken geen origineel exemplaar van het uitleveringsverzoek heeft aangetroffen en evenmin een authentiek afschrift van het uitleveringsverzoek omdat een kopie niet zonder meer als een authentiek afschrift kan worden aangemerkt. Een origineel of authentiek afschrift van het uitleveringsverzoek zelf is ook niet voorschreven in de Uitleveringswet of in het EUV. Maar kan gelet daarop dan toch worden aangenomen dat de stukken die als bijlage bij de kopieën van het uitleveringsverzoek zijn gevoegd origineel zijn of een authentiek afschrift?
15. Ook bij het departement heeft kennelijk onduidelijkheid bestaan over de authenticiteit van de door de verzoekende staat overgelegde stukken. Bij de stukken bevindt zich namelijk een brief, gedateerd 16 september 2015, aan de Staatsanwaltschaft van het kanton Bern, waarin het Nederlandse ministerie van Veiligheid en Justitie vraagt of het juist is dat niet het originele exemplaar is gestuurd van de brief gedateerd 30 juli 2015 en waarbij de Staatsanwaltschaft wordt verzocht het origineel te sturen. De brief van 30 juli 2015 betreft niet het aanhoudingsbevel dat dezelfde dag is gedateerd, maar het verzoek om voorlopige aanhouding. Mij is niet duidelijk waarom de verzoekende staat daarvan een origineel of authentiek afschrift zou moeten overleggen of wat de toegevoegde waarde ervan is voor de aangezochte staat, in dit geval Nederland. Wel valt ook in die brief op dat daarin niet is aangegeven dat het origineel of een authentiek afschrift van een bevel tot aanhouding “exists” zoals is voorgeschreven in artikel 16, tweede lid, EUV. In de brief van 30 juli 2015 wordt nergens naar een aanhoudingsbevel verwezen.
16. De overweging van de rechtbank kan met enige moeite als volgt worden uitgelegd. Het uitleveringsverzoek is gescand op het departement, hetgeen blijkt door het daarop geplaatst stempel van AIRS. Hieruit heeft de rechtbank afgeleid dat op het departement het originele uitleveringsverzoek is ingekomen. Het uitleveringsverzoek is afkomstig van het Zwitserse ministerie van Justitie. Op grond van de herkomst mag ervan worden uitgegaan dat het bij het uitleveringsverzoek overgelegde aanhoudingsbevel een authentiek afschrift betreft als bedoeld in artikel 12, tweede lid onder a, EUV. Aldus gelezen geeft de overweging van de rechtbank geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is deze niet onbegrijpelijk.
17. In het geval dat die ruime uitleg van de overweging van de rechtbank in de ogen van de Hoge Raad te ver gaat, is het middel gegrond. Het gevolg daarvan zou moeten zijn dat alsnog (a) moet worden nagegaan of het origineel of een authentiek afschrift van het aanhoudingsbevel door de Zwitserse autoriteiten is overgelegd maar zich nog bevindt bij de rechtbank of bij het Nederlandse ministerie van Veiligheid en Justitie of (b) het origineel of authentiek afschrift van het aanhoudingsbevel bij de Zwitserse autoriteiten moet worden opgevraagd. Ik vraag mij af of dit niet achterwege kan blijven. Om de zaak ingeval van gegrondverklaring van het middel scherp te stellen, zal ik ook in dat geval concluderen tot verwerping van het beroep. In acht te nemen vormen zullen immers in beginsel een materieel belang moeten dienen. In de onderhavige zaak is slechts in cassatie de authenticiteit van het aanhoudingsbevel betwist, terwijl noch bij de rechtbank noch in cassatie wordt betwist dat de daartoe bevoegde Zwitserse autoriteiten om aanhouding hebben verzocht op de gronden als in het bevel vermeld. Onder de nader te noemen omstandigheden is dan enige deformalisering mogelijk.
18. Het uitleveringsverzoek is afkomstig van het Zwitserse ministerie van Justitie, zoals is toegestaan overeenkomstig het bepaalde in artikel 12, eerste lid, eerste volzin, EUV zoals dat luidt op basis van artikel 5 van het Tweede Aanvullend Protocol waarbij Nederland en Zwitserland partij zijn. Dat rechtvaardigt het vermoeden en vormt in die zin een aanwijzing dat een origineel of authentiek afschrift van het aanhoudingsbevel is overgelegd door de verzoekende staat omdat erop mag worden vertrouwd dat de door de verzoekende staat overgelegde documenten voldoen aan de daaraan door het verdrag gestelde eisen. Dit is een weerlegbaar vermoeden. In dit verband is het van belang dat ter zitting van de rechtbank niet is aangevoerd dat geen origineel of authentiek exemplaar van het aanhoudingsbevel is overgelegd, tenminste niet voor zover dat kan blijken uit het proces-verbaal dat van de zitting van de rechtbank is opgemaakt. De overwegingen die de rechtbank aan de authenticiteit van het aanhoudingsbevel heeft gewijd, lijken ambtshalve te zijn gemaakt; uit de uitspraak blijkt niet dat de overwegingen een reactie zijn op een ter zitting gevoerd verweer.
19. Om de hierboven vermelde redenen meen ik dat het tweede middel hoe dan ook niet tot cassatie behoeft te leiden.
20. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak zou moeten leiden.
21. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG