ECLI:NL:PHR:2016:932

ECLI:NL:PHR:2016:932, Parket bij de Hoge Raad, 16-09-2016, 15/04193

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 16-09-2016
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 15/04193
Rechtsgebied Civiel recht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2017:95
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 5 zaken
Aangehaald door 1 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0001830 BWBR0005291

Samenvatting

Contractenrecht. Verbreking joint venture. Kwijtingsbeding in vaststellingsovereenkomst. Misbruik van omstandigheden, art. 3:44 lid 4 BW; omstandigheden die een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van de rechtshandeling, causaal verband, nadeel.

Uitspraak

3. Nadere analyse van de arresten

In de eerste plaats lijkt bij lezing van rov. 3.10 van het eerste tussenarrest en rov. 2.6 van het laatste tussenarrest een discrepantie tussen beide oordelen te bestaan.

Het hiervoor geciteerde tweede oordeel van rov. 3.10 van het tussenarrest van 24 juni 2014 (laatste volzin) bevat een bindende eindbeslissing: het hof heeft daarin uitdrukkelijk en zonder voorbehoud overwogen hoe over de zaak zal worden beslist indien zou blijken dat het verschil tussen de waarde die het aandelenpakket van S’Energy in februari 2009 vertegenwoordigde en de door Delta betaalde prijs, zakelijk niet verklaarbaar of gerechtvaardigd was. Het hof heeft aangekondigd dat het in dat geval misbruik van omstandigheden zal aannemen en het beroep op vernietiging van de kwijtingsclausule zal laten slagen. Er hangt met andere woorden in de benaderingswijze van het hof veel af van de door de deskundigen te verrichten waardering van de aandelen.

Het lijkt er evenwel op dat het hof in rov. 2.6 van het tussenarrest van 2 juni 2015 het belang van de waardering van de aandelen door de deskundigen enigszins heeft afgezwakt. Het hof suggereert in die rechtsoverweging dat aan de waarde van het aandelenpakket in februari 2009 (slechts) “een groot gewicht” “kan” worden toegekend, maar dat ook “overige omstandigheden van het geval” (het hof specificeert niet welke omstandigheden dat zijn) relevant zijn bij de beoordeling van de vraag of sprake is van misbruik van omstandigheden.

Het hof geeft echter niet expliciet te kennen dat hij de eerdere in rov. 3.10 gegeven bindende eindbeslissing heeft heroverwogen en daarvan terugkomt, zodat er m.i. van uit dient te worden gegaan dat daarvan geen sprake is. De overweging wijkt bovendien ook niet dermate ondubbelzinnig af van de overwegingen van het hof in rov. 3.10 dat niet op voorhand worden aangenomen dat het hof zal afwijken van de eerder uitgezette koers.

Uit de omstandigheid dat het hof partijen toestemming heeft gegeven voor het instellen van tussentijds cassatieberoep zou overigens ook kunnen worden afgeleid dat het hof in ieder geval zelf van oordeel is dat het in rov. 3.10 een bindende eindbeslissing heeft gegeven ten aanzien van de nog te verrichten beoordeling van het beroep op misbruik van omstandigheden.

In de tweede plaats heb ik de indruk, gelet op de strekking van een groot aantal van de cassatieklachten van beide partijen, dat men de overwegingen van het hof in het tussenarrest van 24 juni 2014 zo leest dat zij mede zien dan wel preluderen op de beoordeling van de eveneens gevorderde verklaringen voor recht (o.a.) dat Delta c.s. onrechtmatig hebben gehandeld en Delta toerekenbaar tekort is geschoten jegens S’Energy. Wellicht is deze lezing van de tussenarresten ingegeven door de omstandigheid dat ter onderbouwing van die vorderingen door S’Energy in feitelijke instanties een zelfde soort stellingname is gehanteerd.

Een dergelijke lezing is m.i. echter onjuist. Uit rov. 3.3 van het arrest van 24 juni 2014 en het tussenkopje daarboven (“Misbruik van omstandigheden”) volgt dat de daarna opgenomen overwegingen van het hof uitsluitend betrekking hebben op de beoordeling van de grieven die S’Energy in appel heeft aangevoerd tegen de verwerping door de rechtbank van haar beroep op misbruik van omstandigheden. Omdat het hof deze overwegingen uitdrukkelijk in het kader van het beroep op misbruik van omstandigheden plaatst, zijn deze m.i. niet relevant voor de beoordeling van de overige vorderingen en bevatten zij in ieder geval geen bindende eindbeslissingen ten aanzien van die overige vorderingen.

Bij de behandeling van sommige cassatieklachten kom ik hierop nog terug.

4. Juridisch kader misbruik van omstandigheden

M.i. dient de beoordeling door het hof van het beroep van S’Energy op misbruik van omstandigheden te worden afgezet tegen het volgende voor dit wilsgebrek geldende juridische kader.

Misbruik van omstandigheden is aanwezig wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden (art. 3:44 lid 4 BW). De rechtshandeling is dan vernietigbaar (art. 3:44 lid 1 BW). Het gaat daarbij om omstandigheden bij het aangaan van de overeenkomst.

Niet vereist is dat het slachtoffer door actief handelen van de wederpartij tot het aangaan van de overeenkomst wordt bewogen of dat het initiatief van de wederpartij is uitgegaan. Uit de wettekst blijkt dat de wederpartij het tot stand komen van de rechtshandeling slechts hoeft te “bevorderen”. Volgens de parlementaire geschiedenis kan het “bevorderen” ook bestaan in het enkele ontvangen van de verklaring van het slachtoffer.

Het vierde lid van art. 3:44 BW geeft een niet-limitatieve opsomming van een aantal bijzondere omstandigheden, te weten noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid.

In de literatuur worden de door de wetgever genoemde gevallen in twee (niet scherp te onderscheiden) categorieën verdeeld: (i) noodtoestand en verwante omstandigheden, zoals een (economische) dwangpositie

en (ii) gevallen waarin iemand door geestelijke factoren, zoals psychische afhankelijkheid of onervarenheid, niet in staat is zijn belangen behoorlijk te behartigen.

Volgens Hartkamp en Sieburgh gaat het bij de eerste categorie om gevallen waarin iemand op de hulp of medewerking van een ander is aangewezen om uit een benarde positie bevrijd te worden; gevallen waarin hij wel moet contracteren en waarbij de inhoud van de overeenkomsten dientengevolge in belangrijke mate door de wederpartij kan worden gedicteerd. De tweede categorie betreft, volgens de auteurs, gevallen waarin iemand door geestelijke of psychische factoren en een wederpartij die in een positie van geestelijk overwicht verkeert tot een voor hem nadelige overeenkomst wordt bewogen, terwijl hij anders in het geheel niet of in elk geval niet op de bedongen voorwaarden gecontracteerd zou hebben.

Voor een geslaagd beroep op misbruik van omstandigheden dient sprake te zijn van causaal verband tussen de bijzondere omstandigheden en het verrichten van de rechtshandeling: het slachtoffer moet door de bijzondere omstandigheden tot het verrichten van de rechtshandeling zijn “bewogen”. Dit brengt mee dat de partij die zich op de vernietigingsgrond beroept, de stelplicht en bewijslast draagt ten aanzien van het misbruik van omstandigheden en het causaal verband tussen de (inhoud van de) overeenkomst en de omstandigheden. Aan de stelplicht en bewijslast ten aanzien van het causaal verband mogen niet al te hoge eisen worden gesteld. De partij die zich op het wilsgebrek beroept, moet aannemelijk maken dat zij niet of niet onder dezelfde voorwaarden de overeenkomst of een of meer concreet door haar aan te wijzen onderdelen van de overeenkomst zou hebben gesloten indien haar wil niet gebrekkig was gevormd onder invloed van de bijzondere omstandigheden.

Het bestaan van bijzondere omstandigheden waardoor iemand wordt bewogen een rechtshandeling te sluiten is niet voldoende voor het aannemen van misbruik van omstandigheden. Tevens is nodig dat de wederpartij misbruik maakt van de benarde situatie waarin de ander zich bevindt.

Iemand kan alleen misbruik maken indien hij weet of moet begrijpen dat de ander wordt bewogen door bijzondere omstandigheden; de bijzondere omstandigheden moeten met andere woorden kenbaar zijn aan de wederpartij. Voorts bepaalt art. 3:44 lid 4 BW dat hetgeen de wederpartij weet of moet begrijpen, haar van het bevorderen van de overeenkomst zou behoren te weerhouden. Deze zinsnede veronderstelt tevens dat de wederpartij weet of behoort te begrijpen dat de ander de overeenkomst niet of niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten als hij zich niet in de benarde situatie had bevonden.

Van Dam stelt dat het bij misbruik van omstandigheden uiteindelijk gaat om het maatschappelijk onbetamelijke karakter van het gedrag van de wederpartij; beslissend is of zij een prestatie bedingt die zij in redelijkheid niet had mogen bedingen.

Voor een geslaagd beroep op misbruik van omstandigheden is niet vereist dat het slachtoffer is benadeeld door de rechtshandeling. Anders dan in het Ontwerp-Meijers wordt in art. 3:44 lid 4 BW niet als voorwaarde gesteld dat sprake is van nadeel. Uit de rechtspraak en parlementaire geschiedenis volgt evenwel dat de aanwezigheid van een bepaalde mate of bepaalde vorm van benadeling wel een (belangrijke) rol kan spelen bij de beoordeling of misbruik van omstandigheden is gemaakt.

In de Memorie van Antwoord (II) is vermeld dat onder de beschrijving “hetgeen hij weet of moet begrijpen” niet alleen de wetenschap van de misbruiker omtrent de bijzondere omstandigheden valt, maar ook zijn wetenschap omtrent wat als benadeling kan worden aangemerkt en omtrent alles wat overigens van belang zou kunnen zijn voor het oordeel of hij zich van het bevorderen van de totstandkoming van de rechtshandeling had behoren te onthouden.

Niet vereist is dat de misbruiker de situatie waarin het slachtoffer zich bevindt of de voor de ander uit de overeenkomst voortvloeiende nadelen tot in detail kent.

Bij de vraag of sprake is van misbruik van omstandigheden wordt ook wel acht geslagen op het voordeel dat de misbruiker met zijn handelswijze heeft behaald.

Zo overwoog de Hoge Raad in 1979 in de zaak Brandwijk/Brandwijk na zijn oordeel dat de economische dwangpositie waarin de ene partij zich bevindt en de nadeligheid van de overeenkomst in zijn algemeenheid nog niet het oordeel rechtvaardigt dat misbruik van omstandigheden is gemaakt, als volgt: “In een geval als het onderhavige, waarin de ene partij handelde onder invloed van een economische dwangpositie, zou voor een ander oordeel plaats kunnen zijn als zich nog andere omstandigheden dan die in het middel genoemde hadden voorgedaan, bijv. als de andere partij voor zichzelf of een derde een klaarblijkelijk onevenredig groot voordeel had bedongen. Omtrent zodanige andere omstandigheden heeft het hof echter niets vastgesteld”.

Het oordeel of sprake is van misbruik van omstandigheden is, gelet op de nauwe verwevenheid met de vaststelling en waardering van de feiten van het geval, voorbehouden aan de feitenrechter. Er kan evenwel grond zijn voor cassatie indien de feitenrechter de ter zake dienende omstandigheden van het geval niet in onderling verband en samenhang heeft bezien, maar deze slechts op zichzelf heeft beoordeeld zonder verband te leggen met de overige ter zake dienende omstandigheden van het geval.

5. Bespreking van het cassatiemiddel

Het cassatiemiddel bestaat uit een inleiding en zes onderdelen.

Onderdeel 1 is gericht tegen (de hierna geciteerde overwegingen van) de rov. 3.6 tot en met 3.10 van het tussenarrest van 24 juni 2014 en rov 2.7 van het tussenarrest van 2 juni 2015:

Delta en [A] hebben deze stellingen bestreden. Alvorens hierop nader in te gaan merkt het hof nog het volgende op. Voor een geslaagd beroep op misbruik van omstandigheden is niet nodig dat de omstandigheden in kwestie zijn ontstaan als gevolg van (laakbaar) handelen van Delta. Ook als de omstandigheden buiten haar toedoen bestonden en/of zijn ontstaan is het maken van misbruik daarvan mogelijk.

Dat betekent, dat het debat op het punt van de vraag of en zo ja in hoeverre bedoelde drooglegging, afhankelijkheid en drukmiddelen door Delta zijn veroorzaakt in dit kader onbesproken kan blijven. Delta en [A] erkennen op zichzelf op de relevante punten de feiten die S’Energy noemt. Hun verweer is louter gericht op de duiding daarvan. (…)

Dat (mede) die, door beide partijen dus verschillend geduide maar in elk geval aanwezige, omstandigheden ertoe hadden geleid dat een patstelling was ontstaan volgt zonder meer uit de feiten die onder 3.1 zijn vastgesteld aangaande de periode vlak voor het sluiten van de vaststellingsovereenkomst.(…)

De vraag die dan voorligt is, of de gedragslijn van Delta, te weten het sluiten van deze vaststellingsovereenkomst met S’Energy, daarmee door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen. (…)

Dat die eigen belangen van Delta een voortzetting van de toestand niet toelieten blijkt genoegzaam uit hetgeen hiervoor werd overwogen.

Er zou echter grond zijn om de in de eerste zin van 3.8 geformuleerde vraag in positieve zin te beantwoorden ten opzichte van de waarde die het aandelenpakket van S’Energy in februari 2009 vertegenwoordigde, zoveel lager was dat het verschil in redelijkheid zakelijk niet verklaarbaar of gerechtvaardigd is te achten.

(…)

Het slechts willen betalen van een prijs die, ten opzichte van de waarde die het aandelenpakket van S’Energy in februari 2009 vertegenwoordigde, zoveel lager was dan het verschil in redelijkheid niet verklaarbaar of gerechtvaardigd was, in de wetenschap dat S’Energy op dat moment geen reële alternatieven had, zal naar het oordeel van het hof misbruik van omstandigheden opleveren, zodat het beroep op vernietiging van de kwijtingsclausule, die S’Energy in beginsel belet om daarover een -deze- procedure te voeren, dan slaagt.

op basis van de stukken moet immers aangenomen worden dat Delta c.s. ook in februari 2009 al betwistte tot een dergelijke extra kapitaalinjectie verplicht te zijn (daargelaten of dat terecht was of niet).”

In de kern klaagt het onderdeel, zo blijkt ook uit de daaraan gegeven titel in de cassatiedagvaarding, dat de bestreden overwegingen onjuist zijn dan wel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd omdat het hof de (laakbaarheid van de) door S’Energy gestelde “drooglegging”, “afhankelijkheid” en “drukmiddelen” onbesproken heeft gelaten in het kader van de beoordeling of sprake was van misbruik van omstandigheden.

Subonderdeel 1a klaagt over een innerlijke tegenstrijdigheid in rov. 3.6. Uit de overweging van het hof dat Delta en [A] op zichzelf de feiten die S’Energy noemt op de relevante punten erkennen en dat hun verweer louter is gericht op de duiding daarvan, blijkt, aldus het subonderdeel, dat het hof wel degelijk een bevestigend oordeel heeft gegeven over de vraag of de gestelde drooglegging, afhankelijkheid en drukmiddelen feitelijk door handelen van Delta zijn veroorzaakt, terwijl het hof tevens heeft overwogen dat voor een geslaagd beroep op misbruik van omstandigheden niet nodig is dat de omstandigheden in kwestie zijn ontstaan als gevolg van (laakbaar) handelen van Delta en dat onbesproken kan blijven of en zo ja, in hoeverre bedoelde drooglegging, afhankelijkheid en drukmiddelen door Delta zijn veroorzaakt. Dit geeft, aldus nog steeds het subonderdeel, blijk van een onjuiste rechtsopvatting dan wel is onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd.

Het subonderdeel mist feitelijke grondslag. Uit het oordeel van het hof dat Delta c.s. de feiten op relevante punten hebben erkend, volgt nog niet dat het hof ook van oordeel is dat Delta c.s. hebben erkend dat zij de door S’Energy gestelde situatie die daardoor zou zijn ontstaan (“drooglegging, afhankelijkheid en drukmiddelen”) hebben veroorzaakt. Ik lees derhalve geen tegenstrijdigheid in overweging 3.6 van het hof.

Het subonderdeel faalt daarnaast vanwege gebrek aan belang. Het hof heeft in rov. 3.10 geoordeeld dat er grond is voor het aannemen van misbruik van omstandigheden indien blijkt dat Delta, in de wetenschap dat S’Energy geen reële alternatieven had, voor het aandelenpakket een prijs heeft betaald die zakelijk onverklaarbaar of ongerechtvaardigd was. Uit deze overweging van het hof kan worden afgeleid dat het hof de (economische) dwangpositie waarin S’Energy zich bevond ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst (het niet beschikken over reële alternatieven) heeft aangemerkt als bijzondere omstandigheid in de zin van art. 3:44 lid 4 BW. De beoordeling van vraag of deze dwangpositie al dan niet is ontstaan door (laakbaar) handelen van Delta is aldus niet dragend voor de beoordeling of er sprake is van misbruik van omstandigheden. Ik verwijs in dit verband naar mijn bespreking van de subonderdelen 3.1 en 3.2 van het cassatiemiddel van Delta c.s. in de zaak 15/04124.

Voorts verwijs ik naar hetgeen ik heb opgemerkt onder 3.6-3.7. De aangevallen overweging heeft m.i. uitsluitend betrekking op de beoordeling van het beroep op misbruik van omstandigheden en is derhalve niet relevant voor de (mogelijk nog volgende) beoordeling van de overige vorderingen, zodat ook daaraan geen belang kan worden ontleend.

Subonderdeel 1b klaagt in de eerste plaats dat het oordeel van het hof in rov. 3.6 dat dat vraag onbesproken kan blijven of en zo ja, in hoeverre, de bedoelde drooglegging, afhankelijkheid en de drukmiddelen door (laakbaar) handelen van Delta zijn veroorzaakt, rechtens onjuist is. Volgens S’Energy is het tevens rechtens onjuist dat het hof, zoals blijkt uit rov. 3.7, bij zijn oordeel slechts de feiten betrekt “aangaande de periode vlak voor het sluiten van de vaststellingsovereenkomst”. Het hof heeft volgens S’Energy miskend dat bij de beoordeling of sprake is van misbruik van omstandigheden alle omstandigheden van het geval in acht moeten worden genomen en dat het (laakbaar) in het leven roepen van die omstandigheden rechtens relevant is voor die beoordeling.

Het subonderdeel faalt. Het hof heeft – door het subonderdeel overigens ook erkend – terecht tot uitgangspunt genomen dat voor een geslaagd beroep op misbruik niet nodig is dat de omstandigheden in kwestie zijn ontstaan als gevolg van (laakbaar) handelen van Delta, omdat ook wanneer de omstandigheden buiten haar toedoen bestonden en/of zijn ontstaan het maken van misbruik daarvan mogelijk is. Uit art. 3:44 lid 4 BW volgt niet dat vereist is dat degene die misbruik maakt van de omstandigheden waarin de ander zich bevindt, deze omstandigheden ook in het leven heeft geroepen. Voldoende is, zoals hiervoor onder 4.6 vermeld, dat de misbruiker wist of behoorde te weten dat de ander door deze omstandigheden werd bewogen tot het verrichten van de rechtshandeling. Daarin verschilt misbruik van omstandigheden van bedreiging (art. 3:44 lid 2 BW); het is niet nodig dat de misbruiker de wilsvorming van het slachtoffer actief heeft beïnvloed.

Aldus heeft het hof kunnen oordelen dat het debat op het punt van de vraag of en zo ja in hoeverre de bedoelde drooglegging, afhankelijkheid en drukmiddelen door Delta zijn veroorzaakt onbesproken kan blijven. Het hof kan niet gehouden worden om stellingen te beoordelen die in het kader van de voorliggende (prealabele) vraag overbodig zijn.

Dat het hof in rov. 3.7 (eerste zin) slechts de vastgestelde feiten “aangaande periode vlak voor het sluiten van de vaststellingsovereenkomst” bij zijn oordeel betrekt, geeft evenmin blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De Hoge Raad heeft in het arrest Stingel/Sietsema immers bepaald dat het bij de beantwoording van de vraag of misbruik is gemaakt van omstandigheden als bedoeld in art. 3:44 lid 4 BW enkel aankomt op omstandigheden bij het aangaan van de overeenkomst.

Subonderdeel 1c bouwt op het voorgaande subonderdeel voort. Voor zover zou moeten worden aangenomen – hetgeen niet de primaire lezing is van het subonderdeel – dat in de hiervoor bestreden rechtsoverwegingen tevens een oordeel van het hof ligt besloten over het leerstuk van bedreiging, wordt betoogd dat de klachten in subonderdeel 1b ook en in versterkte mate gelden voor dit oordeel.

Het subonderdeel faalt vanwege gemis aan feitelijke grondslag. De (subsidiaire) alternatieve lezing van subonderdeel 1c is wellicht ingegeven doordat het hof in rov. 3.3 heeft vastgesteld dat de grieven van S’Energy zien op misbruik van omstandigheden “dan wel op het aanpalende onderwerp van bedreiging” en de daarop volgende zin dat het hof “in dat verband als volgt” overweegt. Uit rov. 3.4 e.v. blijkt evenwel dat het hof daarin niet op de rechtsfiguur van bedreiging is ingegaan of daaromtrent heeft geoordeeld. Zoals hiervoor in 3.6-3.7 vermeld, heeft het hof enkel het beroep van S’Energy op misbruik van omstandigheden beoordeeld.

Voor zover een oordeel over het beroep op bedreiging al impliciet in de overwegingen van het hof besloten zou liggen, geldt bovendien dat hiertegen op de voet van art. 399 Rv geen cassatieberoep kan worden ingesteld nu het klaarblijkelijk niet gaat om een uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven beslissing waarop het hof in het verdere verloop van de procedure in beginsel niet zou mogen terugkomen.

Subonderdeel 1d keert zich tegen rov. 3.6 in combinatie met rov. 3.10 en neemt in de daarover geformuleerde klacht tot uitgangspunt dat in het oordeel van het hof ligt besloten dat bij de vraag of sprake is van misbruik van omstandigheden het er uitsluitend of overwegend om gaat of sprake is van nadeel. Het subonderdeel klaagt vervolgens dat het hof dan heeft miskend dat de aanwezigheid van nadeel geen vereiste is voor toepassing van het leerstuk van misbruik van omstandigheden, maar slechts een van de door de rechter te wegen omstandigheden van het geval (naast onder meer de omstandigheid dat de omstandigheden in kwestie al dan niet veroorzaakt zijn door (laakbaar) gedrag van de wederpartij).

Deze klacht slaagt ten dele.

Hoewel het hof niet (expliciet) heeft geoordeeld dat het er bij misbruik van omstandigheden slechts om gaat of sprake is van nadeel, volgt uit de benaderingswijze die het hof in rov. 3.10 heeft gekozen wél dat het hof in deze zaak doorslaggevend acht of S’Energy in ernstige mate financieel is benadeeld door het sluiten van de vaststellingsovereenkomst met de daarin opgenomen prijs. Een dergelijke benadering geeft m.i. blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Zoals hiervoor in 4.7 vermeld, is voor een geslaagd beroep op misbruik van omstandigheden (financiële) benadeling niet vereist. Benadeling kan wél een (sterke) aanwijzing zijn dat er sprake is van misbruik van omstandigheden. Degene die misbruik wordt verweten moet echter wel weten of behoren te begrijpen dat de ander door het sluiten van de overeenkomst (in ernstige mate) wordt benadeeld. Voorts zijn ook de overige omstandigheden van het geval relevant voor de beoordeling van de vraag of de misbruiker wist of diende te begrijpen dat hij zich van het bevorderen van de rechtshandeling had behoren te weerhouden.

Uit het oordeel van het hof blijkt ten onrechte niet dat het voor het aannemen van misbruik van omstandigheden relevant acht of Delta wetenschap had ten aanzien van de benadeling van S’Energy en of Delta, ook gezien de bijkomende omstandigheden van het geval, wist dan wel behoorde te begrijpen dat zij zich van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst had behoren te weerhouden. Ik verwijs naar mijn bespreking van subonderdeel 1.4 (klacht C) van het cassatiemiddel van Delta c.s. in de zaak 15/04124.

Voor zover het subonderdeel erover klaagt dat het hof er onvoldoende blijk van heeft gegeven dat het ook acht zal slaan op andere omstandigheden van het geval die voor de beoordeling relevant zijn, is het subonderdeel terecht voorgesteld. Het hof heeft m.i. op voorhand een te groot belang toegekend aan de door deskundigen te onderzoeken vraag wat de objectieve waarde was van het aandelenpakket ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst en de mogelijk daaruit volgende omstandigheid dat Delta een te laag bedrag heeft betaald voor de aandelen.

Het subonderdeel faalt echter voor zover het ertoe strekt dat het hof bij zijn beoordeling zou moeten betrekken of de omstandigheden in kwestie al dan niet door Delta zijn veroorzaakt, zoals volgt uit mijn bespreking van subonderdeel 1b.

Met het falen van de klacht dat het hof ten onrechte niet heeft beoordeeld of en in hoeverre de door S’Energy gestelde “drooglegging, afhankelijkheid en drukmiddelen” door (laakbaar) handelen van Delta zijn veroorzaakt, faalt ook subonderdeel 1e dat daarop voortbordurend is gericht tegen de rov. 3.7, 3.8 en 3.9 van het tussenarrest van 24 juni 2014 en rov. 2.7 van het tussenarrest van 2 juni 2015.

Subonderdeel 1f komt op tegen de overweging van het hof in rov. 3.7 van het tussenarrest van 24 juni 2014 dat sprake was van een “patstelling” en de overweging in rov. 3.9 dat “de eigen belangen van Delta een voortzetting van de toestand niet toelieten” en klaagt dat deze overwegingen onvoldoende (begrijpelijk) zijn gemotiveerd omdat het hof de navolgende drie essentiële stellingen ten onrechte heeft gepasseerd althans zonder toereikende motivering heeft verworpen.

De eerste stelling is dat er in de joint venture in vennootschapsrechtelijk opzicht geen “deadlock” op bestuurs- of aandeelhoudersniveau was (Delta had in beide organen de absolute meerderheid) en Delta ook operationeel en administratief vrijwel de volledige controle had.

Het subonderdeel verwijst in de tweede plaats naar de stelling dat in de joint venture ook contractueel geen sprake was van een deadlock, nu in de aandeelhoudersovereenkomst (art. 6.1) een regeling was getroffen op grond waarvan Delta S’Energy onder omstandigheden kon uitstoten, te weten in het geval dat zij niet aan de capital calls voldeed dan wel kon voldoen.

De derde stelling houdt in dat de wet een methode bevat, in de vorm van de geschillenregeling op de voet van art. 2:335 BW e.v., om een aandeelhouder uit te stoten.

Rechtsoverweging 3.7 bevat de constatering van het hof dat vóór het sluiten van de vaststellingsovereenkomst tussen partijen een patstelling was ontstaan omdat (i) Sunergy geen winst maakte en een aanzienlijke kapitaalbehoefte had, (ii) een beursgang van de baan was, (iii) er geen nieuwe investeerder was, (iv) S’Energy niet aan de capital calls kon voldoen en Delta Sunergy niet alleen wilde (blijven) financieren, (v) de bestuurders van S’Energy en Delta sterk verschillende ideeën hadden en vertrouwen in elkaar misten, (vi) S’Energy geen vertrouwen had in de personen die de leiding hadden over Sunergy en (vii) minnelijke en gerechtelijke pogingen om verandering in de situatie te brengen hadden gefaald. Deze patstelling is, aldus het hof in de eerste volzin van rov. 3.7 mede het gevolg van de omstandigheden drooglegging, afhankelijkheid en drukmiddelen.

Het hof vervolgt dan met de vraag in rov. 3.8 of gegeven deze patstelling het sluiten van de vaststellingsovereenkomst door Delta met misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen, oftewel dat beoordeeld moet worden of sprake is van “het geen alternatief laten aan S’Energy” op het punt van het aangaan van een vaststellingsovereenkomst ter beëindiging van de joint venture (zie de formulering in rov. 3.9), anders gezegd een benarde situatie van S’Energy, waarvan Delta misbruik heeft gemaakt.

Uit de tekst van en onderlinge samenhang tussen genoemde rechtsoverwegingen blijkt dat de volgens het hof ontstane patstelling betrekking heeft op de samenwerking tussen de jointventurepartners. Zo spreekt het hof in rov. 3.8 ook over de positie waarin S’Energy verkeerde in het kader van de joint venture, te weten dat het daarmee doorgaan in de gegeven situatie geen realistische mogelijkheid was, zodat een beëindiging daarvan onontkoombaar was.

Het voorgaande brengt mee dat de aangehaalde stellingen niet essentieel zijn voor de door het subonderdeel bestreden overwegingen van het hof.

Voor zover S’Energy met de aangehaalde stellingen beoogt te betogen dat er geen sprake was van een patstelling omdat Delta zowel in het bestuur als de aandeelhoudersvergadering de absolute meerderheid had (en dus de koers van Sunergy in overwegende mate kon bepalen) en Delta op grond van de aandeelhoudersovereenkomst dan wel de geschillenregeling als bedoeld in art. 2:335 BW e.v. de mogelijkheid had om S’Energy als aandeelhouder uit te stoten, berust dit betoog op een onjuiste lezing van de overweging van het hof en kan dit haar niet baten.

Het subonderdeel licht niet toe hoe de stelling dat Delta in het bestuur en de aandeelhoudersvergadering een absolute meerderheid van stemmen had waardoor zij operationeel en administratief de controle had over Sunergy, afbreuk doet aan de begrijpelijkheid van de overweging van het hof in rov. 3.9, dat de eigen belangen van Delta een voortzetting van de toestand niet toelieten.

Het subonderdeel faalt mitsdien.

Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 3.9 van het tussenarrest van 24 juni 2014, waarin het hof als volgt heeft overwogen:

“Dat Delta op die uitkoop heeft aangestuurd en daarover hard (zie 3.1.10-3.1.13) heeft onderhandeld is, naar het oordeel van het hof, anders dan S’Energy stelt, op zichzelf niet in strijd met enige op Delta rustende rechtsplicht. Het hof baseert dat oordeel op de volgende overwegingen.

