De beoordeling
(…) De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat het belang van strafvordering zich verzet tegen opheffing van het beslag op voornoemd geldbedrag. Naar het oordeel van de rechtbank is uit de stukken en het verhandelde in raadkamer de verdenking dat klager zich schuldig gemaakt zou hebben aan witwassen, niet voldoende substantieel geworden. Het enkel aantreffen van een geldbedrag van € 7.900,- (gedeeltelijk in coupures van € 500,-) in een broekzak en de informatie dat klager vanaf 2010 tot medio mei 2013 een bijstandsuitkering heeft genoten en van hem over het jaar 2014 geen bronnen van inkomen bekend zijn, is niet voldoende om klager te verdenken van het plegen van witwassen. De rechtbank acht vooralsnog het verifieerbaar verhaal van klager dat het aangetroffen geldbedrag, spaargeld, giften en een lening betreft, niet volstrekt ongeloofwaardig. De rechtbank acht dan ook hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, voornoemd in beslag genomen geldbedrag verbeurd zal verklaren. Nu van een ander belang van strafvordering niet is gebleken, staat aan opheffing van het op het geldbedrag gelegde beslag niets in de weg, zodat de rechtbank de teruggave van het geldbedrag aan klager zal bevelen.
DE BESLISSING
De rechtbank verklaart het beklag gegrond en gelast de teruggave van voornoemd geldbedrag aan klager.”
In geval van een beklag van de beslagene tegen een op de voet van art. 94 Sv gelegd beslag dient de rechter a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor art. 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer het inbeslaggenomene kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door art. 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in art. 36b, eerste lid onder 4°, Sr in verbinding met art 552f Sv.
Bij dit een en ander dient de rechter in aanmerking te nemen dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter draagt en dat hij niet ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure mag treden.
De Rechtbank heeft aan haar oordeel dat het belang van strafvordering zich in het onderhavige geval niet tegen teruggave van het inbeslaggenomen geldbedrag verzet ten grondslag gelegd dat de witwasverdenking “niet voldoende substantieel [is] geworden”, nu “het enkel aantreffen van een geldbedrag van € 7.900,- (gedeeltelijk in coupures van € 500,-) in een broekzak en de informatie dat klager vanaf 2010 tot medio mei 2013 een bijstandsuitkering heeft genoten en van hem over het jaar 2014 geen bronnen van inkomen bekend zijn, niet voldoende is om klager te verdenken van het plegen van witwassen” en dat “vooralsnog het verifieerbare verhaal van klager dat het aangetroffen geldbedrag, spaargeld, giften en een lening betreft, niet volstrekt ongeloofwaardig [wordt geacht]”. Gelet hierop acht de Rechtbank het hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen geldbedrag zal bevelen. Tegen voornoemde overwegingen richt het middel zich mijns inziens terecht. Door aldus te oordelen is de Rechtbank in haar overwegingen voorbij gegaan aan het summiere en voorlopige karakter van de beklagprocedure. De Rechtbank is immers met haar beslissing in de beklagprocedure vooruitgelopen op een mogelijke uitkomst van een nog te voeren strafzaak tegen de klager. Voorts acht ik van belang hetgeen de officier van justitie daarnaast nog in raadkamer heeft aangevoerd onder meer inhoudende dat sprake was van een tweetal “witwastypologieën”: het geldbedrag betrof voor een groot deel coupures van € 500,- die in het criminele circuit plegen te worden gebruikt, terwijl het fysiek vervoer van grote bedragen in contanten een aanzienlijk veiligheidsrisico met zich mee brengt, dat de klager niet beschikte over bekende legale inkomsten en dat hij wisselende verklaringen heeft afgelegd over de herkomst van het bij hem inbeslaggenomen geldbedrag. Het voorgaande in ogenschouw genomen, meen ik dat de door de Rechtbank in aanmerking genomen feiten en omstandigheden niet zonder meer kunnen meebrengen dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter de verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen geldbedrag zal bevelen. De beslissing van de Rechtbank is derhalve ontoereikend gemotiveerd.
Het middel klaagt daarover terecht.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzen of terugwijzen als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG