ECLI:NL:PHR:2016:812

ECLI:NL:PHR:2016:812, Parket bij de Hoge Raad, 28-06-2016, 15/05024

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 28-06-2016
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 15/05024
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2016:2298
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854 BWBR0001860 BWBR0001903

Samenvatting

Ontneming. Beschikking dwangbevel. Art. 157 Faillissementswet. 1. Valt een nog niet onherroepelijke betalingsverplichting in een faillissement en de werking van een gehomologeerd akkoord? 2. Ontvankelijkheid cassatieberoep ex art. 575.3 Sv.. Ad 1. Op de stelling dat de betalingsverplichting, ook al was deze ten tijde van de faillietverklaring nog niet onherroepelijk opgelegd, als bestaande (voorwaardelijke) vordering in een faillissement en daarmede onder de werking van een gehomologeerd akkoord valt, kan worden beslist in de procedure ex art. 577b, tweede lid, Sv waarin de rechter die de ontnemingsmaatregel heeft opgelegd het door hem vastgestelde ontnemingsbedrag kan kwijtschelden of verminderen dan wel t.a.v. het reeds betaalde of verhaalde bedrag kan bevelen dat dat geheel of gedeeltelijk zal worden teruggegeven of uitgekeerd (vgl. HR 19 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1255). Ad 2. Het hof heeft verzet tegen dwangbevel tot betaling van € 137.458,68 ongegrond verklaard. Betrokkene n-o in cassatieberoep omdat hij niet binnen de termijn ex 575, derde lid, Sv ter consigatie het verschuldigde bedrag heeft voldaan.

Uitspraak

3. Aan een bespreking van het middel kom ik niet toe gelet op het volgende.

4. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep

4.1. Ingevolge art. 575 lid 3 Sv is de veroordeelde in zijn cassatieberoep slechts ontvankelijk na voorafgaande consignatie van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten ter griffie van het gerecht dat de beschikking heeft gegeven. In het aan de Hoge Raad toegezonden dossier bevindt zich een brief van de griffier van het hof van 4 april 2016 waaruit kan volgen dat de veroordeelde in de gelegenheid is gesteld om binnen twee weken na dagtekening van die brief het verschuldigde bedrag en al de kosten bij wijze van consignatie te voldoen aan het Bureau Ontneming Openbaar Ministerie (BOOM). Uit het stuk “Verklaring griffier” van 26 april 2016 blijkt echter dat het BOOM binnen de gestelde termijn geen betaling van de veroordeelde heeft ontvangen.

4.2. Bij brief van 13 april 2016, gericht aan de Hoge Raad, heeft de raadsman van de veroordeelde te kennen gegeven dat de veroordeelde niet in staat is het verschuldigde bedrag ter consignatie van € 137.458,68 te betalen. Ter staving van het aangevoerde is een beschikking betreffende een voorschot op de aanvraag van een uitkering levensonderhoud ingevolgde de Participatiewet van 25 maart 2015 van de gemeente Lingewaard bijgevoegd, waaruit kan worden afgeleid dat de veroordeelde over een periode van 1 januari 2016 tot en met 31 maart 2016 een voorschot ontvangt van € 2.494,95, en tevens een aanmaning van Ziggo van 14 maart 2015, waaruit blijkt dat een automatische incasso voor het bedrag van € 76,- niet heeft kunnen plaatsvinden vanwege een blokkade op de bankrekening van de veroordeelde. Nu de toepassing van het stelsel van zekerheidstelling als bedoeld in art. 575 lid 3 Sv in casu, gelet op de financiële situatie van de veroordeelde en de omvang van het verschuldigde bedrag, zal neerkomen op een ontoelaatbare beperking van het in art. 6 EVRM gegarandeerde recht op toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie, dient de veroordeelde in zijn cassatieberoep ontvankelijk te worden verklaard, aldus de raadsman.

4.3. De vraag die hier aan de orde wordt gesteld is - kort gezegd - of de verplichting tot zekerheidstelling in een verzetprocedure tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel (ex art. 575 lid 3 Sv) leidt tot schending van het in art. 6 EVRM gegarandeerde recht op toegang tot de rechter.

4.4. Art. 575 lid 3 Sv voorziet in de mogelijkheid om tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel verzet te doen, welk verzet evenwel nimmer gericht zal kunnen zijn tegen het vonnis, het arrest of de strafbeschikking, waarbij de geldboete werd opgelegd. In art. 577b Sv is art. 575 Sv van overeenkomstige toepassing verklaard indien een ontnemingsmaatregel - zoals in het onderhavige geval - is opgelegd. In het derde lid van art. 575 Sv is het beperkte karakter van de verzetprocedure tot uitdrukking gebracht. Enkel het onderzoek naar de rechtmatigheid van de inning door middel van verhaal is aan de orde en niet de rechtmatigheid van – hier - de oplegging van de ontnemingsmaatregel zelf. Tegen de beslissing tot oplegging van de ontnemingsmaatregel door de rechtbank heeft de veroordeelde immers eerder bij het hof respectievelijk de Hoge Raad kunnen opkomen, alwaar hij een verzoek had kunnen doen tot matiging van de maatregel wegens persoonlijke omstandigheden c.q. geringe draagkracht. Voorts is ingevolge art. 575 lid 3 Sv beroep in cassatie tegen de op gedaan verzet door het hof gegeven beslissing mogelijk, echter de ontvankelijkheid van de veroordeelde daarin is afhankelijk gesteld van voorafgaande zekerheidstelling ten bedrage van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten. De wet voorziet in een verzetprocedure als de onderhavige niet in de mogelijkheid om in de inningsfase geheel of gedeeltelijk vrijstelling van die verplichting te verlenen, terwijl ook de wetsgeschiedenis daarvoor geen aanknopingspunt biedt. Samenvattend kan niet worden gezegd dat de rechter in de verzetprocedure beslist over de gegrondheid van een 'criminal charge' en dat aan hem de bevoegdheid toekomt burgerlijke rechten en verplichtingen van de veroordeelde vast te stellen (geldelijke verplichtingen; ‘determination of civil rights and obligations’). Het vorenstaande brengt mee dat, anders dan de raadsman van de veroordeelde heeft betoogd, art. 6 EVRM op de onderhavige verzetprocedure niet van toepassing is.

4.5. Vervolgens zie ik mij voor de vraag gesteld of in een procedure als deze, hoewel die niet onder art. 6 EVRM valt, de zekerheidstelling ten bedrage van het nog verschuldigde bedrag in alle gevallen op straffe van niet-ontvankelijkheid dient te worden voldaan. Aanleiding hiervoor is het arrest van de belastingkamer van de Hoge Raad van 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:699, in een fiscale zaak. Het ging in die zaak om een aan de belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag betreffende loonbelasting/premie volksverzekeringen en een vergrijpboete. Ingevolge art. 27l (oud) AWR was de betrokkene als gevolg van het aanwenden van hoger beroep griffierecht verschuldigd. Op grond van art. 27l lid 4 (oud) AWR jo. art. 8:41 lid 2 (oud; thans lid 6) Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep achterwege als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het hoger beroep in verzuim is geweest met het betalen van het griffierecht. Daarbij heeft de Hoge Raad de aan de wetgevingsgeschiedenis te ontlenen ratio voor de heffing van griffierecht in een geschil over een belastingaanslag als volgt uiteen gezet:

“3.3.5. Met de heffing van het griffierecht in bestuursrechtelijke zaken heeft de wetgever onder meer beoogd dat rechtzoekenden aan de hand van de daaraan verbonden kosten een zorgvuldige afweging maken of het zin heeft een zaak aan de bestuursrechter voor te leggen (zie Kamerstukken II, 1984/85, 18 835, nr. 3, blz. 6, en Kamerstukken II, 1991/92, 22 495, nr. 3, blz. 125). Daarbij is de wetgever ervan uitgegaan dat heffing van griffierecht niet tot gevolg mag hebben dat aan bepaalde groepen rechtzoekenden in feite de toegang tot de bestuursrechter wordt ontnomen (Kamerstukken II, 1991/92, 22 495, nr. 3, blz. 125). Hieruit moet worden afgeleid dat de wetgever als uitgangspunt heeft genomen gevallen waarin de betrokkenen over de financiële middelen beschikken om het verschuldigde griffierecht te betalen, en dus in staat zijn de daaruit voortvloeiende last af te wegen tegen het nut van het voeren van een gerechtelijke procedure.

3.3.6. In het algemeen kan worden aangenomen dat de regeling in het bestuursrecht over heffing van griffierecht, inclusief de thans daarbij behorende bedragen aan griffierecht, van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen.

3.3.7. Dit laat onverlet dat zich gevallen kunnen voordoen waarin heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor de rechtzoekende onmogelijk, althans uiterst moeilijk maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang. In een dergelijk geval kan de hiervoor in onderdeel 3.3.5 bedoelde, door de wetgever beoogde, afweging naar haar aard niet plaatsvinden. Mede gelet op het belang dat in een rechtsstaat toekomt aan de toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie, welk belang mede ten grondslag ligt aan artikel 6 EVRM en artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, kan daarom in een dergelijk geval ook buiten de werkingssfeer van de genoemde artikelen niet worden aanvaard dat een (hoger) beroep wegens het onbetaald blijven van griffierecht niet-ontvankelijk wordt verklaard. Binnen het kader van de hier toepasselijke wettelijke regeling kan dit gevolg worden voorkomen door aan te nemen dat de betrokkene in deze gevallen met het achterwege laten van een betaling van griffierecht niet in verzuim is, als bedoeld in artikel 8:41, lid 2 (thans lid 6), Awb (vgl. de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 maart 2013, nr. 201110325/1/V2, ECLI:NL:RVS:2013:BZ4443, JB 2013/78).”