Hoewel juist is dat op Delta, als partner in de joint venture, een verplichting jegens S’Energy als haar partner in die joint venture rustte om haar gedrag mede te laten bepalen door de gerechtvaardigde belangen van die partner, mocht Delta ook haar eigen belangen in het oog houden. Dat die eigen belangen van Delta een voortzetting van de toestand niet toelieten blijkt genoegzaam uit hetgeen hiervoor werd overwogen. Het aandringen op een vaststellingsovereenkomst ter beëindiging van de joint venture en het S’Energy op dat punt geen alternatief laten is op zich dan ook geen misbruik van omstandigheden. Dat geldt ook voor het in die vaststellingsovereenkomst opnemen van een algehele en finale kwijtingsclausule zoals de overeengekomen clausule. Het opnemen van zo’n clausule lag, ook in de visie van partijen en hun advocaten, geheel in de lijn die met de vaststellingsovereenkomst werd beoogd, te weten het eens en voor al een eind maken aan de joint venture en wat daarmee samenhing.

Daaraan doet niet af dat Delta, naar S’Energy terecht stelt, had bijgedragen aan het ontstaan van de situatie door niet mee te werken aan de uitgifte van de obligaties en de deelneming door [B] . Anders dan S’Energy steeds als uitgangspunt neemt bracht de aard van deze joint venture mee dat Delta, naar gelang de tijd vorderde en de markt en Sunergy zich ontwikkelden, haar positie mocht bepalen en een voorzichtiger koers mocht aanhouden dan S’Energy (en dan beide partijen bij aanvang) voor ogen stond. S’Energy als ervaren, professionele ondernemer en projectontwikkelaar, bijgestaan door adviseurs, had daarmee vanaf het begin rekening kunnen en moeten houden.”

Het onderdeel bevat twee subonderdelen (2a en 2b). Beide subonderdelen bouwen voort op de in onderdeel 1 opgenomen klacht dat het hof ten onrechte de laakbaarheid van het handelen van Delta ten aanzien van de drooglegging, afhankelijkheid en verdere drukmiddelen onbesproken heeft gelaten. Volgens subonderdeel 2a heeft het hof daarmee eveneens ten onrechte de vraag onbesproken gelaten of Delta afspraken met S’Energy heeft geschonden en of dit misbruik van omstandigheden oplevert of daaraan bijdraagt.

Subonderdeel 2a valt uiteen in vier klachten.

De eerste drie klachten zijn gericht tegen rov. 3.9, tweede en derde alinea, voor zover het hof daarin ten aanzien van het niet meewerken door Delta aan de uitgifte van obligaties en de deelneming door [B] heeft overwogen dat S’Energy haar eigen belangen in het oog mocht houden en een voorzichtiger koers mocht aanhouden dan S’Energy.

De vierde klacht van subonderdeel 2a keert zich met een motiveringsklacht tegen de overweging van het hof dat “S’Energy als ervaren, professionele ondernemer en projectontwikkelaar, bijgestaan door adviseurs, (…) daarmee vanaf het begin rekening [had] kunnen en moeten houden”.

De klachten falen bij gebrek aan belang. Het hof heeft in rov. 3.6 – terecht – geoordeeld dat voor een geslaagd beroep op misbruik van omstandigheden niet nodig is dat de omstandigheden in kwestie zijn ontstaan als gevolg van laakbaar handelen van Delta en dat dit in dit kader onbesproken kan blijven. Voor zover het hof zich hierover wél heeft uitgelaten, betreft het in het kader van het beroep op misbruik van omstandigheden derhalve een overweging ten overvloede.

Zoals vermeld onder 3.6-3.7 hebben de aangevallen overwegingen m.i. alleen betrekking op de beoordeling van misbruik van omstandigheden en kan daaraan niet een verderstrekkende betekenis worden toegekend.

Subonderdeel 2b, dat met twee motiveringsklachten opkomt tegen de overweging van het hof dat de aard van deze joint venture meebracht dat Delta naar gelang de tijd vorderde en de markt en Sunergy zich ontwikkelden haar positie mocht bepalen en een voorzichtiger koers mocht aanhouden dan S’Energy (en beide partijen bij aanvang) voor ogen stond, deelt om dezelfde redenen het lot van subonderdeel 2a.

Onderdeel 2 leidt mitsdien niet tot cassatie.

Onderdeel 3 keert zich tegen het oordeel van het hof in rov. 3.8 van het tussenarrest van 24 juni 2015 dat “de stelling van S’Energy dat Delta zich ook bewust moet zijn geweest van een financiële noodtoestand bij S’Energy in eerste instantie en ook in appel, ondanks de stortvloed van stukken, nog steeds niet deugdelijk onderbouwd is”.

Vooropgesteld dient te worden dat het bestreden oordeel op een uitleg en waardering van de gedingstukken berust, hetgeen aan het hof als feitenrechter is voorbehouden. In cassatie is een dergelijk oordeel daarom slechts in beperkte mate toetsbaar.

In subonderdeel 3a wijst S’Energy op verschillende overwegingen van het hof in rov. 3.1.1, rov. 3.1.3, rov. 3.1.5, rov. 3.5., rov. 3.7, rov. 3.8 en rov. 3.10 van het tussenarrest van 24 juni 2014 en stelt zij dat genoemde overwegingen niet anders kunnen worden begrepen dan dat Delta zich wél (globaal) bewust was van de financiële noodtoestand van S’Energy, althans dat die wel voor haar kenbaar was.

Ik merk allereerst op dat de rov. 3.1.1, 3.1.3 en 3.1.5 door het hof vastgestelde feiten betreffen, die zijn gebaseerd op hetgeen de rechtbank als vaststaand heeft aangenomen en waartegen geen grieven zijn gericht.

Uit de overige genoemde overwegingen kan hooguit worden afgeleid dat het hof heeft geoordeeld dat Delta zich ervan bewust was dat S’Energy niet de financiële armslag had om investeringen in Sunergy te doen; daarin kan niet worden gelezen dat er naar het oordeel van het hof sprake was van een bij S’Energy bestaande financiële noodtoestand waarvan Delta zich in ieder geval (globaal) bewust was. Het subonderdeel faalt in zoverre daarnaast op grond van gemis aan feitelijke grondslag.

Subonderdeel 3b klaagt dat voor zover het hof van oordeel is geweest dat voor de aanwezigheid van misbruik van omstandigheden vereist zou zijn dat Delta zich tot in alle details bewust was van de financiële noodtoestand van S’Energy, althans dat die voor haar kenbaar moeten zijn geweest, dat oordeel rechtens onjuist is.

M.i. valt een dergelijk oordeel geenszins in de aangevallen rechtsoverwegingen te lezen, zodat ook dit subonderdeel feitelijke grondslag mist. Anders is het een impliciet oordeel en stuit het subonderdeel af op art. 399 Rv.

Subonderdeel 3c bevat de klacht dat het hof met de bestreden overweging voorbij is gegaan aan twee essentiële stellingen van S’Energy waaruit volgt dat de financiële noodtoestand van S’Energy wel degelijk kenbaar was, namelijk (i) de stelling dat Delta reeds in haar Operationeel Plan 2007-2009 onderkende dat mede-aandeelhouder S’Energy over beperkte financiële middelen beschikt om nieuwe investeringen te doen en (ii) de stelling dat de (toenmalige) advocaat van Delta [bedoeld is: S’Energy] in zijn brief van 16 september 2008, tegen de achtergrond dat S’Energy in gebreke was gebleven te voldoen aan het verzoek om bij te storten voor het tweede kwartaal van 2008, aan Delta heeft medegedeeld dat S’Energy’s financiële positie was uitgehold.

Subonderdeel 3d klaagt voorts dat de overweging van het hof ook onvoldoende gemotiveerd is in het licht van de erkenning van Delta in de processtukken dat zij ervan op de hoogte was dat S’Energy onvoldoende geld had, onder andere daar waar Delta stelt dat S’Energy haar deel van de financiering van de acquisitie van Solland niet rond kreeg en dat S’Energy onvoldoende geld had om nog uit te schrijven capital calls van Sunergy te betalen en Delta daarom verzocht voor- of brugfinanciering te verstrekken.

Ik neem aan dat de beide subonderdelen (anders dan de subonderdelen 3a en 3b) betrekking hebben op de overweging van het hof in rov. 3.8 dat “de stelling van S’Energy dat Delta zich ook bewust moet zijn geweest van een financiële noodtoestand bij S’Energy in eerste instantie en ook in appel, ondanks de stortvloed van stukken, nog steeds niet deugdelijk onderbouwd is”.

De in subonderdeel 3c aangehaalde stellingen en in subonderdeel bedoelde erkenning van Delta dat zij op de hoogte was dat S’Energy onvoldoende geld had, houden verband met het ontbreken van financiële middelen aan de zijde van S’Energy om (omvangrijke) investeringen (in Sunergy en ten behoeve van de acquisitie van Solland) te doen. Uit de gestelde omstandigheid dat Delta daarvan op de hoogte was, volgt nog niet dwingend dat Delta zich ook bewust moet zijn geweest van een bij S’Energy bestaande financiële noodsituatie, in die zin dat S’Energy niet meer in staat was om (meerdere van) haar schuldeisers te voldoen. De aangehaalde stellingen zijn m.i. daarom niet essentieel voor het oordeel van het hof dat de stelling dat Delta zich ook bewust moet zijn geweest van een financiële noodtoestand bij S’Energy onvoldoende onderbouwd is. Dit oordeel is m.i. evenmin onbegrijpelijk.

Subonderdeel 3e klaagt dat de overweging in rov. 3.8 dat S’Energy zich toen al had verzoend met de uitkoop onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd, omdat die overweging innerlijk tegenstrijdig is met de overwegingen in rov. 3.9 dat Delta S’Energy geen alternatief liet en in rov. 3.10 dat S’Energy op dat moment geen reële alternatieven had.

Hoewel de relevantie van de overweging van het hof mij ontgaat gelet op de te beantwoorden vraag of de kwijtingsbepaling vernietigbaar is op grond van misbruik van omstandigheden, kan een daartegen gerichte klacht niet tot cassatie leiden omdat het een overweging ten overvloede is. Het subonderdeel faalt mitsdien en daarmee geheel onderdeel 3.

Onderdeel 4 bevat drie klachten.

Subonderdeel 4a is gericht tegen de rov. 3.1.13 en 3.1.17 en klaagt dat deze overwegingen onvoldoende zijn gemotiveerd voor zover daarin besloten ligt dat het bedrag van € 32 miljoen slechts de tegenprestatie was voor het aandelenpakket van S’Energy.

De door het subonderdeel bestreden rechtsoverwegingen zijn vaststellingen van feiten. Daarin ligt het door het subonderdeel gesuggereerde oordeel niet besloten.

Subonderdeel 4b richt zich tegen de hiervoor onder 5.2 geciteerde oordelen in rov. 3.10, alsmede tegen rov. 3.11 van het tussenarrest van 24 juni 2014, waarin het hof als volgt heeft geoordeeld:

“Gelet op de door S’Energy ingebrachte waarderingen van Sunergy en daarmee haar pakket aandelen zijn er voldoende aanknopingspunten voor de stelling dat de betaalde prijs veel te laag geweest is; Delta en [A] betwisten dit echter.

Nu partijen van mening verschillen over de juistheid van de stellingen van S’Energy omtrent de waarde van het aandelenpakket van S’Energy ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst zal het hof op dat punt een deskundigenbericht moeten gelasten. Anders dan S’Energy is het hof van oordeel dat de enkele omstandigheid dat van de zijde van Delta en [A] geen rapporten aangaande de waarde zijn overgelegd niet voldoende grond oplevert om zonder meer af te gaan op de door S’Energy gestelde en onderbouwde waarde. Daarbij heeft het hof mede in aanmerking genomen de bezwaren van Delta en [A] tegen die rapporten en de omstandigheid dat de rapporten van Enskilda en Croon niet tot dezelfde waarde komen, terwijl voorts een waardering per februari 2009 noodzakelijk is.”

Het subonderdeel vat de bestreden overwegingen uit rov. 3.10 en 3.11 aldus samen dat het hof heeft geoordeeld dat voor de vraag of sprake is geweest van misbruik van omstandigheden en/of bedreiging, althans of sprake was van nadeel als gevolg van dergelijk misbruik en /of bedreiging, slechts relevant is of de door Delta als gevolg van de vaststellingsovereenkomst betaalde prijs van € 32 miljoen onverklaarbaar veel lager is dan de waarde die het aandelenpakket (curs. subonderdeel) van S’Energy in februari 2009 vertegenwoordigde.

Het subonderdeel klaagt vervolgens dat dit dergelijk oordeel rechtens onjuist is, omdat het hof hierin niet het volledige nadeel als gevolg van het beweerde misbruik van omstandigheden heeft betrokken, terwijl het hof gehouden was om alle omstandigheden van het geval bij zijn oordeel te betrekken. Volgens het subonderdeel diende het hof niet slechts te onderzoeken of € 32 miljoen te weinig was voor de aandelen (curs. subonderdeel), maar voor de aandelen plus de finale kwijting (curs. subonderdeel), omdat zowel het prijsgeven van de aandelen als het verlies van de door de finale kwijting prijsgegeven vorderingen het nadeel is dat S’Energy als gevolg van misbruik van omstandigheden heeft geleden.

Het subonderdeel berust op een verkeerde lezing van het tussenarrest.

Kern daarvan is de beoordeling van de vraag of de vaststellingsovereenkomst door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen. Dat is volgens het hof in de slotzin van rov. 3.10 – zakelijk weergegeven – het geval indien Delta slechts een prijs heeft willen betalen (mijn curs.) die zakelijk gezien in redelijkheid niet verklaarbaar of gerechtvaardigd was, in de wetenschap dat S’Energy op dat moment klem zat. Of de prijs in redelijkheid zakelijk onverklaarbaar of niet gerechtvaardigd was, moet worden beoordeeld, na deskundigenbericht, aan de hand van het verschil tussen prijs en de waarde die het aandelenpakket van S’Energy in februari 2009 vertegenwoordigde. Dit betreft dus de door het hof gekozen benaderingswijze.

Het hof heeft niet heeft geoordeeld dat het voor de vraag of sprake is geweest van misbruik van omstandigheden slechts relevant is of de door Delta als gevolg van de vaststellingsovereenkomst betaalde prijs van € 32 miljoen onverklaarbaar veel lager is dan de waarde die het aandelenpakket in februari 2009 vertegenwoordigde. In dergelijke bewoordingen heeft het hof zich niet uitgedrukt.

Het subonderdeel mist in zoverre dus feitelijke grondslag.

De klacht dat het hof acht moet slaan op het totale door S’Energy als gevolg van misbruik van omstandigheden geleden schade stuit enerzijds af op het hiervoor onder 4.7 vermelde dat voor een geslaagd beroep – en derhalve ook voor de beoordeling van een beroep – op misbruik van omstandigheden niet is vereist dat het slachtoffer is benadeeld. Anderzijds komt de door S’Energy gestelde schade van het prijsgeven van de aandelen en van het verlies van de door de finale kwijting prijsgegeven vorderingen (eventueel) aan bod in het kader van de overige ingestelde vorderingen, die thans niet aan de orde zijn (zie hiervoor onder 3.6 en 3.7).

Op dit laatste stuit ook subonderdeel 4c af dat klaagt dat het onderzoek naar de finale kwijting op zijn beurt onderzoek vergt naar de vraag in hoeverre S’Energy schade heeft geleden als gevolg van de handelingen van Delta.

Onderdeel 5 heeft betrekking op het deskundigenbericht dat het hof in het vooruitzicht heeft gesteld.

Subonderdeel 5a bouwt voort op onderdeel 4 en deelt hetzelfde lot.

Subonderdeel 5b is gericht tegen rov. 2.6 van het tussenarrest van 2 juni 2015, waarin het hof als volgt heeft geoordeeld:

“Anders dan S’Energy wenst zal de deskundigen niet gevraagd worden om (slechts) een reconciliatie/validatie uit te voeren, maar zullen zij, zelfstandig, de waarde van de aandelen dienen vast te stellen. Het deskundigenonderzoek dat het hof voor ogen staat betreft immers niet een waardering in het kader van partij-afspraken, maar het vaststellen van een objectieve omstandigheid die, in het licht van de overige omstandigheden van het geval, van groot gewicht kan zijn bij de beantwoording van de vraag of sprake is geweest van misbruik van omstandigheden.”

Het subonderdeel klaagt dat dit oordeel onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd.

Het hof heeft in de aan de bestreden rechtsoverweging voorafgaande overwegingen de gang van zaken met betrekking tot deskundigenbericht uiteengezet (zie ook mijn samenvatting van dit tussenarrest in paragraaf 2 van deze conclusie). Daaruit blijkt dat het door het subonderdeel voorgestane standpunt van S’Energy bij het hof reeds uitvoerig aan de orde is geweest (zie bijv. rov. 2.3.1) en de bestreden rechtsoverweging gemotiveerd is verworpen. Hetgeen het hof voor ogen staat ziet op de vragen die het hof aan de deskundigen zal voorleggen en heeft mitsdien betrekking op de instructie van de zaak. Dergelijke beslissingen betreffen niet een geschilpunt van feitelijke of juridische aard en hebben een voorlopig karakter. Het staat het hof vrij om in de loop van de procedure alsnog te beslissen dat de deskundigen een reconciliatie en/of validatie van de eerdere waarderingen dienen uit te voeren.

Het subonderdeel faalt derhalve.

Subonderdeel 5c richt zich met drie klachten tegen rov. 2.7 van het tussenarrest van 2 juni 2015, waarin het hof het volgende heeft overwogen:

“S’Energy stelt dat de deskundigen bij de waardering uit moeten gaan van een harde toezegging van Delta c.s. om tenminste nog € 95 miljoen te investeren. Die toezegging wordt door Delta c.s. (gemotiveerd) betwist en op basis van de tot dusver geproduceerde stukken is het bewijs daarvan niet geleverd, ook niet voorshands. Op dit punt zal dus, eventueel, bewijslevering noodzakelijk zijn. Hoewel niet onaannemelijk voorkomt dat een dergelijke toezegging van invloed is op de waarde van de aandelen kan dat niet met zekerheid gezegd worden, zeker nu een mogelijke koper wellicht mee zal wegen dat het weinig aantrekkelijk is om een dergelijke toezegging in rechte af te dwingen; op basis van de stukken moet immers worden aangenomen dat Delta c.s. ook in februari 2009 al betwistte tot een extra kapitaalinjectie verplicht te zijn (daargelaten of dat terecht was of niet). Het hof zal daarom aan de deskundigen vragen om de aandelen zowel met als zonder een dergelijke toezegging te waarderen. Als de deskundigen van mening blijken dat die toezegging van (meer dan marginaal) belang is zal S’Energy worden toegelaten tot bewijslevering op dit punt; dat zal dus eerst na het deskundigenbericht aan de orde zijn.”

Het subonderdeel neemt ten onrechte tot uitgangspunt dat het hof in de bestreden rechtsoverweging een bindende eindbeslissing heeft gegeven waartegen cassatie kan worden ingesteld. Dat is evenwel niet het geval: met het oordeel dat het bewijs niet is geleverd – ook niet voorshands – dat sprake was van een harde toezegging van Delta om ten minste € 95 miljoen te investeren, heeft het hof dit geschilpunt niet definitief afgedaan omdat het hof heeft aangekondigd dat het de deskundigen zal vragen om de aandelen zowel met als zonder een dergelijke toezegging te waarderen en dat S’Energy zal worden toegelaten tot bewijslevering op dit punt indien de deskundigen van mening blijken dat de toezegging van (meer dan marginaal) belang is. De klachten onder (i) en (ii) zijn daarmee m.i. prematuur. De klacht onder (iii) stuit af op de in het vooruitzicht gestelde mogelijkheid van bewijslevering door S’Energy.

Onderdeel 5 faalt daarmee in zijn geheel.

Onderdeel 6 is gericht tegen de rolbeslissingen van 29 september 2014 (hierna: rolbeslissing 1) en van 8 oktober 2014 (hierna: rolbeslissing 2). In rolbeslissing 1 heeft de rolraadsheer van het hof, voor zover thans van belang, de akte van S’Energy van 16 september 2014 geweigerd en S’Energy in de gelegenheid gesteld om ter rolle van 7 oktober 2014 een gewijzigde akte te nemen. In rolbeslissing 2 heeft de rolraadsheer rolbeslissing 1 op genoemde punten gehandhaafd en een comparitie van partijen gelast.

Het onderdeel klaagt in vijf subonderdelen dat de beslissing van de rolraadsheer om de akte van S’Energy van 16 september 2014 te weigeren niet in stand kan blijven.

Subonderdeel 6a voert daartoe aan dat het hof blijkens het roljournaal de oorspronkelijk akte van S’Energy van 16 september 2014 als genomen heeft beschouwd, zodat het hof dan wel de rolraadsheer niet gerechtigd was om op die beslissing terug te komen.

Subonderdeel 6b klaagt dat het hof dan wel de rolraadsheer door de weigering van de akte de in art. 6 EVRM verankerde rechten op hoor en wederhoor en equality of arms heeft geschonden omdat S’Energy is uitgenodigd om haar visie te geven naar aanleiding van het verzoek van Delta van 25 september 2015 om de akte te weigeren.

Volgens subonderdeel 6c is de weigering van de akte onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, omdat de oorspronkelijke akte volledig voldeed aan hetgeen het hof partijen had verzocht in rov. 3.11 van het tussenarrest van 24 juni 2014. In dat kader wijst S’Energy erop dat het hof dan wel de rolraadsheer de akte van Delta c.s., welke akte zag op andere onderwerpen dan waartoe het hof partijen had toegelaten zich uit te laten, niet aan dezelfde maatstaven heeft getoetst.

Subonderdeel 6d klaagt erover dat, in weerwil van het verzoek van S’Energy, niet de kamer van het hof die het eerste tussenarrest had gewezen en het daaraan voorafgaande pleidooi had bijgewoond, maar de rolraadsheer die de eerste rolbeslissing had genomen voor de tweede maal heeft beslist over de weigering van de akte.

Subonderdeel 6e bouwt voort op de voorgaande subonderdelen en stelt dat bij gegrondbevinding van een of meer van deze subonderdelen het tussenarrest van 21 oktober 2014 evenmin in stand kan blijven omdat het hof geen kennis heeft kunnen nemen van de oorspronkelijk ingediende akte.

Alvorens op de door S’Energy aangevoerde klachten in te gaan, behandel ik in de eerste plaats de vraag wat de aard is van de bestreden rolbeslissingen: zijn het rolbeschikkingen – in welk geval daartegen naar vaste rechtspraak geen cassatie openstaat –, dan wel tussenarresten, waartegen door S’Energy – zonder op het eindarrest te hoeven wachten – cassatieberoep kan worden ingesteld nu het hof daarvoor verlof heeft verleend.

Een rolbeschikking betreft een maatregel ter rolle die louter wordt genomen ter bevordering van een behoorlijke rechtspraak en ter verzekering van een geregeld verloop van de procesgang. Rolbeschikkingen behoeven in beginsel niet te worden gemotiveerd. Een rolbeslissing die ingrijpt in de rechten en belangen van partijen is een vonnis of arrest. Doorslaggevend is de aard en strekking van de beslissing en niet de vorm waarin de beslissing is gegoten of de benaming die daaraan is gegeven.

In de tweede plaats is de volgende gang van zaken van belang.

Het hof heeft in zijn tussenarrest van 21 oktober 2014 een comparitie van partijen gelast, hetgeen ook de rolraadsheer in zijn rolbeslissing van 8 oktober 2014 had bepaald. Deze comparitie heeft op 6 februari 2015 plaatsgevonden. Ter gelegenheid van die zitting heeft S’Energy haar in de geweigerde akte weergegeven standpunt alsnog (uitgebreid) mondeling aan het hof toegelicht. Voorafgaand aan de comparitie heeft S’Energy bovendien de ter rolzitting van 16 september 2014 ingediende producties, die door de rolraadsheer tezamen met de akte waren geweigerd, alsnog in het geding gebracht.

De bestreden beslissingen van de rolraadsheer (tot het weigeren van de op de rol van 16 september 2016 genomen akte (rolbeslissing 1) alsmede om te persisteren bij deze weigering (rolbeslissing 2)) zijn m.i. rolmaatregelen die niet, althans niet wezenlijk, ingrijpen in de rechten of belangen van partijen maar enkel betrekking hebben op het ordelijke verloop van de procedure. De rolraadsheer heeft – kort gezegd – geoordeeld dat de akte die S’Energy op de rol van 16 september 2014 verzocht te nemen vanwege de inhoud buiten de orde was omdat S’Energy in de paragrafen 1 t/m 6 (52 pagina’s) het partijdebat heropende op punten waarover het hof reeds had beslist. Dit betrof ook de bijbehorende producties. Een dergelijke beslissing is een ordemaatregel. Hetzelfde geldt voor de beslissing om niet terug te komen op de eerdere ordemaatregel.

De rolraadsheer heeft S’Energy niet het recht ontnomen om de akte uitlating inzake het deskundigenbericht te nemen, maar heeft haar in de gelegenheid gesteld om op een latere rolzitting een akte in te dienen die wél aan de instructies van het hof in het tussenarrest van 24 juni 2014 voldeed, hetgeen S’Energy, zij het onder protest, heeft gedaan. In dat opzicht grijpen beide ordemaatregelen ook niet (wezenlijk) in in de rechten van S’Energy om haar visie op het in het vooruitzicht gestelde deskundigenbericht te geven.

Daar komt bij dat, zoals hiervoor onder 5.51 vermeld, dat S’Energy in feite heeft bereikt wat zij met haar geweigerde akte met producties over het voetlicht wilde brengen. Ook in dat licht is S’Energy door de rolbeslissingen niet in haar rechten of procesbelangen is geschaad.

Dit brengt mee dat de bestreden beslissingen rolbeschikkingen betreffen die niet vatbaar zijn voor cassatie, zodat S’Energy niet-ontvankelijk is in haar cassatieberoep daartegen.

Ik lees in het cassatieberoep geen beroep op een doorbrekingsgrond. Voor zover zou moeten worden aangenomen dat S’Energy dat wel heeft willen doen, bijvoorbeeld door in subonderdeel 6b te klagen dat de beslissingen van de rolraadsheer in strijd zijn met het in art. 6 EVRM verankerde recht op hoor en wederhoor en “equality of arms”, geldt het volgende.

Niet alle in de wet of jurisprudentie wortelende rechtsmiddelenverboden kunnen worden doorbroken. Indien de aard van de beslissing zich daartegen verzet, is doorbreking niet mogelijk. Zo heeft de Hoge Raad in het arrest Heep/Heep geoordeeld dat het rechtsmiddelenverbod van art. 134 (oud) Rv (thans art. 130 lid 2 Rv) ten aanzien van de beslissing op verzet tegen verandering of vermeerdering van eis niet kan worden doorbroken omdat de beslissing wordt gekenmerkt door een marginale toetsing en deze beslissing niet definitief is zodat eiser dus ook geen rechten wordt ontnomen.

Bakels heeft in zijn conclusie vóór voornoemd arrest betoogd dat toepassing van de “doorbraakjurisprudentie” twijfelachtiger wordt naarmate de desbetreffende beslissing minder met het eigenlijke geschil en meer met een ongestoord en vlot verloop van de procesgang heeft te maken (door hem aangeduid als ‘‘type verkeersregelingen’’). Volgens Bakels wordt de grens overschreden wanneer sprake is van een rolbeschikking. Bij deze opvatting sluit ik mij aan. De aard van een rolbeschikking brengt mee dat een partij daardoor niet – wezenlijk – in zijn procesbelang wordt geraakt, zodat het, mede gezien de daardoor optredende vertraging in de procedure, niet wenselijk zou zijn wanneer een rolbeschikking tussentijds ter beoordeling aan een hogere rechter zou kunnen worden voorgelegd.

Met betrekking tot subonderdeel 6a merk ik op dat de klacht feitelijke grondslag mist, nu de rolraadsheer in zijn beslissing van 29 september 2014 onder 1.2 heeft overwogen dat S’Energy heeft verzocht een akte te mogen nemen, en niet dat S’Energy ter rolle een akte heeft genomen. Een afschrift van het roljournaal waaruit het door S’Energy gestelde zou blijken is niet bijgevoegd.

Subonderdeel 6b faalt, naast het hiervoor vermelde, bovendien op de grond dat S’Energy bij faxbericht van 26 september 2016 haar standpunt over de toelaatbaarheid van de akte heeft toegelicht en vervolgens ook bij H-16 formulier en faxbericht van 6 oktober 2014, naar aanleiding waarvan de rolraadsheer heeft beoordeeld of de beslissing tot weigering van de akte moest worden herzien. Niet valt in te zien dat en waarom de rolraadsheer S’Energy daaromtrent nader had moeten horen.

Subonderdeel 6c stuit, als gezegd, af op de omstandigheid dat rolbeslissingen niet behoeven te worden gemotiveerd.

Met betrekking tot subonderdeel 6d heeft tot slot het volgende te gelden.

Na het wijzen van het tussenarrest van 24 juni 2014 waarin de meervoudige kamer van het hof de zaak naar de rol had verwezen voor akte aan de beide zijden over de te benoemen deskundige(n) en de aan de deskundige(n) te stellen vragen, mocht het hof de beslissing of de door S’Energy ter rolle genomen akte al dan niet toelaatbaar was, op de voet van art. 90 lid 2 Rv jo. art. 353 lid 1 Rv overlaten aan de rolraadsheer. Er bestaat geen rechtsregel die eraan in de weg staat dat de rolraadsheer die deze beslissing heeft genomen eveneens oordeelt over een verzoek om daarop terug te komen. Voor (overeenkomstige) toepassing van de in het door S’Energy aangehaalde arrest van 31 oktober 2014 neergelegde rechtsregels bestaat geen grond; de rolbeslissing van 8 oktober 2014 behelst geen beslissing over de geschilpunten die bij het aan het tussenarrest van 24 juni 2014 voorafgaande pleidooi aan de orde zijn gekomen. Het betreft een processuele beslissing die los staat van het geschil in de hoofdzaak.

6. Conclusie

De conclusie strekt tot:

- vernietiging van de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 24 juni 2014 en 2 juni 2015 en tot verwijzing ter verdere behandeling en beslissing, alsmede tot

- niet-ontvankelijkverklaring van S’Energy in haar cassatieberoep tegen de rolbeslissingen van het gerechtshof Amsterdam van 29 september 2014 en 8 oktober 2014.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JIN 2017/53 met annotatie van G. te Winkel JOR 2017/120 met annotatie van mr. C. Spierings
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?