ECLI:NL:PHR:2016:620

ECLI:NL:PHR:2016:620, Parket bij de Hoge Raad, 24-05-2016, 15/04293

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 24-05-2016
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 15/04293
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2016:1453
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001903

Samenvatting

1. Gebruik maken voor het bewijs van een schriftelijk bescheid houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt, artt. 344a.3 en 360 Sv. 2. Vordering bp. Ad 1. Het Hof heeft als bm opgenomen een p-v van politie waarin een verklaring van een anonieme getuige is weergegeven, zonder het gebruik daarvan nader te motiveren. Dit verzuim behoeft evenwel bij gebrek aan belang niet tot cassatie te leiden gelet op de inhoud van de overige bm, waarmee de bewezenverklaring ook met weglating van bedoelde getuigenverklaring toereikend is gemotiveerd. Ad 2.’s Hofs oordeel dat de vordering van de bp niet is betwist, is niet onbegrijpelijk, nu het Hof daarmee tot uitdrukking heeft gebracht dat die vordering - ook wat betreft de immateriële schade - onvoldoende gemotiveerd is betwist.

Uitspraak

C. Medeplegen van de overval op [betrokkene 1] en het daarop volgende schietincident

Uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor onder B ten aanzien van de betrokkenheid van de verdachte bij de overval en het schietincident door het hof is vastgesteld en overwogen, in onderlinge samenhang en (tijds)verband bezien, blijkt dat:

- verdachte op zoek was naar een persoon die hij geld afhandig wilde maken en aldus bij [betrokkene 1] is uitgekomen;

- verdachte heeft gezorgd voor het bij de overval gebruikte auto;

- verdachte zich in afwachting van het vertrek van [betrokkene 1] uit zijn woning met in ieder geval een andere persoon heeft opgehouden in de nabijheid van die woning, namelijk eerst in een wijk direct naast de wijk alwaar [betrokkene 1] woonachtig is en daarna in een straat die via een brandgang is verbonden met de straat waar [betrokkene 1] woonachtig is;

- verdachte zich in de auto bevond van waaruit de overvaller met de integraal helm op (met het kennelijke doel om daarmee onherkenbaar te blijven) en in handen twee plastic zakken met daarin een voorwerp is vertrokken en na de overval daar rennend met de buit in is teruggekeerd;

- verdachte een van de inzittenden van de auto was toen tijdens de vlucht na de overval vanuit die auto met een vuurwapen op de auto van [betrokkene 1] is geschoten;

- verdachte de tas die bij de overval onder bedreiging door [betrokkene 1] is afgegeven in een bosschage heeft achtergelaten, de auto in kwestie van sporen heeft ontdaan en door het doen/laten verdwijnen van de kentekenplaten de betrokkenheid van bedoelde auto bij de overval en het schietincident heeft trachten te verbergen.

Gelet op voornoemde feiten en/of omstandigheden is het hof van oordeel dat de verdachte bij de overval op [betrokkene 1] zo nauw en bewust met zijn mededaders heeft samengewerkt dat sprake is van medeplegen van afpersing. Het hof acht het daarbij niet van belang of de verdachte degene is geweest die de daadwerkelijke overval heeft gepleegd dan wel de chauffeur of de bijrijder van de auto is geweest.

Voorts overweegt het hof dat uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden blijkt dat de daders van de overval goed voorbereid te werk zijn gegaan. Ook kan hieruit worden afgeleid dat de daders kennelijk rekening hielden met verzet van en/of achtervolging door [betrokkene 1] . Gedurende de overval hebben zij immers een geladen vuurwapen type Kalasjnikov bij de hand gehad en daarmee is door één van hen, direct nadat door [betrokkene 1] de achtervolging was ingezet en zich achter de auto van de daders bevond, gericht op [betrokkene 1] geschoten. Daarbij is de schutter eerst uit het raam gaan hangen en op enig moment zelfs op het raam gaan zitten en heeft het vuurwapen vervolgens op het dak van de auto aangelegd.

Gelet op deze gang van zaken en de samenhang met de daaraan voorafgaande overval op [betrokkene 1] tegen de achtergrond van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden is naar het oordeel van het hof de voor het medeplegen van de voor het beschieten van [betrokkene 1] relevante samenwerking tussen de in de auto aanwezige daders reeds in het kader van het daaraan voorafgegane medeplegen van de overval ontstaan en daarna voortgezet, zodat de verdachte ook voor wat betreft het schieten op de auto van [betrokkene 1] kan worden aangemerkt als medepleger."

Mijns inziens heeft het hof voldoende verantwoord waarom het van mening is dat de verdachte inzittende van de auto was. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat verdachte op 22 oktober 2013 vroeg in de morgen met haar auto is vertrokken en een aantal uren daarna met die auto is teruggekeerd. Hij moest zaken gaan doen in Maastricht.

Verdachte is weggereden en teruggekeerd met de auto. De auto is herkend in de onmiddellijke omgeving van de overval (bewijsmiddel 16). Gelet op de gedragingen van verdachte voor en na de overval, zoals daar zijn het navragen bij [betrokkene 2] van de gangen van het slachtoffer, het gedoe met de kentekenplaten van de auto van [getuige 2] , het schoonmaken van de auto na terugkeer en het feit dat verdachte na terugkeer beschikte over de geroofde tas, in combinatie met de aanwezigheid van de auto dicht bij de plaats van de overval en juist voordat deze zou plaatsvinden, heeft het hof kunnen aannemen dat deze auto bij de overval was gebruikt en dat verdachte inzittende was.

Dan nu de vraag of het hof uit de gebezigde bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden dat verdachte medepleger was van de overval.

In HR 2 december 2014, NJ 2015, 390 m.nt. Mevis heeft de Hoge Raad de motiveringseisen voor het bewijs van medeplegen aangescherpt. In dat arrest overwoog de Hoge Raad:

"3.2.2. Een en ander brengt mee dat indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering - dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging - dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij verdient overigens opmerking dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt. Het gaat er immers om dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict. In dit verband valt te wijzen op bijvoorbeeld HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK3356, NJ 2010/193 waarin ten aanzien van het medeplegen van een vernieling werd overwogen "dat het louter aanwezig zijn bij en zich niet distantiëren van een door een ander gepleegde vernieling, alsmede het louter instemmen met die vernieling, ieder voor zich en in onderlinge samenhang bezien daarvoor onvoldoende zijn", alsmede HR 3 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1307 inzake diefstal door twee of meer verenigde personen waarin onvoldoende werd bevonden de enkele vaststelling "dat de verdachte een vluchtmogelijkheid heeft gefaciliteerd en dat het niet anders kan zijn dan dat over het verschaffen van deze vluchtmogelijkheid van te voren door de verdachte en zijn mededaders afspraken zijn gemaakt".

De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Ook is niet uitgesloten dat de bijdrage in hoofdzaak vóór het strafbare feit is geleverd. (Vgl. bijvoorbeeld HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9972, NJ 2012/452). Zeker in dergelijke, in zekere zin afwijkende of bijzondere, situaties dient in de bewijsvoering aandacht te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. Dat geldt in nog sterkere mate indien het hoofdzakelijk gaat om gedragingen die na het strafbare feit zijn verricht. (Vgl. HR 9 april 2013 ECLI:NL:HR:2013:BZ6505, NJ 2013/229). Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke uitzonderlijke gevallen wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding. "

Toen verdachte enige uren, nadat hij met de auto van [getuige 2] was vertrokken, weer terugkeerde ontbraken de kentekenplaten van de auto. Volgens de verdachte waren die er afgenomen "waar hij bezig was geweest". Voorts heeft verdachte de auto helemaal schoongeveegd met een theedoek (bewijsmiddel 10). Hij was in het gezelschap van [betrokkene 2] en had een tas bij zich (bewijsmiddel 11) die door aangever [betrokkene 1] nadien is herkend als de tas die bij de overval is buitgemaakt (bewijsmiddel 23). [betrokkene 2] was eerder door verdachte benaderd met de vraag of hij een tip had en of zijn vroegere werkgever, [betrokkene 1] , geld had. [betrokkene 2] heeft hem toen inlichtingen gegeven (bewijsmiddel 9). Verdachte was in het bezit van meerdere wapens, waaronder een Kalasjnikov (bewijsmiddelen 10, 12). Na de overval heeft verdachte geprobeerd die wapens van de hand te doen (bewijsmiddel 25). De kogels die zijn afgevuurd op de auto van [betrokkene 1] worden doorgaans gebruikt als munitie voor een Kalasjnikov of een wapen dat daarvan is afgeleid (bewijsmiddel 7).

Uit de gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof kunnen afleiden dat verdachte de overval heeft gepland, dat hij de auto van zijn vriendin heeft geleend om de overval mee te gaan plegen, dat hij die auto na terugkeer bij zijn vriendin heeft schoongemaakt, dat hij wapens had, waaronder een Kalasjnikov, die hij kort na de overval kwijt wilde, dat hij bij terugkeer op 22 oktober 2014 in het bezit was van de laptoptas en de polstas van [betrokkene 1] . Het hof heeft hieruit kunnen afleiden dat, als de verdachte niet zelf de overval heeft gepleegd, hij in ieder geval deze overval tezamen en in vereniging heeft gepleegd met degene die de uitvoering ervan voor zijn rekening heeft genomen. Wat verdachte heeft gedaan is immers veel meer dan wat gewoonlijk met medeplichtigheid in verband wordt gebracht, en vormt een voldoende materiële en intellectuele bijdrage aan deze overval om van medeplegen te kunnen spreken.

Beide middelen falen.

Ook het vierde middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat verdachte een van de inzittenden van de auto is geweest toen tijdens de vlucht na de overval vanuit die auto met een vuurwapen op de auto van [betrokkene 1] is geschoten. Dat is volgens de steller van het middel niet uit de gebezigde bewijsmiddelen af te leiden.

Zoals ik bij de bespreking van het tweede en derde middel al te kennen gaf is het bewijs dat verdachte inzittende was van de auto van waaruit is geschoten, anders dan het middel stelt, wel degelijk toereikend verantwoord.

Ook dit middel faalt.

Het vijfde middel komt ook op tegen de veroordeling voor het tweede feit. Uit de bewijsmiddelen zou niet kunnen volgen dat verdachte opzet heeft gehad op het medeplegen van poging tot doodslag. Het hof heeft niet vastgesteld wie van de inzittenden de schoten heeft gelost, noch dat er afspraken zijn gemaakt over het gebruik van het vuurwapen, terwijl de schoten in een zeer korte tijdspanne zijn afgevuurd waardoor de andere inzittenden in de vluchtauto niet de gelegenheid hebben gehad zich te distantiëren van deze gang van zaken.

Aan het opzet op levensberoving heeft het hof in zijn arrest nog afzonderlijk aandacht gewijd in de volgende overwegingen:

"D. Opzet op de dood en al dan niet voorbedachte raad

Met betrekking tot de vraag of bij het schietincident is gehandeld met het opzet om [betrokkene 1] van het leven te beroven stelt het hof op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang en (tijds)verband bezien vast dat

- de auto van [betrokkene 1] , die na de overval achter de daders is aangegaan, op korte afstand achter de auto waarin de verdachte en zijn mededaders waren gezeten reed;

- vier maal vanuit een raam aan de bijrijderszijde van de auto op de daarachter rijdende auto van [betrokkene 1] is geschoten;

- de schutter daarbij uit het raam hing, waarbij de schutter op enig moment op het raam van het portier zat en het leek alsof de schutter het wapen op het dak van de auto aanlegde en het wapen met twee handen vasthield toen hij gericht op de auto van [betrokkene 1] schoot;

- tenminste één kogel de auto van [betrokkene 1] bij de koplamp aan de bestuurderszijde van de auto heeft geraakt;

- is geschoten met munitie van het kaliber 7,62x39mm, welke munitie doorgaans wordt verschoten uit geweren van het type AK-47 (type Kalasjnikov) of wapens die daarvan zijn afgeleid;

- is geschoten met zogenaamde volmantelpatronen, welke kogels in het type 7,62x39mm genoeg energie hebben om bij een rechtstreeks schot op korte afstand het menselijk lichaam te perforeren.

Het hof is van oordeel dat de verdachte en zijn mededaders, door tijdens de vlucht na een overval meermalen met een aanvalswapen zoals een AK-47 of een daarvan afgeleid wapen met volmantelpatronen van het kaliber 7,62x39mm vanuit het raam van een rijdende auto gericht op de bestuurderszijde van een op korte afstand daarachter rijdende auto te schieten, zich minst genomen willens en wetens hebben blootgesteld aan de aanmerkelijk kans dat de bestuurder van die auto ( [betrokkene 1] ) zou worden geraakt en daardoor dodelijk zou worden verwond. Uit de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van de verdachte en zijn mededaders leidt het hof af dat.de verdachte en zijn mededaders deze aanmerkelijke kans ook hebben aanvaard. Mitsdien acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte en zijn mededaders hebben gehandeld met het opzet om [betrokkene 1] van het leven te beroven.

Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal acht hof niet bewezen dat de verdachte en zijn mededaders bij het schietincident hebben gehandeld met voorbedachte raad nu naar het oordeel van het hof het bewijs ervoor te kort schiet dat de verdachte en zijn mededaders zich gedurende voldoende tijd hebben kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluitom [betrokkene 1] opzettelijk van het beleven te beroven. Mitsdien zal de verdachte van het onder 2 primair ten laste gelegde worden vrijgesproken."

In bewijsmiddel 1 verklaart [betrokkene 1] dat de man die hem bij zijn woning overviel een geweer/shotgun op hem richtte. De anonieme getuige van bewijsmiddel 3 heeft het over een langer model vuurwapen waarmee door een inzittende van een auto geschoten werd op een achtervolgende auto. Onderzoek aan de afgevuurde patronen leert volgens bewijsmiddel 7 dat het gaat om patronen die doorgaans verschoten worden met geweren van het type AK-47 (Kalasjnikov) of wapens die daarvan zijn afgeleid. Bewijsmiddel 10 houdt als verklaring van [getuige 2] in dat verdachte over wapens beschikt. Een daarvan is een lang wapen dat hij gewoon met twee handen kon vasthouden maar ook kon uitklappen en tegen zijn schouder zetten. Ook in bewijsmiddel 12 verklaart zij over dat wapen. Het was een groot wapen dat je uit kunt klappen en dat je op je schouder moest laten rusten. Zij meent dat verdachte tegen een huisgenoot heeft gezegd dat het een Kalasjnikov was. Bewijsmiddel 25 is een verklaring van [betrokkene 8] , inhoudende dat verdachte bij hem informeerde of hij iemand wist die twee vuurwapens wilde kopen en daarna of hij twee vuurwapens wilde bewaren. Dat was een paar dagen na de overval.

Dat de verklaringen van getuigen over het feit dat verdachte over een Kalasjnikov kon beschikken door het hof zijn opgenomen in de bewijsvoering duidt erop dat het hof dit gegeven redengevend acht voor het bewijs.

Maar het hof heeft daaromtrent geen verduidelijking gegeven. De enige zin in het kader van de bewijsvoering van het herhaaldelijk aanhalen van verklaringen over de Kalasjnikov is naar mijn oordeel dat het hof er van is uitgegaan dat de Kalasjnikov die aan verdachte toebehoorde, is gebruikt bij de overval. Verdachte is ten nauwste betrokken geweest bij de voorbereiding van de overval. Hij heeft de inlichtingen ingewonnen en ook nog de middelen, auto en wapen, verschaft. Voorts heeft hij na de overval de buitgemaakte tas in zijn bezit gehad. [getuige 2] heeft gezien dat verdachte het bijrijdersportier en het achterportier van de auto heeft schoongemaakt. Als, zoals het hof klaarblijkelijk heeft aangenomen de Kalasjnikov die bij de overval en de daaropvolgende achtervolging is gebruikt van verdachte was, ligt het ook voor de hand als verdachte wist dat er mee geschoten kon worden. Degene die ervoor verantwoordelijk is dat een schietklaar wapen wordt meegenomen naar een overval moet ook de aanmerkelijke kans hebben beseft dat dit wapen gebruikt zou worden, met alle mogelijke noodlottige gevolgen van dien. Het schieten met het door verdachte geleverde wapen op het achtervolgend slachtoffer houdt nauw verband met de eerder gepleegde overval, waarvan het hof, zoals ik eerder schreef, heeft kunnen aannemen dat verdachte die tezamen en in vereniging heeft begaan.

Als verdachte zelf zou hebben geschoten vanuit de auto op de andere auto, hetgeen voor de hand ligt als verdachte zelf ook de Kalasjnikov meebracht, is de inbreng voor het tweede feit van eventuele anderen verder niet relevant. Als verdachte daarentegen niet zelf geschoten zou hebben maar als zijn Kalasjnikov wel is gebruikt kan, gelet op de voorbereidingen die verdachte heeft gepleegd, het verschaffen van een auto en het vuurwapen, en het afhandelen van de buit, van verdachte gezegd worden dat hij ook een voor het medeplegen van feit 2 voldoende relevante, intellectuele en materiële bijdrage aan dat feit heeft geleverd.

Het middel faalt.

Het zesde middel klaagt over de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel ter zake van immateriële schade. Het oordeel van het hof dat de vordering van de benadeelde partij voor zover die betrekking heeft op de immateriële schade niet is betwist is onbegrijpelijk, gelet op hetgeen de advocaat van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd. Voorts voert de steller van het middel aan dat uit de toelichting die de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger heeft gegeven de conclusie kan worden getrokken dat niet [betrokkene 1] zelf maar zijn gezin psychisch is aangedaan, maar deze immateriële schade komt niet voor vergoeding in aanmerking.

Het arrest houdt dienaangaande het volgende in:

"Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1]

De benadeelde partij [betrokkene 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 8055,95, bestaande uit de kosten van het herstel van de schade aan de auto (€ 2.655,95), het afgeperste geldbedrag voor zover dit niet door de verzekering is vergoed (€ 2.200,-) en; immateriële schade (€ 3.200,-), te vermeerderen met de wettelijke rente.

Bij vonnis waarvan beroep is deze vordering toegewezen tot een bedrag van € 4.855,95, te vermeerderen met de wettelijke rente; en is de gevorderde immateriële schade afgewezen.

De benadeelde partij [betrokkene 1] heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd zodat de vordering in hoger beroep in volle omvang aan de orde is.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [betrokkene 1] als gevolg van verdachtes onder 1 en 2 subsidiair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden zoals door de benadeelde partij is gevorderd. De vordering is door de verdediging niet betwist. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat het gevorderde bedrag volledig toewijsbaar is.

Het toe te wijzen bedrag aan schadevergoeding zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 2013, zijnde de dag waarop de strafbare feiten waardoor de schade is veroorzaakt hebben plaatsgevonden, tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof zal de verdachte voorts verwijzen in de door de benadeelde partij [betrokkene 1] gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten. Het hof begroot deze kosten tot op heden op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte - ter meerdere zekerheid van de betaling van de schadevergoeding aan de benadeelde partij [betrokkene 1] - de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden. Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door de strafbare feiten is toegebracht."

Ter terechtzitting van 29 januari 2015 is de vordering van de benadeelde partij in hoger beroep aan de orde gekomen. De benadeelde partij heeft daar een verklaring afgelegd en de advocaat van verdachte heeft aldus gereageerd:

"Als mij wordt gevraagd of de vordering wordt betwist, antwoord ik dat deze op onderdelen inhoudelijk wordt betwist. Het is inderdaad zo dat ik mij primair op het standpunt stel dat de vordering niet kan worden toegewezen, omdat ik vrijspraak zal bepleiten. Mocht het hof komen tot een veroordeling, dan zal ik de vordering voor wat betreft het door de rechtbank toegewezen gedeelte betwisten.

Ik hoor zojuist van de benadeelde partij dat het psychische leed gelukkig meevalt.

De gevorderde vergoeding van immateriële schade wordt betwist."

Daarna is de verdediging niet meer teruggekomen op vordering van de benadeelde partij. De enkele mededeling dat de gevorderde vergoeding van immateriële schade wordt betwist is niet te beschouwen als een serieuze bestrijding van deze vordering. Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij kunnen toewijzen en de schadevergoedingsmaatregel kunnen opleggen nu er geen sprake is geweest van wat een voldoende betwisting van deze vordering genoemd kan worden.

Het middel faalt.

9. De voorgestelde middelen falen. Het tweede, derde en vierde middel kunnen naar mijn oordeel met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?