Gelet hierop heeft de Hoge Raad geoordeeld dat - kort gezegd - ook bij bestuursrechtelijke procedures die niet op art. 6 EVRM kunnen worden gebaseerd en waarin heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor de betrokkene onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang, aangenomen kan worden dat de betrokkene met het achterwege laten van betaling van griffierecht niet in verzuim is, als bedoeld in artikel 8:41 lid 6 Awb.

4.6. Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft kort na de zojuist besproken uitspraak van de Hoge Raad aanleiding gezien om gelet op de strekking van dat arrest het daarin gekozen uitgangspunt mede van toepassing te verklaren op het hoger beroep in de verzetprocedure zoals geregeld in art. 26a WAHV. Wat daarvan zij - naar mijn mening kan de genoemde uitspraak van de Hoge Raad uit 2014 in de onderhavige strafvorderlijke verzetprocedure niet naar analogie worden toegepast. Dat de rechtsgang in een verzetprocedure in WAHV-zaken min of meer gelijk gesteld kan worden met de verzetprocedure tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel, waarvan in casu sprake is, heb ik reeds in noot 4 aangestipt. In voornoemde fiscale zaak heeft de Hoge Raad zijn oordeel echter met name gebaseerd op de bedoeling van de wetgever, terwijl ten aanzien van het cassatieberoep volgend op het verzet tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel in de wetsgeschiedenis geen aanknopingspunten te vinden zijn om de verplichting tot het betalen van de zekerheidstelling om enige reden, waaronder betalingsonmacht, achterwege te laten. De wetgever heeft kennelijk geen ruimte willen laten voor een dergelijke uitzondering, zoals ik al eerder heb betoogd onder 4.4. Bovendien gaat het in een zaak als de onderhavige niet (alleen) om de griffiekosten maar om de verplichting tot zekerheidsteling ten bedrage van het nog verschuldigde bedrag. Daar komt bij dat onderhavige verzetprocedure een andersoortig karakter heeft dan een hoger beroepprocedure in een fiscale zaak. Het gaat hier immers uitsluitend om de rechtmatigheidstoetsing van de tenuitvoerlegging via een dwangbevel, waartoe – zonder nadere beperkingen – een rechtsgang bij de rechtbank heeft opengestaan. Wat in art. 575 Sv ‘beperkt’ wordt is de toegang tot de cassatierechter. Die afweging heeft de wetgever naar ik meen zonder in strijd te komen met het recht op toegang tot een rechter kunnen maken. Ik merk daarbij op dat binnen de systematiek van het Wetboek van Strafvordering het ook bepaald geen regel is dat van beschikkingen van de rechter cassatieberoep openstaat.

4.7. Kortom: ik zie geen reden af te wijken van de regel dat zekerheidsstelling is vereist voordat het cassatieberoep ex art. 575 Sv in behandeling kan worden genomen.

4.8. Geheel ten overvloede merk ik tenslotte op dat voor de veroordeelde nog wel de mogelijkheid open staat om de in art. 577b Sv voorziene weg te bewandelen. Op grond van het tweede lid van die bepaling kan een veroordeelde, mocht in de executiefase blijken dat hij daadwerkelijk niet (volledig) aan de aan hem opgelegde betalingsverplichting kan voldoen, de rechter die de ontnemingsmaatregel heeft opgelegd verzoeken het daarin vastgestelde bedrag te verminderen of kwijt te schelden.

4.9. Uit het voorgaande volgt dat de veroordeelde niet kan worden ontvangen in het cassatieberoep, zodat het middel buiten bespreking kan blijven.

5. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de veroordeelde in het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Op de akte cassatie is abusievelijk het parketnummer (21-004026-07) vermeld van de onderliggende ontnemingszaak. Bij brief van 20 oktober 2015 heeft de griffier van het hof bevestigd dat sprake is van een misslag en dat de akte cassatie aldus moet worden verstaan in die zin dat de veroordeelde op 18 september 2015 beroep in cassatie heeft doen instellen tegen de op 10 augustus 2015 gegeven beslissing op het verzet dwangbevel ex art. 575 lid 3 Sv. HR 25 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD6519. Art. 6 lid 1, eerste volzin, EVRM luidt als volgt: “In the determination of his civil rights and obligations or of any criminal charge against him, everyone is entitled to a fair and public hearing within a reasonable time by an independent and impartial tribunal established by law.” Vgl. in dit verband de verzetprocedure in WAHV (Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften)-zaken. Zoals voortvloeit uit het bepaalde in art. 26 lid 3 WAHV staat (ook) in de verzetprocedure bij WAHV-zaken de sanctie vast en gaat het enkel nog om de wijze van verhaal. Zie voorts HR 23 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7141 (Cassatie in belang der wet m.b.t. de verzetprocedure in WAHV-zaak in verhouding met art. 6 lid 1 EVRM). gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11 juli 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:5564. Vgl. art. 445 Sv.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?