"op 1 november 2011 te Uithoorn, opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [betrokkene] , een stuk glas met kracht tegen het hoofd heeft gegooid, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden".
5. Het verkorte arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
"Bespreking van de gevoerde verweren
De raadsman van de verdachte heeft bij pleitnota onder meer aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem (subsidiair) ten laste gelegde nu de verdachte nooit de opzet heeft gehad om aangever [betrokkene] te verwonden. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte niet bewust de aanmerkelijke kans op mishandeling heeft aanvaard. Uit de verklaring van de getuige [getuige] blijkt onder meer dat de verdachte door aangever [betrokkene] met de rechtervuist, met daarin een pen, is geslagen en geraakt aan de linkerkant van diens hals. De verdachte heeft daarop onmiddellijk gereageerd door in een slaande beweging het flesje dat hij in zijn hand had los te laten, waardoor aangever [betrokkene] tegen het hoofd is geraakt. Derhalve dient de verdachte te worden vrijgesproken van het hem (subsidiair) ten laste gelegde."
6. De aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv houdt onder meer in:
"De bewijsmiddelen ten aanzien van het subsidiair bewezen verklaarde: Het hof neemt over uit het proces-verbaal dat één geheel uitmaakt met de aantekening van het mondelinge vonnis waarvan beroep van 18 januari 2013, de bewijsmiddelen 2. tot en met 5. en voor zover onder A. opgenomen."
7. In dit proces-verbaal van de terechtzitting van 18 januari 2013 heeft de politierechter overeenkomstig het bepaalde in art. 378 lid 2 Sv jo. de Regeling aantekening mondeling vonnis van 2 oktober 1996 (Stcrt. 1996, 197) voor de inhoud van de bewijsmiddelen verwezen naar het proces-verbaal van de terechtzitting en de processtukken.
8. Art. 359 lid 3 Sv, dat ingevolge art. 415 Sv ook in hoger beroep toepasselijk is, luidt als volgt:
"De beslissing dat het feit door de verdachte is begaan, moet steunen op de inhoud van in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Voor zover de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend, kan een opgave van bewijsmiddelen volstaan, tenzij hij nadien anders heeft verklaard dan wel hij of zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit."
9. Uit de bewoordingen van art. 359 lid 3 Sv volgt dat de tweede volzin van deze bepaling in ieder geval geen toepassing kan vinden indien door of namens de verdachte ter terechtzitting vrijspraak is bepleit. Het is gelet op het voorgaande evident dat de bedoelde volzin toepassing mist. Of het hof dat heeft miskend, kan in het midden blijven. Het resultaat van de door het hof gevolgde, op grond van art. 423 lid 3 Sv op zich toegestane werkwijze is in elk geval dat de bewezenverklaring in strijd met het bepaalde in de eerste volzin van art. 359 lid 3 Sv niet steunt op bewijsmiddelen waarvan de inhoud in (de aanvulling op) het arrest is opgenomen. De bewezenverklaring is daarom ontoereikend gemotiveerd.
10. Het middel is terecht voorgesteld.
11. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG