3.1. Uit de stukken van het geding en de daartoe gemaakte digitale aantekeningen van de griffie en het gerechtssecretariaat alhier, is het volgende af te leiden.
3.2. Op 8 oktober 2015 heeft verdachtes raadsman de rolraadsheer – tijdig – verzocht om toezending van een afschrift van twee ontbrekende stukken. Het ging om de bijlage met de bewijsmiddelen, die zou zijn gehecht aan het vonnis van het hof van 2 juli 2014, alsmede om een proces-verbaal van de zitting in hoger beroep van 12 juni 2014.
3.3. De griffie van de Hoge Raad heeft daartoe op 12 oktober 2015 navraag gedaan bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Daarop zijn de zittingsaantekeningen van de zitting van 12 juni 2014 ontvangen en is de Hoge Raad, bij e-mail van 29 oktober 2015, kort gezegd het volgende bericht. De griffie van het hof betreurt het dat het dossier destijds ongemerkt onvolledig naar de Hoge Raad is gezonden, dat voor het uitwerken van de bewijsmiddelen het dossier nodig is en dat betekent weer een enorm tijdsverlies in de behandeling. Voorgesteld wordt daarom deze afweging aan de Hoge Raad voor te leggen.
3.4. In overleg met de rolraadsheer is daarop, zo leid ik uit een digitale, administratieve voortgangsnotitie af, beslist dat het dossier niet wordt teruggestuurd naar het Gemeenschappelijk Hof om de bewijsmiddelen te laten uitwerken. Verdachtes raadsman is bij brief van 4 november 2015 het proces-verbaal van de zitting van 12 juni 2014 toegezonden, dat wil zeggen: de uitgetypte zittingsaantekeningen van die zitting. Ten aanzien van de aanvraag van de bijlage houdende bewijsmiddelen houdt de brief het volgende in:
“Hierbij deel ik u mede dat het door u opgevraagde stuk geen deel uitmaakt van het dossier dat op de voet van art. 434 Sv aan de Hoge Raad is toegestuurd.”
De raadsman is daarop een nieuwe termijn voor het wijzigen, aanvullen dan wel (deels) intrekken van de reeds ingediende middelen. Deze nieuwe termijn liep tot 11 november 2015.
3.5. De raadsman had, volgens de datum op de faxverzending, op 12 oktober 2015 een schriftuur ingediend, nadat hem een andere (nadere) termijn was verleend tot 6 november 2015. Op 6 november 2015 heeft de raadsman nog een schriftuur ingediend, vrijwel gelijkluidend aan de eerste schriftuur maar daarin is ook de verklaring van de verdachte in hoger beroep opgenomen bij het tweede middel. Kennelijk dient de tweede schriftuur als vervanging van de eerste. Ik zal dan ook van de meest recent ingediende schriftuur bij de bespreking van de middelen uitgaan.
3.6. Het eerste middel dat klaagt dat het vonnis van het hof niet de gebezigde bewijsmiddelen bevat en daarom aan nietigheid lijdt, is gelet op de hiervoor uiteengezette gang van zaken terecht voorgesteld. De raadsman heeft de rolraadsheer tijdig verzocht om, onder meer, een afschrift van de in het verkorte vonnis aangekondigde aanvulling met bewijsmiddelen in geval van cassatie. Na correspondentie met het Gemeenschappelijk Hof is de raadsman namens de rolraadsheer bericht dat de aanvulling geen onderdeel uitmaakt van het dossier dat op de voet van art. 434 Sv aan de Hoge Raad is toegestuurd. De bewezenverklaring is dus niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
3.7. Het middel is terecht voorgesteld en de zaak moet worden teruggewezen.
4. Dat betekent dat aan het tweede middel niet wordt toegekomen. De door de steller van het middel gestelde rechtsvraag – wanneer is er sprake van geoorloofde eigenrichting – is echter in de jurisprudentie van de Hoge Raad beantwoord met betrekking tot de vraag of sprake is van het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening indien de toe-eigening wordt ingegeven door een tekortkoming ‘in civilibus’ van de wederpartij. In die zaken werd over andermans spullen als heer en meester beschikt met het doel de ander te bewegen diens verplichtingen na te komen. De Hoge Raad achtte dat geen vrijbrief goederen van een ander weg te nemen. Datzelfde heeft denkelijk te gelden in geval een verdachte, zoals in de onderhavige zaak, als heer en meester over goederen gaat beschikken ter vereffening van niet-betaalde werkzaamheden.
5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, teneinde de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG