“Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
(...)
Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat verdachte zich gedurende lange tijd heeft beziggehouden met de handel in verdovende middelen. Voorts volgt uit die bewijsmiddelen dat verdachte meer geld heeft uitgegeven dan hij aan legale inkomsten heeft ontvangen. Het hof acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de aangetroffen contante geldbedragen, de personenauto (middellijk) en de banktegoeden van misdrijf afkomstig zijn, te weten van overtreding(en) van de Opiumwet.
(…)
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
(…)
Wat betreft het onder 3 bewezen verklaarde overweegt het hof als volgt.
Het hof heeft bewezen verklaard dat verdachte contante geldbedragen, een personenauto en banktegoeden voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist dat die afkomstig waren uit enig misdrijf; uit het onderzoek ter terechtzitting is aannemelijk geworden dat deze voorwerpen afkomstig waren uit overtredingen van de Opiumwet.
Indien evenwel niet kan worden vastgesteld dat het voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, kan die gedraging niet als witwassen worden gekwalificeerd.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken dat van een zodanig voorhanden hebben sprake is geweest. Het bewaren van een deel van het bewezenverklaarde geld in een oven levert geen “verbergen of verhullen” in de zin der wet op en het omzetten van contante geldbedragen in een personenauto en in giraal geld verschilt niet wezenlijk van het enkele voorhanden hebben van die voorwerpen.
Uit dit één en ander trekt het hof het gevolg dat het onder 3 bewezen verklaarde niet kan worden gekwalificeerd als witwassen noch als enig ander strafbaar feit.
De verdachte zal derhalve worden ontslagen van alle rechtsvervolging.”
10. Het hof heeft aldus het standpunt van de advocaat-generaal met betrekking tot de (niet-)strafbaarheid van het tenlastegelegde feit 3 goeddeels gevolgd. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt immers in:
“Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde witwassen van contante geldbedragen en banktegoeden vordert de advocaat-generaal dat bewezen zal worden verklaard dat verdachte die voorwerpen voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat die voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig waren, maar dat hij ten aanzien daarvan zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat dat enkele voorhanden hebben geen witwassen in de zin van de wet oplevert.”
11. Kennelijk is het Openbaar Ministerie van inzicht veranderd wat betreft de kwalificeerbaarheid van de banktegoeden als bedoeld in het bewezenverklaarde sub d, in die zin dat het bij nader inzien van mening is dat hier (toch) sprake is van witwassen, en is mede daarin – naast de bestrijding van het oordeel van het hof aangaande de Audi – de reden gelegen om beroep in cassatie in te stellen tegen de uitspraak van het hof.
12. Ik meen dat in de overwegingen van het hof als zijn oordeel besloten ligt dat de bewezenverklaarde voorwerpen door eigen misdrijf (overtreding(en) van de Opiumwet) verkregen zijn. De vraag of dat genoegzaam uit de bewijsmiddelen volgt, laat ik hier rusten; daarover wordt in cassatie niet geklaagd.
13. Dat betekent dat het hof met betrekking tot de genoemde banktegoeden (en de contante geldbedragen) terecht heeft geoordeeld dat het bewezenverklaarde niet kan worden gekwalificeerd als witwassen, nu het hof (i) tevens (al dan impliciet) heeft overwogen dat déze voorwerpen onmiddellijk door eigen misdrijf zijn verkregen en het (ii) geen gedragingen heeft vastgesteld die (kennelijk) gericht zijn op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst als bedoeld in art. 420bis, eerste lid onder b, Sr. In zoverre geeft het oordeel van het hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
14. Dat zou anders zijn, indien gezegd moet worden dat uit de overwegingen van het hof niet valt op te maken dat zich hier voordoet het geval waarin kan worden afgeleid dat de banktegoeden niet door eigen misdrijf maar uit enig misdrijf zijn verkregen. Dan zou het hof ten onrechte hebben overwogen hetgeen ik hierboven onder 9 heb aangehaald ten aanzien van de strafbaarheid van het bewezenverklaarde. Als gezegd, op dat geval heeft de bedoelde recente rechtspraak van de Hoge Raad geen betrekking.
15. Het oordeel van het hof met betrekking tot de Audi getuigt hoe dan ook van een verkeerde rechtsopvatting. Met betrekking tot het “voorhanden” hebben van de auto, heeft het hof vastgesteld dat deze middellijk van misdrijf afkomstig is. Voorts lees ik in de door mij aangehaalde overwegingen dat het hof van oordeel is dat de verdachte het door eigen misdrijf verkregen geld heeft omgezet in de aanschaf van de Audi. Op dat geval is de hierboven genoemde recente rechtspraak van de Hoge Raad in beginsel evenmin van toepassing.
16. Het middel slaagt deels.
17. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
18. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend ter zake van de beslissing omtrent de (niet-)strafbaarheid van het onder 3 bewezenverklaarde en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het hof ten einde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG