"Oplegging van straf
De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte ten aanzien van beide zaken veroordeeld voor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken.
Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ten aanzien van beide ten laste gelegde feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en gelet de persoon en de draagkracht van de verdachte.
Het hof heeft bij de strafoplegging in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vernieling en diefstal in vereniging. Daardoor heeft hij inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de betreffende bedrijven. De gepleegde feiten zijn hinderlijke, overlast en schade opleverende, feiten.
De verdachte is blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 6 mei 2015 eerder terzake van diefstal is veroordeeld.
Al het vorenstaande overwegende, acht het hof oplegging van de hierna te melde straf passend en geboden."
5. Deze overweging bevat, in strijd met het zesde lid van art. 359 Sv, geen opgave van de redenen die in het bijzonder hebben geleid tot de keuze van het opleggen van een vrijheidsbenemende straf. Dat verzuim leidt krachtens art. 359, achtste lid, Sv tot nietigheid. Het middel is gegrond. Ik heb mij nog wel afgevraagd of de verdachte – nu de strafmotivering volkomen begrijpelijk maakt waarom het hof een gevangenisstraf van twee weken passend heeft geacht en het ervoor gehouden moet worden dat door of namens de verdachte geen strafsoortverweer is gevoerd aangezien daarvan uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof niet blijkt – wel voldoende belang heeft bij zijn klacht. Uit de recente jurisprudentie leid ik echter af dat de invoering van art. 80a RO geen verandering heeft gebracht in de lijn die de Hoge Raad met betrekking tot het motiveringsvoorschrift van art. 359 lid 6 Sv volgt.
6. Het middel slaagt.
7. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging en de motivering daarvan, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG